Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-10-09
ECLI:NL:RBGEL:2024:6863
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,596 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/071092-23
Datum uitspraak : 9 oktober 2024
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] , in [woonplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.Primair:
hij op of omstreeks 13 oktober 2021 te [plaats] , gemeente Heumen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] te [plaats] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 586 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.
Subsidiair:
Een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 13 oktober 2021 te [plaats] , althans in Nederland, met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 2] te [plaats] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 586 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
Tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 13 oktober 2021 te [plaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
2.hij in of omstreeks de periode van 11 april 2021 tot en met 13 oktober 2021 te [plaats] , althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit/stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.
2De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur.
Verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij verhuurde het pand door aan twee anderen: de onderverdieping aan [naam 1] en de bovenverdieping aan [naam 2]. Hij wist niet van en had geen betrokkenheid bij de hennepkwekerij.
Overwegingen
In het pand gelegen aan de [adres 2] te [plaats] is op 13 oktober 2021 op de bovenverdieping een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, met een hoeveelheid van ongeveer 586 hennepplanten.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte in het pand gelegen aan de [adres 2] te [plaats] , hennep heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of heeft verwerkt of opzettelijk aanwezig heeft gehad. De rechtbank is voorts van oordeel dat van betrokkenheid van verdachte bij de diefstal van stroom niet (voldoende) is gebleken.
Behoudens de omstandigheden dat verdachte de huurder was van het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, hij de huur maandelijks aan de verhuurder betaalde en hij buiten voor dat pand weleens gezien is door de verhuurder, zijn er onvoldoende aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij of de manipulatie van de elektriciteitsmeter. Er zijn evenmin omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat verdachte wetenschap heeft gehad van de hennepkwekerij of de diefstal van stroom.
Om tot bewezenverklaring van het zowel voor feit 1, primair, als voor feit 2 vereiste opzet te kunnen komen, moeten er naar het oordeel van de rechtbank meer feiten en/of omstandigheden met betrekking tot het handelen van verdachte voorhanden zijn, mede gelet op de omstandigheid dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte zelf in de betreffende periode binnen het deel van het pand waar de hennepkwekerij was gevestigd, aanwezig is geweest.
Met de verdediging vindt de rechtbank dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat, gelet op de hierboven genoemde omstandigheden, het dossier tevens onvoldoende bewijs bevat voor het voor medeplichtigheid vereiste dubbel opzet, zodat verdachte ook van dat subsidiaire feit zal worden vrijgesproken.
Dictum
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. van Laethem (voorzitter), mr. M.L. Braaksma en mr. M.M. Klaasen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2024.
Mr. Braaksma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.