Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-08-21
ECLI:NL:RBGEL:2024:6118
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,212 tokens
Dictum
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 2004,
wonende op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
mr. H.J.M. Nijenhuis, advocaat te Nijmegen,
hierna te noemen: klager.
Procedure
Het klaagschrift is op 09 juli 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 21 augustus 2024 het beklag in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft klager, de advocaat en de officier van justitie op zitting gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd. Na het ongeval in juni 2023 is van klager gevorderd het rijbewijs te overhandigen , maar hij had dit niet bij zich. Vervolgens is een vordering tot overgifte gedaan. Klager is zijn rijbewijs kwijt, waardoor hij dit niet heeft kunnen overhandigen. Wat betreft de strafzaak zijn er nog (steeds) geen stukken ontvangen. Het is onbekend wat de stand van zaken is van het onderzoek. Het beklag is met name ingediend om nu eindelijk eens informatie te krijgen over de stand van zaken. Tot voor kort was er nog niet eens een parketnummer toegekend aan de zaak, waardoor de communicatie met politie en parket hopeloos moeizaam verliep. Dat deze zaak uitloopt op een niet-ontvankelijk verklaring is wel duidelijk.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beklag, omdat het rijbewijs niet is ingevorderd. De vordering tot overgifte zal worden beëindigd. Het onderliggende onderzoek betreft een zeer ernstig ongeval, waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen en enkele zwaargewonden. Klager zal te zijner tijd worden gedagvaard. De officier van justitie merkt op dat deze procedure niet is bedoeld om het onderzoek en/of het verstrekken van stukken te verstellen.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat er wel een bevel tot overgifte van het rijbewijs is gedaan, maar dat klager zijn rijbewijs niet daadwerkelijk heeft overhandigd. Daarmee is geen sprake van een (voltooide) invordering waarvoor de procedure van artikel 164 Wegenverkeerswet is bedoeld. Daarom kan ook geen teruggave van het rijbwijs worden gelast. De rechtbank zal om die reden klager niet ontvankelijk verklaren in zijn klaagschrift.
De rechtbank stelt wel vast dat de officier van justitie heeft verklaard dat de vordering tot overgifte van het rijbewijs is opgeheven, maar dat dit administratief nog moet worden verwerkt. Het betekent wel dat klager, indien het rijbewijs is vermist, een nieuw rijbewijs kan aanvragen met een aangifte van vermissing.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat onderhavige procedure niet is bedoeld om duidelijkheid te verkrijgen over de stand van zaken in het opsporingsonderzoek. Dat moge in theorie juist zijn, maar het ongeval vond plaats in juni 2023 en de verdediging heeft – onbestreden – gesteld, ondanks aanhoudende verzoeken, tot voor kort geen enkele informatie over de voortgang te hebben ontvangen terwijl verzoeker al die tijd praktisch gezien te maken heeft gehad met een rijverbod gezien de vordering tot overgifte (artikel 9 lid 7 WVW). Pas in de aanloop van onderhavige zitting is er schot gekomen in de zaak, en is duidelijk verschaft over de gang van zaken. Pas recentelijk is een parketnummer toegekend aan de zaak, een nummer uit 2024, meer dan zes maanden na het ongeval.
Daar staat dan weer tegenover dat verzoeker klaarblijkelijk ook niet erg actief is geweest in het terug krijgen van zijn bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Hij heeft kennelijk nog steeds geen aangifte gedaan van vermissing van zijn rijbewijs, hetgeen mogelijk ook de zaak in een stroomversnelling had kunnen brengen.
Het is enigszins vervelend dat de rechtbank wordt belast met dit soort overbodige zaken, veroorzaakt door inertie, inactiviteit en slordigheden aan de zijde van openbaar ministerie én verdediging. Andere zaken met meer substantie blijven hierdoor op de plank liggen gezien de beperkte zittingscapaciteit.
Dictum
De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beslissing is gegeven door
mr. F.J.H. Hovens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. B. Doedens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.
De griffier is buiten staat de beslissing mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.