Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-12-06
ECLI:NL:RBGEL:2024:8649
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,042 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/1138, 23/1139 en 23/1143
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2024
in de zaken tussen
[A] B.V., uit [plaats B] , de holding
(gemachtigde: [C] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe, het college
(gemachtigden: mr. M. van Beem, mr. N.C. Correa en I. Oostvogels).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van de holding tegen de beslissing op bezwaar van 17 januari 2023 waarin het besluit van 26 januari 2022 tot oplegging van een last onder dwangsom in stand is gelaten (22/1143; beslissing op bezwaar 1) en tegen de beslissing op bezwaar van 17 januari 2023 waarin de besluiten van 24 mei 2022 en 17 juni 2022 die strekken tot invordering van de hiervoor genoemde dwangsom (22/1139) in stand zijn gelaten (beslissing op bezwaar 2). Daarnaast beoordeelt de rechtbank het beroep van de holding tegen de beslissing op bezwaar van 17 januari 2023 waarin het besluit van 4 augustus 2022 tot (opnieuw) oplegging van een last onder dwangsom in stand is gelaten (22/1138; beslissing op bezwaar 3). De rechtbank beoordeelt ook het besluit van 29 november 2022 dat strekt tot invordering van de laatstgenoemde dwangsom (het invorderingsbesluit).
1.1.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de holding en de gemachtigden van het college.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de beslissingen op bezwaar 1, 2, en 3, en het invorderingsbesluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van de holding.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. De holding is gevestigd op het adres [D] in [plaats B] . De holding was eigenaresse van de slachterij [E] b.v. (de slachterij). De slachterij was ook gevestigd op voornoemd adres. De in deze procedure centraal staande besluiten op bezwaar waren ook gericht aan de slachterij en de slachterij heeft samen met de holding de beroepen ingesteld. De slachterij is echter op 28 mei 2023 failliet verklaard en de curator heeft de rechtbank op 10 november 2023 laten weten dat hij de zaak niet voortzet.
4.1.
Tijdens verschillende controles heeft het college geconstateerd dat in de slachterij een gasgestookte stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kilowatt (stookinstallatie) aanwezig en in gebruik is, die niet is gekeurd in de afgelopen vier jaar/ vier jaren daarvoor. Op 26 januari 2022 heeft het college de holding daarom gelast om vóór 24 februari 2022 de stookinstallatie te laten keuren door een SCIOS-erkende keuringsinstantie, onder oplegging van een dwangsom van € 500,- per keer dat geconstateerd wordt dat niet aan de last is voldaan met een maximum van € 5.000,-.
4.2.
Tijdens verschillende (administratieve) controles heeft het college vastgesteld dat de stookinstallatie niet is gekeurd. Daarom heeft het college op 24 mei 2022 besloten tot invordering van de volgens hem vijf verbeurde dwangsommen van in totaal € 2.500,- en ditzelfde heeft het college ook besloten op 17 juni 2022. Met deze besluiten heeft het college besloten tot de invordering van € 5.000,- in totaal aan verbeurde dwangsommen.
4.3.
In het besluit van 4 augustus 2022 heeft het college een tweede last onder dwangsom opgelegd aan de holding, omdat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom van 26 januari 2022 is ‘uitgewerkt’. De holding wordt gelast om uiterlijk op
1 september 2022 de stookinstallatie te laten keuren door een SCIOS-erkende keuringsinstantie, onder oplegging van een dwangsom van € 1500,- per keer dat geconstateerd wordt dat niet aan de last is voldaan met een maximum van € 15.000,-.
4.4.
Tijdens verschillende (administratieve) controles heeft het college vastgesteld dat de stookinstallatie nog steeds niet is gekeurd. Daarom heeft het college op 29 november 2022 besloten tot invordering van de volgens hem vijf verbeurde dwangsommen van in totaal € 7.500,-.
4.5.
Op 17 januari 2023 heeft het college drie beslissingen op bezwaar genomen en de hierboven onder 4.1, 4.2 en 4.3 genoemde besluiten in stand gelaten en de bezwaren van de holding daartegen ongegrond verklaard.
Leeswijzer
5. De rechtbank licht bij de beoordeling van de gronden eerst de beginselplicht tot handhaving toe en gaat dan in op de beroepsgrond die gericht is tegen de besluiten waarin de holding lasten onder dwangsommen opgelegd heeft gekregen. Met haar beroepsgrond betoogt de holding dat het college niet handhavend mocht optreden, omdat sprake was van bijzondere omstandigheden.
5.1.
Na de beoordeling van deze beroepsgrond zal de rechtbank ingaan op de beroepsgrond die is gericht tegen de besluiten die strekken tot invordering van de verbeurde dwangsommen. Met deze beroepsgrond betoogt de holding dat het college de verbeurde dwangsommen niet mocht invorderen, omdat sprake was van bijzondere omstandigheden.
Beroepsgronden
6. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat sprake is van een overtreding, zodat het college bevoegd is om handhavend op te treden. De enkele vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is de vraag of het college mocht afzien van handhaving, omdat sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor het college moest afzien van handhaving.
Beginselplicht tot handhaving
7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
Had het college van handhavend optreden moeten afzien omdat sprake was van bijzondere omstandigheden?
8. De holding betoogt dat het college ten onrechte handhavend heeft opgetreden tegen de holding, omdat het college geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden. Het was ten eerste niet mogelijk om de stookinstallatie te laten keuren, omdat de ontbrekende onderdelen pas (te) laat geleverd konden worden. De oorzaak hiervan was gelegen in de logistieke problemen die destijds speelden als gevolg van de coronacrisis. Ten tweede heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de stookinstallatie alleen werd gebruikt voor het verwarmen van het sterilisatiewater dat nodig is voor slachtproces. Ter zitting heeft de holding toegelicht dat hiervoor is gekozen om de voedselveiligheid te laten prevaleren boven de eis om de stookinstallatie te laten keuren. Ten derde heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met het voornemen van de holding om het sterilisatiewater in de toekomst elektrisch te gaan verwarmen.
8.1.
De rechtbank oordeelt dat de holding geen zodanig bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die voor het college reden hadden moeten zijn om van handhaving af te zien. Gelet op de in overweging 7 beschreven beginselplicht tot handhaving moet het college in beginsel optreden tegen een overtreding. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de stelling dat het niet mogelijk was om de ontbrekende onderdelen geleverd te krijgen, wat ook van deze stelling zij, met geen enkel stuk is onderbouwd. Ten aanzien van de andere twee omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de holding hiermee een inzicht heeft gegeven in de redenen voor het gebruik van de stookinstallatie ondanks het ontbreken van de vereiste keuring, maar dit niet leidt tot de conclusie dat van handhavend optreden moest worden afgezien. De holding had er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen, zo stelt het college terecht, om (tijdelijk) het slachtproces te staken totdat de stookinstallatie was gekeurd.
Had het college van invordering moeten afzien omdat sprake was van bijzondere omstandigheden?
9. De holding betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot invordering van de verbeurde dwangsommen, omdat het college geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden. Het college heeft ten eerste ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de stookinstallatie alleen werd gebruikt voor het verwarmen van het sterilisatiewater dat nodig is voor slachtproces. Ten tweede heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met het voornemen van de holding om het sterilisatiewater in de toekomst elektrisch te gaan verwarmen.
9.1.
De rechtbank overweegt dat bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van die invordering veel gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr.
Conclusie
10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de besluiten in stand blijven. De holding krijgt daarom het griffierecht niet terug. De holding krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit betreft een overtreding van artikel 3.10p, van het Activiteitenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 3.7m, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer.
Dit betreft de zaken met de volgende nummers: 22/1143 & 22/1138.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1937, r.o. 5.1.
Uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3627, r.o. 4.
Uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3627, r.o. 4 en uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/1138, 23/1139 en 23/1143
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2024
in de zaken tussen
[A] B.V., uit [plaats B] , de holding
(gemachtigde: [C] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe, het college
(gemachtigden: mr. M. van Beem, mr. N.C. Correa en I. Oostvogels).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van de holding tegen de beslissing op bezwaar van 17 januari 2023 waarin het besluit van 26 januari 2022 tot oplegging van een last onder dwangsom in stand is gelaten (22/1143; beslissing op bezwaar 1) en tegen de beslissing op bezwaar van 17 januari 2023 waarin de besluiten van 24 mei 2022 en 17 juni 2022 die strekken tot invordering van de hiervoor genoemde dwangsom (22/1139) in stand zijn gelaten (beslissing op bezwaar 2). Daarnaast beoordeelt de rechtbank het beroep van de holding tegen de beslissing op bezwaar van 17 januari 2023 waarin het besluit van 4 augustus 2022 tot (opnieuw) oplegging van een last onder dwangsom in stand is gelaten (22/1138; beslissing op bezwaar 3). De rechtbank beoordeelt ook het besluit van 29 november 2022 dat strekt tot invordering van de laatstgenoemde dwangsom (het invorderingsbesluit).
1.1.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de holding en de gemachtigden van het college.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de beslissingen op bezwaar 1, 2, en 3, en het invorderingsbesluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van de holding.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. De holding is gevestigd op het adres [D] in [plaats B] . De holding was eigenaresse van de slachterij [E] b.v. (de slachterij). De slachterij was ook gevestigd op voornoemd adres. De in deze procedure centraal staande besluiten op bezwaar waren ook gericht aan de slachterij en de slachterij heeft samen met de holding de beroepen ingesteld. De slachterij is echter op 28 mei 2023 failliet verklaard en de curator heeft de rechtbank op 10 november 2023 laten weten dat hij de zaak niet voortzet.
4.1.
Tijdens verschillende controles heeft het college geconstateerd dat in de slachterij een gasgestookte stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kilowatt (stookinstallatie) aanwezig en in gebruik is, die niet is gekeurd in de afgelopen vier jaar/ vier jaren daarvoor. Op 26 januari 2022 heeft het college de holding daarom gelast om vóór 24 februari 2022 de stookinstallatie te laten keuren door een SCIOS-erkende keuringsinstantie, onder oplegging van een dwangsom van € 500,- per keer dat geconstateerd wordt dat niet aan de last is voldaan met een maximum van € 5.000,-.
4.2.
Tijdens verschillende (administratieve) controles heeft het college vastgesteld dat de stookinstallatie niet is gekeurd. Daarom heeft het college op 24 mei 2022 besloten tot invordering van de volgens hem vijf verbeurde dwangsommen van in totaal € 2.500,- en ditzelfde heeft het college ook besloten op 17 juni 2022. Met deze besluiten heeft het college besloten tot de invordering van € 5.000,- in totaal aan verbeurde dwangsommen.
4.3.
In het besluit van 4 augustus 2022 heeft het college een tweede last onder dwangsom opgelegd aan de holding, omdat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom van 26 januari 2022 is ‘uitgewerkt’. De holding wordt gelast om uiterlijk op
1 september 2022 de stookinstallatie te laten keuren door een SCIOS-erkende keuringsinstantie, onder oplegging van een dwangsom van € 1500,- per keer dat geconstateerd wordt dat niet aan de last is voldaan met een maximum van € 15.000,-.
4.4.
Tijdens verschillende (administratieve) controles heeft het college vastgesteld dat de stookinstallatie nog steeds niet is gekeurd. Daarom heeft het college op 29 november 2022 besloten tot invordering van de volgens hem vijf verbeurde dwangsommen van in totaal € 7.500,-.
4.5.
Op 17 januari 2023 heeft het college drie beslissingen op bezwaar genomen en de hierboven onder 4.1, 4.2 en 4.3 genoemde besluiten in stand gelaten en de bezwaren van de holding daartegen ongegrond verklaard.
Leeswijzer
5. De rechtbank licht bij de beoordeling van de gronden eerst de beginselplicht tot handhaving toe en gaat dan in op de beroepsgrond die gericht is tegen de besluiten waarin de holding lasten onder dwangsommen opgelegd heeft gekregen. Met haar beroepsgrond betoogt de holding dat het college niet handhavend mocht optreden, omdat sprake was van bijzondere omstandigheden.
5.1.
Na de beoordeling van deze beroepsgrond zal de rechtbank ingaan op de beroepsgrond die is gericht tegen de besluiten die strekken tot invordering van de verbeurde dwangsommen. Met deze beroepsgrond betoogt de holding dat het college de verbeurde dwangsommen niet mocht invorderen, omdat sprake was van bijzondere omstandigheden.
Beroepsgronden
6. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat sprake is van een overtreding, zodat het college bevoegd is om handhavend op te treden. De enkele vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is de vraag of het college mocht afzien van handhaving, omdat sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor het college moest afzien van handhaving.
Beginselplicht tot handhaving
7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
Had het college van handhavend optreden moeten afzien omdat sprake was van bijzondere omstandigheden?
8. De holding betoogt dat het college ten onrechte handhavend heeft opgetreden tegen de holding, omdat het college geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden. Het was ten eerste niet mogelijk om de stookinstallatie te laten keuren, omdat de ontbrekende onderdelen pas (te) laat geleverd konden worden. De oorzaak hiervan was gelegen in de logistieke problemen die destijds speelden als gevolg van de coronacrisis. Ten tweede heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de stookinstallatie alleen werd gebruikt voor het verwarmen van het sterilisatiewater dat nodig is voor slachtproces. Ter zitting heeft de holding toegelicht dat hiervoor is gekozen om de voedselveiligheid te laten prevaleren boven de eis om de stookinstallatie te laten keuren. Ten derde heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met het voornemen van de holding om het sterilisatiewater in de toekomst elektrisch te gaan verwarmen.
8.1.
De rechtbank oordeelt dat de holding geen zodanig bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die voor het college reden hadden moeten zijn om van handhaving af te zien. Gelet op de in overweging 7 beschreven beginselplicht tot handhaving moet het college in beginsel optreden tegen een overtreding. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de stelling dat het niet mogelijk was om de ontbrekende onderdelen geleverd te krijgen, wat ook van deze stelling zij, met geen enkel stuk is onderbouwd. Ten aanzien van de andere twee omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de holding hiermee een inzicht heeft gegeven in de redenen voor het gebruik van de stookinstallatie ondanks het ontbreken van de vereiste keuring, maar dit niet leidt tot de conclusie dat van handhavend optreden moest worden afgezien. De holding had er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen, zo stelt het college terecht, om (tijdelijk) het slachtproces te staken totdat de stookinstallatie was gekeurd.
Had het college van invordering moeten afzien omdat sprake was van bijzondere omstandigheden?
9. De holding betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot invordering van de verbeurde dwangsommen, omdat het college geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden. Het college heeft ten eerste ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de stookinstallatie alleen werd gebruikt voor het verwarmen van het sterilisatiewater dat nodig is voor slachtproces. Ten tweede heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met het voornemen van de holding om het sterilisatiewater in de toekomst elektrisch te gaan verwarmen.
9.1.
De rechtbank overweegt dat bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van die invordering veel gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr.
Conclusie
10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de besluiten in stand blijven. De holding krijgt daarom het griffierecht niet terug. De holding krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit betreft een overtreding van artikel 3.10p, van het Activiteitenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 3.7m, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer.
Dit betreft de zaken met de volgende nummers: 22/1143 & 22/1138.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1937, r.o. 5.1.
Uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3627, r.o. 4.
Uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3627, r.o. 4 en uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.