Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-07-09
ECLI:NL:RBGEL:2024:4604
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,385 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.003666-22
Datum uitspraak : 09 juli 2024
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. R. Zilver, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op één of meerdere tijdstippen in de periode 20 juli 2018 tot en met 29 juni 2021 te Overberg en/of [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of Rhenen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, meermaals, althans eenmaal,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van
- amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine en/of
- cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft trachten te verschaffen tot het plegen van dat/die feit(en) en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
- ter misleiding van controlerende en/of opsporingsinstanties een of meerdere bedrijven op zijn naam gehad terwijl de feitelijke zeggenschap in handen was van een mededader met diverse antecedenten op het gebied van de Opiumwet en/of
- een of meerdere (gemodificeerde) ketel(s), althans hardware, ten behoeve van de productie van amfetamine en/of cocaïne, gemaakt en/of gelast en/of verkocht en/of aangepast en/of gerepareerd en/of onderdelen (platen) van die ketels gewalst en/of
- een of meerdere goederen ten behoeve van de productie van amfetamine en/of cocaïne heeft vervoerd en/of bij het vervoer behulpzaam is geweest door goederen in- en/of uit te laden;
2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 20 juli 2018 tot en met 29 juni 2021 te Overberg en/of Veenendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voorwerp te weten;
- een voertuig van het merk Mercedes Benz met [kenteken] heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft/hebben gemaakt terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) althans moeten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf en/of enig eigen misdrijf.
2De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde en dat het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft in dat verband gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren.
De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit voor beide ten laste gelegde feiten.
Overwegingen
Feit 1
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van dit feit.
Feit 2
Verdachte wordt (kort gezegd) verweten dat hij al dan niet tezamen met een of meer anderen een Mercedes Benz met [kenteken] heeft witgewassen.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de personenauto is aangeschaft door verdachte, maar naar het oordeel van de rechtbank is het op grond van het dossier meer aannemelijk dat de personenauto is aangeschaft door de vader van verdachte, [naam] . Of die personenauto door de vader van verdachte is aangeschaft met crimineel vermogen doet niet ter zake, omdat de rechtbank van oordeel is dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gelden waarmee de personenauto werd aangeschaft van enig misdrijf afkomstig waren. Dit leidt reeds tot de conclusie dat ook het onder feit 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Dictum
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.E. ter Hart (voorzitter), mr. S.H. Keijzer en mr. M.J. Wasmann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juli 2024.