Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-03-19
ECLI:NL:RBGEL:2024:1530
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,825 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/7834
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
Bloemenkwekerij [naam] ., uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigden: mr. T. Zwemmer en [naam] ),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigde: [naam] )
Als derde-partij neemt aan dit geding deel: [naam] , belanghebbende.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het bestreden besluit van 14 november 2023. Met dit besluit heeft de minister besloten om naar aanleiding van een verzoek van belanghebbende op grond van de Wet open overheid (Woo) gegevens van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) openbaar te maken. Het gaat om gegevens over controles op toepassing van bestrijdingsmiddelen op planten en bloemen bij kwekers in de periode van 2 juni 2021 tot en met 29 september 2022. Verzoekster is een van de kwekerijen en heeft tegen de openbaarmaking van de gegevens met betrekking tot haar kwekerij bezwaar gemaakt.
1.1.
Belanghebbende heeft medegedeeld aan het geding deel te nemen. Hij heeft afgezien van de mogelijkheid om een schriftelijke uiteenzetting te geven.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster en de gemachtigde van de minister. Belanghebbende heeft afgezien van deelname aan de zitting.
1.3.
Op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht neemt uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Woo om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming van partijen om op grondslag van deze stukken uitspraak te doen is van rechtswege verleend.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de minister en de derde-partij die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoekster als volgt af.
3. Een verzoek om voorlopige voorziening waarin wordt gevraagd om het niet openbaar maken van de gevraagde stukken komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet snel voor afwijzing in aanmerking. Het niet treffen van een dergelijke voorziening heeft immers een onomkeerbaar karakter. Als stukken eenmaal openbaar zijn, is dat niet meer terug te draaien. Ook maakt het niet treffen van een dergelijke voorziening een beslissing op het bodemgeding, op het bezwaar, zinloos. Daarom is voor afwijzing van een dergelijk verzoek in beginsel alleen plaats als er sprake is van een evident rechtmatig besluit en er een zeer zwaarwegend spoedeisend belang is waardoor de minister voor de openbaarmaking de beslissing op bezwaar niet kan afwachten.
Is sprake van een zeer zwaarwegend spoedeisend belang bij openbaarmaking?
4. Het gaat hier om het openbaar maken van informatie in het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving. Hierbij is van belang dat het vaste rechtspraak is dat bij de te verrichten belangenafweging het algemene belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie wordt afgewogen tegen de door de weigeringsgronden te beschermen belangen. Het (individuele) belang van de belanghebbende heeft in deze belangenafweging geen betekenis. Dit betekent dat de specifieke belangen van de belanghebbende geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. Het moet immers gaan om een spoedeisend belang in het licht van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving.
4.1.
Een zeer zwaarwegend spoedeisend belang bij openbaarmaking voorafgaand aan de beslissing op bezwaar heeft de minister niet aannemelijk gemaakt. Op de zitting heeft de minister toegelicht geen spoedeisend belang te hebben om de gegevens wel openbaar te maken, maar dat hij geen reden ziet om het niet te doen gelet op de wet- en regelgeving. Ook de derde-partij heeft dat niet gedaan.
Is sprake van een evident rechtmatig besluit?
5. Verzoekster voert in bezwaar gronden aan waarmee zij onderbouwt dat volgens haar openbaarmaking onrechtmatig is. Die gronden moet de minister in zijn besluit op bezwaar beoordelen. Op zitting heeft de minister op deze gronden gereageerd. Gelet op de aard van de gronden van verzoekster is de voorzieningenrechter niet overtuigd geraakt dat het bestreden besluit evident rechtmatig is. Daar komt bij dat verzoekster gedurende de bezwaarprocedure nog de mogelijkheid heeft om haar gronden aan te vullen.
Conclusie
6. Wegens het ontbreken van een spoedeisend belang van de minister om de gegevens openbaar te maken en omdat het bestreden besluit niet evident rechtmatig is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Hij wijst daarom het verzoek toe. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De minister mag de stukken niet eerder openbaar maken dan na zes weken na de beslissing op bezwaar.
6.1.
In de toekenning van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (een punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 875,- per punt bij wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 365,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 875,- aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J, van Egmond, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 2.5 van de Woo.
Zie onder meer ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1246