Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-09-27
ECLI:NL:RBGEL:2024:6595
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,403 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Nijmegen
zaakgegevens 10521385 \ CV EXPL 23-1500 \ 398
uitspraak van 27 september 2024
vonnis
in de zaak van
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eisende partij
gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen
tegen
de stichting
Stichting Talis
gevestigd te Nijmegen
gedaagde partij
gemachtigde: mr. P.A.C. van Buul
Partijen worden hierna [eiser] en Talis genoemd.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 maart 2024 (hierna: het tussenvonnis)
- de akte uitlatingen na tussenvonnis van Talis van 29 maart 2024
- de akte uitlating van [eiser] van 10 mei 2024
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 juni 2024
- de conclusies na getuigenverhoor van beide partijen van 16 augustus 2024.
1.2
Vervolgens is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1
Gebleven wordt bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist.
2.2
In het tussenvonnis is Talis in de gelegenheid gesteld te bewijzen, kort gezegd, dat tussen partijen op 6 juli 2010 is overeengekomen dat het stukje grond niet meer bij de tuin van [eiser] zou worden getrokken. Talis heeft hiertoe verklaringen overgelegd van [naam 1] en [naam 2] . Daarnaast zijn als getuigen gehoord [eiser] , [naam 2] en [naam 1] voornoemd, alsmede [naam 3] , de huidige huurder van de [adres 1] . Van een tegenverhoor is afgezien.
2.3
De kantonrechter acht het bewijs niet geleverd. Alleen de getuigenverklaring van [naam 1] ondersteunt het probandum, maar [naam 1] kende blijkens zijn verklaring de afspraak uit 2001 niet (hoewel zijn handtekening er wel onder staat). Uit zijn verklaring volgt ook niet dat [eiser] op 10 juli 2010 bepaalde rechten uit de afspraak van 2001 heeft laten varen. Dat [naam 1] in 2010 heeft gezegd “dat het zo geregeld was” kan ook slaan op de afwerking van de zijmuur van de [adres 1] (ook al had [eiser] daar weinig belang bij). Dat het voor [naam 1] en [naam 2] duidelijk was dat [eiser] geen aanspraak meer maakte op het stukje grond is moeilijk te verenigen met het feit dat [naam 1] de afspraak uit 2001 niet kende. [naam 2] weet blijkens zijn verklaring niets van het stukje grond in geding.
2.4
Toch zal de vordering van [eiser] worden afgewezen. Uit de getuigenverklaring van [eiser] is immers duidelijk geworden dat hij in 2010 al op de hoogte was van het overlijden van [naam 4] . Daarmee zijn de nummers 4, 5, 7 en 9 van de dagvaarding feitelijk grotendeels onjuist. Maar daarmee is ook duidelijk geworden dat een eventuele vordering tot nakoming al in 2010 opeisbaar was geworden. Naar de bedoeling van partijen was geen nakoming na onbepaalde tijd afgesproken: duidelijk was immers dat [eiser] , zodra [naam 4] geen huurder meer zou zijn, aanspraak kon maken op herstel in de oude toestand. In zoverre was het moment waarop nakoming kon worden gevorderd wel bepaald (vgl. HR 26 maart 1999, NJ 1999, 445). Blijkens zijn getuigenverklaring wist [eiser] ook dat hij vanaf 2010 nakoming van de afspraak uit 2001 kon vorderen. Gelet op artikel 3:307 BW is zijn vordering tot nakoming (I) dan ook verjaard.
2.5
De overige vorderingen zullen eveneens worden afgewezen. Zij gaan er alle vanuit dat het stukje grond een huurwaarde van € 35,-- vertegenwoordigt, maar dit wordt niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Ook voor een huurverlaging met een lager bedrag is geen aanleiding. Blijkens de brief van Talis van 2 januari 2023 wordt bij de bepaling van de huurprijs voor de tuin uitgegaan van zes punten, hetgeen correspondeert met een tuinoppervlak van tussen de 50 en 75 m2. In werkelijkheid is de tuin nu 98,24 m2 groot, aldus Talis. De 3,5 m2 van het stukje grond zou voor de huurprijs dus niets uitmaken. Deze berekening wordt door [eiser] niet betwist. Dat desondanks sprake zou moeten zijn van een dusdanige verlaging die “in proportionele verhoudingen staat tot de inbreuk” wordt onvoldoende gemotiveerd.
2.6
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de kosten van de procedure worden veroordeeld, daaronder begrepen de nakosten ter hoogte van € 67,50, deze laatste te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dictum
De kantonrechter
3.1
wijst de vordering af,
3.2
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde van Talis bepaald op € 472,50 voor salaris gemachtigde, alsmede in de nakosten ter hoogte van
€ 67,50, deze laatste te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024.