Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-06-26
ECLI:NL:RBGEL:2024:8821
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,516 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 10918265 \ CV EXPL 24-1173
Vonnis van 26 juni 2024
in de zaak van
[eiser] H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.W. Legters,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
in persoon.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 7 februari 2024 en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2024. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. Legters. [gedaagde] is niet verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn vordering toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
1.3.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.
2Wat wil [eiser] en wat vindt [gedaagde] daarvan?
2.1.
[eiser] vordert dat [gedaagde] , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van:
I. een bedrag van € 5.942,35, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 5.810,44 vanaf 28 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling,
II. de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling.
2.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] diverse werkzaamheden en leveranties heeft verricht, welke naar behoren zijn uitgevoerd. Hij heeft vervolgens op 21 december 2020 een factuur verstuurd van € 5.810,44. Deze factuur heeft [gedaagde] , ondanks aanmaningen en sommaties, niet betaald. Daarom maakt [eiser] ook aanspraak op betaling van de wettelijke handelsrente (tot en met 27 oktober 2023 € 466,39) en de buitengerechtelijke incassokosten (€ 665,52). Omdat [gedaagde] op 27 oktober 2023 een bedrag heeft betaald van € 1.000,00 bedraagt de resterende vordering een bedrag van € 5.942,35.
2.3.
[gedaagde] heeft de vordering erkend. Hij zou drie jaar geleden in financiële problemen zijn geraakt na de aankoop van zijn woning. Die woning is inmiddels verkocht en de vordering van [eiser] kan met de overwaarde worden betaald, aldus [gedaagde] .
3Wat vindt de kantonrechter ervan?
3.1.
[gedaagde] is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de mondelinge behandeling verschenen. [eiser] heeft zijn vordering tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht. Door niet te verschijnen heeft [gedaagde] deze toelichting van [eiser] onweersproken gelaten en bovendien de kantonrechter de mogelijkheid onthouden om nadere inlichtingen in te winnen. Bij die stand van zaken en omdat [gedaagde] de vordering heeft erkend, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [eiser] .
3.2.
De hoofdsom van € 5.810,44 is daarom toewijsbaar. De tot en met 27 oktober 2023 berekende wettelijke handelsrente van € 466,39 is [gedaagde] eveneens verschuldigd, evenals de nog te berekenen wettelijke handelsrente vanaf 28 oktober 2023.
3.3.
Onderdeel van het gevorderde bedrag is eveneens een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 665,52. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering is getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom is [gedaagde] het bedrag van € 665,52 aan [eiser] verschuldigd.
3.4.
Onweersproken is dat [gedaagde] op 27 oktober 2023 een bedrag van € 1.000,00 heeft betaald. Op grond van artikel 6:44 BW strekt deze betaling eerst in mindering op de kosten, vervolgens op het bedrag aan verschenen rente, dan op de hoofdsom en ten slotte op de lopende rente. Dit betekent dat de buitengerechtelijke incassokosten van € 665,52 door de betaling van [eiser] op 27 oktober 2023 zijn voldaan. Het resterende bedrag van € 334,48 strekt in mindering op de wettelijke handelsrente van € 466,39, zodat aan verschenen wettelijke handelsrente tot en met 27 oktober 2023 nog overblijft een bedrag van € 131,91. Vermeerderd met de hoofdsom van € 5.810,44 komt dit – conform de vordering – uit op een bedrag van € 5.942,35. Dit bedrag zal worden toegewezen evenals de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 5.810,44 vanaf 28 oktober 2023.
3.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,39
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2,00 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.198,39
3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.7.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.942,42, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 5.810,44, met ingang van 28 oktober 2023, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.198,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2024.
53854/31608
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 10918265 \ CV EXPL 24-1173
Vonnis van 26 juni 2024
in de zaak van
[eiser] H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.W. Legters,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
in persoon.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 7 februari 2024 en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2024. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. Legters. [gedaagde] is niet verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn vordering toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
1.3.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.
2Wat wil [eiser] en wat vindt [gedaagde] daarvan?
2.1.
[eiser] vordert dat [gedaagde] , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van:
I. een bedrag van € 5.942,35, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 5.810,44 vanaf 28 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling,
II. de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling.
2.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] diverse werkzaamheden en leveranties heeft verricht, welke naar behoren zijn uitgevoerd. Hij heeft vervolgens op 21 december 2020 een factuur verstuurd van € 5.810,44. Deze factuur heeft [gedaagde] , ondanks aanmaningen en sommaties, niet betaald. Daarom maakt [eiser] ook aanspraak op betaling van de wettelijke handelsrente (tot en met 27 oktober 2023 € 466,39) en de buitengerechtelijke incassokosten (€ 665,52). Omdat [gedaagde] op 27 oktober 2023 een bedrag heeft betaald van € 1.000,00 bedraagt de resterende vordering een bedrag van € 5.942,35.
2.3.
[gedaagde] heeft de vordering erkend. Hij zou drie jaar geleden in financiële problemen zijn geraakt na de aankoop van zijn woning. Die woning is inmiddels verkocht en de vordering van [eiser] kan met de overwaarde worden betaald, aldus [gedaagde] .
3Wat vindt de kantonrechter ervan?
3.1.
[gedaagde] is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de mondelinge behandeling verschenen. [eiser] heeft zijn vordering tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht. Door niet te verschijnen heeft [gedaagde] deze toelichting van [eiser] onweersproken gelaten en bovendien de kantonrechter de mogelijkheid onthouden om nadere inlichtingen in te winnen. Bij die stand van zaken en omdat [gedaagde] de vordering heeft erkend, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [eiser] .
3.2.
De hoofdsom van € 5.810,44 is daarom toewijsbaar. De tot en met 27 oktober 2023 berekende wettelijke handelsrente van € 466,39 is [gedaagde] eveneens verschuldigd, evenals de nog te berekenen wettelijke handelsrente vanaf 28 oktober 2023.
3.3.
Onderdeel van het gevorderde bedrag is eveneens een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 665,52. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering is getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom is [gedaagde] het bedrag van € 665,52 aan [eiser] verschuldigd.
3.4.
Onweersproken is dat [gedaagde] op 27 oktober 2023 een bedrag van € 1.000,00 heeft betaald. Op grond van artikel 6:44 BW strekt deze betaling eerst in mindering op de kosten, vervolgens op het bedrag aan verschenen rente, dan op de hoofdsom en ten slotte op de lopende rente. Dit betekent dat de buitengerechtelijke incassokosten van € 665,52 door de betaling van [eiser] op 27 oktober 2023 zijn voldaan. Het resterende bedrag van € 334,48 strekt in mindering op de wettelijke handelsrente van € 466,39, zodat aan verschenen wettelijke handelsrente tot en met 27 oktober 2023 nog overblijft een bedrag van € 131,91. Vermeerderd met de hoofdsom van € 5.810,44 komt dit – conform de vordering – uit op een bedrag van € 5.942,35. Dit bedrag zal worden toegewezen evenals de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 5.810,44 vanaf 28 oktober 2023.
3.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,39
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2,00 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.198,39
3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.7.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.942,42, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 5.810,44, met ingang van 28 oktober 2023, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.198,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2024.
53854/31608