Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-05-12
ECLI:NL:RBGEL:2025:11639
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/880250-19 Datum uitspraak : 12 mei 2025 Tegenspraak (279 Sv) vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1969 in de Sovjet-Unie (plaats onbekend), wonende aan de [adres 1] in [postcode] [woonplaats] (Frankrijk). Raadsvrouw: mr. R.M. Joppen, advocaat in Almere. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 mei 2018 tot en met1 januari 2024, te Silvolde en/of Ulft, gemeente Oude IJsselstreek en/of (elders) in Nederland en/of te Ales, Frankrijk en/of (elders) in Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (van) - een geldbedrag van (in totaal) 216.836 euro, althans een groot geldbedrag (bestemd voor de aankoop van een/het woning/pand gelegen aan de [adres 2] te Silvolde) en/of - een pand gelegen aan de [adres 2] te Silvolde en/of althans/aldus (van) een of meer (van die) voorwerpen - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) (sub a) en/of - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of - gebruik heeft gemaakt (sub b) terwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Inleiding Deze strafzaak maakt deel uit van de vervolging van de verdachten uit het onderzoek ‘Babydraak'. Aanleiding voor dit onderzoek vormde een melding dat omwonenden vermoedden dat in het pand aan de [adres 2] in Silvolde een hennepkwekerij zou zitten. Er is vervolgens onderzoek gedaan naar de eigendom van dit pand en de personen die bij observaties gezien zijn bij dit pand. Van die personen, te weten [naam 1] (verder te noemen: [naam 1] ), [naam 2] (verder te noemen: [naam 2] ), [naam 3] (verder te noemen: [naam 3] ) en[naam 4] (verder te noemen: [naam 4] , in het procesdossier naar voren komend onder de achternaam - vóór echtscheiding- [naam 4] ) zijn vanaf 4 maart 2019 de telefoonnummers geïntercepteerd. In de tapgesprekken en verder onderzoek kwamen andere panden in beeld, waarin voornoemde personen zich mogelijk bezig hielden met de teelt van hennep. Binnen het onderzoek ‘Babydraak’ wordt aan ieder van de voornoemde personen, alsook aan [medeverdachte 1] (verder te noemen: [medeverdachte 1] ), een (in meer of mindere mate centrale) rol toegedicht binnen een criminele organisatie. Deze organisatie zou zich, kort weergegeven, jarenlang bezig hebben gehouden met het telen van grote hoeveelheden hennep in meerdere hennepkwekerijen, waarbij de ten behoeve van de teelt benodigde stroom illegaal werd afgenomen. De opbrengst van de verkoop van de geteelde hennep zou vervolgens zijn witgewassen door deze aan te wenden voor de aankoop van panden op diverse locaties in Nederland. Er werden geen hypothecaire leningen afgesloten en de koopprijs werd betaald vanuit het buitenland via bankrekeningen op naam van verschillende personen, en ook deels contant bij de betrokken notaris. De panden in kwestie werden op naam gezet van familieleden van leden van de criminele organisatie, niet zijnde, zo is de verdenking, de (feitelijk) rechthebbenden op de panden. Het gaat dan om [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Direct na de aankoop vond (met uitzondering van de panden op naam van de moeder van [naam 4] ) geen inschrijving plaats in de Basis Registratie Personen (BRP) en was De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. Binnen dit kader dient de rechtbank te beoordelen of [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van (het aankoopbedrag van) het pand aan de [adres 2] . De rechtbank zal hierna, om te beoordelen of de betalingen die zijn gedaan ten behoeve van de aankoop van het pand aan de [adres 2] een criminele herkomst hebben, eerst ingaan op de herkomst van de gelden waarmee het pand is aangekocht. Daarbij zullen ook de panden aan de [adres 3] in Rotterdam, de [adres 4] in Rotterdam en het [adres 5] in Schiedam aan de orde komen, gelet op de uit de bewijsmiddelen naar voren komende verwevenheid waar het gaat om de financiering van deze panden door personen die allen in een familierelatie staan tot elkaar. Daarna zal de rechtbank beoordelen of de feiten en omstandigheden ten aanzien van de betaling van het pand aan de [adres 2] en de herkomst van de gelden een gerechtvaardigd vermoeden opleveren dat deze gelden van enig misdrijf afkomstig zijn. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de verklaringen van [verdachte] en anderen over de herkomst van de gelden en beoordelen of deze concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de witwashandelingen van de verschillende (andere) verdachten. Criminele herkomst Aankoopbetalingen ten aanzien van de panden De rechtbank neemt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, als vaststaand aan. [adres 3] Het pand gelegen aan de [adres 3] in Rotterdam is op 11 maart 2013 geleverd aan [medeverdachte 3] . In totaal is € 51.993,31 betaald aan de notaris. De betalingen gingen als volgt. Op 5 maart 2013 is er € 6.000,- betaald van rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [naam 6] . Op 5 maart 2013 is er € 8.000,- betaald van rekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van [naam 7] . Op 6 maart 2013 is er € 27.943,- betaald vanuit Armenië van rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van [medeverdachte 3] . Het resterende bedrag van € 10.050,31 is contant betaald. [naam 7] en [naam 6] zijn familie van [medeverdachte 1] , zij zijn broers van elkaar en zijn de zonen van de oom van [medeverdachte 1] . [adres 4] Dit pand is op 30 juli 2015 door [medeverdachte 1] aangekocht voor € 100.000,-. De betaling van de totale aankoopprijs van € 103.231,- aan de notaris is als volgt gedaan. Op 2 juli 2015 is er een betaling van € 26.500,- gedaan op naam van [medeverdachte 2] . Op 2 juli 2015 is er een betaling van € 27.500,- gedaan op naam van [medeverdachte 3] . Op 14 juli 2015 is er € 10.000,- betaald van rekeningnummer [rekeningnummer 9] op naam van [medeverdachte 1] . Op 23 juli 2015 is er een betaling van € 27.797,- gedaan op naam van [medeverdachte 2] . Op 30 juli 2015 is het resterende bedrag van € 11.434,28 contant betaald bij de notaris. [adres 5] en [adres 2] Herkomst gelden aankoop [adres 5] Het pand aan het [adres 5] is op 8 maart 2016 gekocht door [medeverdachte 2] voor € 115.000,-. De betaling van het aankoopbedrag aan de notaris is als volgt gegaan. - Op 12 februari 2016 is een betaling van € 9.000,- gedaan door [naam 7] en een betaling van € 6.000,- door [naam 5] . - Op 29 februari 2016 is een betaling van € 103.583,- gedaan op naam van [medeverdachte 3] Geldstroom verkoopopbrengst [adres 5] en aankoop [adres 2] Op 6 december 2017 is het pand aan het [adres 5] verkocht. De opbrengst van de verkoop (€ 143.673,25) is overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 4] op naam van [medeverdachte 2] , op 8 december 2017. Op 11 december 2017 wordt dit bedrag vervolgens overgemaakt naar een rekening van [medeverdachte 3] . Die hee Op 22 mei 2018 een bijschrijving van € 20.500,- van rekening [rekeningnummer 7] op naam van [medeverdachte 2] . Op 22 mei 2018 een afschrijving van € 20.500,- naar de rekening van notaris [naam 8] , met omschrijving ‘Payment according to the contract Zaaknummer 34878, 11 may 2018 for buyng real estate aankoop [adres 2] te Silvolde’. Op 25 mei 2018 een bijschrijving van € 25.003,61 van rekening [rekeningnummer 7] op naam van [medeverdachte 2] . Op 25 mei 2018 een bijschrijving van € 163.646,35 van rekening [rekeningnummer 5] op naam van [medeverdachte 3] . Op 25 mei 2018 een bijschrijving van € 7,716,67 van rekening [rekeningnummer 8] op naam van [verdachte] . Op 25 mei 2018 een: afschrijving van € 196.336,63 naar de rekening van notaris [naam 8] , met omschrijving ‘Payment according to the contract Zaaknummer 34878, 11 may 2018 for buyng real estate aankoop [adres 2] te Silvolde’. Uit de informatie die uit Frankrijk is gekomen blijkt dat de (Franse) inkomens- en vermogenspositie van [verdachte] en haar man [naam 5] Mneyan niet in verhouding staat tot het bedrag dat is betaald voor de aankoop van het pand aan de [adres 2] . Uit de aangeleverde gegevens blijken de volgende gezamenlijke fiscale inkomsten per belastingjaar: 2013 € 8.686 2014 € 0 2015 € 7.356 2016 € 5.799 2017 € 0 2018 € 15.188 [naam 6] en [naam 7] Op de genoemde rekening van [naam 6] stond op 1 oktober 2012 € 44,85. Op 28 november 2012, 22 februari 2013 en 4 maart 2013 werd er drie keer een contant bedrag op de rekening gestort, voor in totaal € 7.000,-. De herkomst van de gelden en de betalingen van [naam 7] zijn niet te onderzoeken. De fiscale jaarinkomens van [naam 6] en [naam 7] waren in 2013 respectievelijk € 11.281,- en € 13.838,-. [medeverdachte 1] heeft, zoals hiervóór genoemd, op 14 juli 2015 een betaling van € 10.000,- gedaan voor de aankoop van het pand aan de [adres 4] . Vier dagen voor deze betaling, wordt door [naam 9] een bedrag van € 9.888,- door middel van een wereldbetaling gestort op de rekening van [medeverdachte 1] . Deze [naam 9] is op 23 juli 2019 aangehouden in het pand aan de [adres 2] toen daar een hennepkwekerij is aangetroffen. Tussenconclusie: gerechtvaardigd vermoeden van criminele herkomst Gelet op de volgende feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gerechtvaardigd vermoeden dat de geldbedragen waarmee de drie panden aan de [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] zijn aangekocht afkomstig zijn van enig misdrijf: het aankoopbedrag per pand wordt door middel van verschillende overboekingen voldaan door verschillende personen, deels wonend in het buitenland en vanaf buitenlandse tenaamgestelde rekeningen of zogenaamde paspoortrekeningen en deze betalingen worden soms vooraf gegaan door contante stortingen; de personen die de betalingen doen, hebben geen binding met Nederland en zijn allemaal familie van [medeverdachte 1] ; (het legale) vermogen van de personen die de betalingen doen vormt op geen enkele manier een verklaring voor de uitgaven die zij voor de aankoop van de verschillende panden hebben gedaan. Omdat het pand aan de [adres 2] bijna volledig is gefinancierd met de verkoopopbrengst van het pand aan het [adres 5] , geldt ook voor dat pand dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat het is aangekocht met geld afkomstig van enig misdrijf. Van [verdachte] en de andere betrokken verdachten mag daarom worden verwacht dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geven over de legale herkomst van het geld waarmee de panden, en uiteindelijk ook het pand aan de [adres 2] , zijn aangekocht. Verklaringen van de verdachten over de herkomst van de gelden waarmee de panden zijn aangekocht [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben geen verklaring afgelegd. [verdachte] heeft bij Franse politie verklaard geen beroep en geen enkele vorm van inkomen te hebben. Haar man is kruidenier en verdient € 1000,- per maand. Over d Het is niet duidelijk geworden hoe deze verklaringen tot stand zijn gekomen. Deze omstandigheden, tezamen met het gegeven dat in onderzoek ‘Babydraak’ een veelheid aan valse stukken is aangetroffen, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat uiterst behoedzaam met deze verklaringen moet worden omgegaan. Als vervolgens wordt gekeken naar de inhoud van de stukken die zijn overgelegd, kan de onderbouwing die namens [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is ingediend op geen enkele manier de uitgaven van ruim € 356.000,- die zij voor de aankoop van de panden hebben gedaan verklaren. De inkomsten die [medeverdachte 3] stelt te hebben gehad, de overgelegde stukken met daarop banksaldi, en het gegeven dat zij in al die jaren ook financiële middelen nodig hadden om van te leven, verklaren bij lange na niet deze enorme uitgaven aan onroerend goed in Nederland. Daar komt nog bij dat in de onderbouwing geen verklaring is gegeven voor de herkomst van de gelden die via de zogenoemde paspoortrekeningen zijn overgemaakt. Evenmin wordt duidelijk wat de herkomst is van de contante stortingen die op de rekening van [medeverdachte 3] zijn gedaan. De rechtbank concludeert dat de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] niet geloofwaardig zijn. Ten aanzien van de verklaring van [verdachte] , overweegt de rechtbank het volgende. Nog los van hetgeen hiervóór is overwogen over de behoedzaamheid die moet worden betracht bij de beoordeling van de echtheid van de verklaringen, is de investering die door de zwager van [verdachte] zou zijn gedaan op geen enkele manier onderbouwd. Niet onderbouwd is hoe hij aan een dergelijk bedrag komt. Daar komt bij dat de verklaringen van [verdachte] over de wijze waarop het bedrag van deze lening bij de notaris terecht is gekomen wisselend zijn. De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte] daarom volstrekt ongeloofwaardig. De verklaring van [medeverdachte 1] over de herkomst van de gelden die haar ouders hebben betaald, is in het licht van het voorgaande eveneens niet geloofwaardig. Tot slot stelt de rechtbank vast dat door de overige verdachten, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] helemaal geen verklaring is gegeven over de herkomst van de gelden. Zij stellen helemaal niks met de betaling van de panden van doen te hebben gehad. Conclusie ten aanzien van criminele herkomst Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat het geld dat is aangewend voor de aankoop van de vier panden, waaronder ook het pand aan de [adres 2] , afkomstig is van enig misdrijf, en (mede gelet op de wijze van financieren van de panden) dat [verdachte] wist dat het aankoopbedrag van het pand aan de [adres 2] een criminele herkomst had. Witwashandelingen De rechtbank zal nu ingaan op de handelingen die de verdachten in onderzoek Babydraak hebben verricht die hebben bijgedragen aan het witwassen van het pand aan de [adres 2] . Naast het medeplegen van het verwerven en voorhanden hebben van (het aankoopbedrag van) het pand, is ook het medeplegen van het verbergen en/of verhullen van de herkomst van het (aankoopbedrag) van het pand ten laste gelegd, alsook het medeplegen van het verbergen en/of verhullen van de rechthebbende(n) op het pand en wie dat pand voorhanden had(den). De rechtbank zal bespreken wie voor het witwassen relevante handelingen heeft verricht ten aanzien van het pand. Daarnaast zal de rechtbank ingaan op de aangetroffen hennepkwekerij. [adres 2] Op het adres [adres 2] stond van 1 juni 2018 tot en met 23 juli 2019 niemand ingeschreven. T.a.v. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] [naam 1] heeft verklaard dat hij de koopster [verdachte] had geholpen bij de aankoop en bezichtiging en voor haar heeft getolkt. [naam 1] trad op als contactpersoon van de koper, en deed het bod op het pand. Bij de bezichtiging waren naast [naam 1] twee mannen aanwezig, de koper was er niet. De andere twee mannen spraken onderling Frans en iets van een Slavische taal. Mede gelet op hetgeen de rechtbank hierna nog z 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Het medeplegen van witwassen, meermaals gepleegd. 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van het Openbaar Ministerie Gevorderd is dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast dient een geldboete te worden opgelegd van € 10.000,-, bij niet betalen te vervangen door 85 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om bij strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte op leeftijd is en diabetes heeft. Zij heeft de afgelopen veel stress ervaren van de strafzaak. Verder is zij niet eerder met justitie in aanraking gekomen. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte is in Nederland niet eerder in beeld geweest bij politie en justitie. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het witwassen van crimineel geld en onroerend goed. Het gaat om een aanzienlijk geldbedrag en een pand. Verdachte heeft door haar handelen eraan bijgedragen dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten, in dit geval georganiseerde hennepteelt, vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Daarnaast vormt het witwassen van crimineel geld een bedreiging van de legale economie en een aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer. Dit alles maakt het handelen van verdachte zeer kwalijk. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid willen nemen voor haar gedrag en duidelijk is dat zij tijdens het politieverhoor onwaarheden heeft verteld. De persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarin de rechtbank overigens nauwelijks inzicht heeft verkregen doordat verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, bieden naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen ruimte voor enige strafvermindering. Wel is het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht van verdachte op behandeling van haar strafzaak binnen redelijke termijn geschonden. Uitgangspunt is dat een strafzaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, waaronder bijvoorbeeld de aard van een zaak. Zoals gezegd, maakt de strafzaak van verdachte onderdeel uit van het onderzoek ‘Babydraak’. Dit is een zeer omvangrijk en complex onderzoek, waarin via vele rechtshulpverzoeken uit diverse landen informatie moest worden verkregen, en waarin, na ontvangst van het omvangrijke procesdossier door de verdediging van diverse verdachten onderzoekswensen zijn gedaan en ook gehonoreerd. De rechter-commissaris heeft de verzochte getuigen gehoord in de periode van 19 augustus 2020 tot en met 1 december 2020, deels via een videoverbinding met het buitenland. Hoewel vanwege al deze omstandigheden de redelijke termijn op drie jaren is te stellen, is nog altijd sprake van een forse overschrijding met meerdere jaren, die op geen enkele wijze aan verdachte valt toe te rekenen. Zowel het Openbaar Ministerie als de rechtbank hebben onvoldoende voortvarendheid betracht. De rechtbank zal hiermee, evenals het Openbaar Ministerie heeft gedaan, in vergaande mate in strafverminderende zin rekening houden