Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-02-16
ECLI:NL:RBGEL:2023:735
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,532 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 20/5417
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2023
in de zaak tussen
[Eiser A]
en [Eiseres B] , uit [plaats C] , (tezamen: eisers)
(gemachtigde: mr. J.W.J. Hopmans),
en
de burgemeester van de gemeente Nijmegen (de burgemeester)
(gemachtigden: mr. E.A.M. Terwindt en mr. C.J.T. Brunenberg).
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de last tot sluiting van de woning van eisers aan [het adres D] in [plaats C] (het sluitingsbevel) voor de duur van drie maanden met ingang van 17 augustus 2020 (tot 17 november 2020). De burgemeester gaf dit sluitingsbevel af op 9 juli 2020.
1.1.
Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Hangende dat bezwaar hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek in de uitspraak van 14 augustus 2020 afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 30 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het sluitingsbevel. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Op 11 maart 2020 is eiser aangehouden met een tas met henneptoppen. Naar aanleiding van die vondst is de woning van eisers doorzocht. Uit de bestuurlijke rapportage van 28 april 2020 blijkt dat in de woning van eisers onder meer is aangetroffen:
- 6 gram hennep;
- ruim 5 gram MDMA en bijna 4 gram amfetamine;
- geldbedragen met een totaal van € 5.950,-;
- één patroonhouder met een 9 mm patroon en één zakje met daarin veertien 8.35 mm patronen;
- één pepperspraypistool, twee peppersprays en twee luchtdrukwapens.
3.1.
Dit was voor de burgemeester aanleiding voor het sluiten van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting is uitgevoerd in de periode van 17 augustus 2020 tot 17 november 2020. Kort na de sluiting heeft de woningcorporatie het huurcontract buitengerechtelijk ontbonden en is de woning ontruimd.
Hebben eisers nog procesbelang?
4. Aangezien de sluiting al heeft plaatsgevonden, staat de rechtbank in dit geval stil bij de vraag of er nog sprake is van procesbelang. Hun gemachtigde heeft op zitting toegelicht dat eisers kosten hebben gemaakt in verband met de sluiting van hun woning. De rechtbank is van oordeel dat eisers in verband met (eventuele vergoeding van) die kosten nog een procesbelang hebben.
Was de burgemeester bevoegd om de sluiting te bevelen?
5. Eisers voeren aan dat de burgemeester hun woning niet mocht sluiten. De aangetroffen drugs waren geheel bestemd voor eigen gebruik. In de praktijk wordt voor eigen gebruik als uitgangspunt een hoeveelheid van 5,0 gram gehanteerd voor softdrugs en 0,5 gram voor harddrugs. Het gaat hier om een geringe overschrijding van die hoeveelheden.
5.1.
De burgemeester stelt zich op het standpunt dat van een geringe overschrijding geen sprake is, aangezien achttienmaal de maximale gebruikershoeveelheid harddrugs in de woning is aangetroffen. Bovendien wijzen ook de in de woning aangetroffen grote sommen cashgeld en verboden wapens op drugshandel en heeft eiser zelf verklaard dat hij in drugs handelt.
5.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat voor toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de enkele aanwezigheid van drugs in het pand niet voldoende is. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs immers met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Wel geldt als uitgangspunt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5,0 gram softdrugs, of vijf (hennep)planten de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het is dan vervolgens aan de rechthebbende op de woning om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Als er sprake is van een geringe overschrijding en eisers feiten en omstandigheden kunnen noemen waaruit volgt dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik gaat, althans om een hoeveelheid die niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was, dan is er in beginsel toch geen bevoegdheid om handhavend op te treden.
5.3.
In dit geval is 6 gram aan hennep en circa 9 gram aan harddrugs aangetroffen. De rechtbank is het met de burgemeester eens dat dit geen geringe overschrijding is. De burgemeester mocht er hierom van uitgaan dat de aangetroffen drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking aanwezig waren en was daarmee in principe bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het besluit in overeenstemming met het beleid?
6. Eisers voeren aan dat de burgemeester ten onrechte is afgeweken van zijn eigen beleid. De woning is namelijk in eigendom van een woningcorporatie. Volgens het beleid wordt in die situatie in beginsel niet overgegaan tot sluiting. De motivering om hiervan af te wijken is volgens eisers onjuist en tegenstrijdig. De tegenstrijdigheid zit erin dat de burgemeester enerzijds aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat eiser betrokken was bij de handel in hennep en bij een hennepkwekerij in de schuur bij de woning van zijn ouders, maar anderzijds stelt dat de woningcorporatie niet kan optreden omdat er geen hennep is aangetroffen.
6.1.
De burgemeester stelt dat de woningcorporatie alleen kan optreden bij de vondst van een hennepkwekerij in de woning, op basis van het hennepconvenant, of als er sprake is van overlast. Die situatie deed zich hier niet voor. Zonder een sluitingsbevel kon de woningcorporatie niet overgaan tot beëindiging van de huur. De burgemeester heeft toegelicht dat in dat geval alsnog moet worden beoordeeld of een sluiting van het pand noodzakelijk is. Omdat het gaat om een ernstig geval, zag de burgemeester zich genoodzaakt om tot sluiting over te gaan.
6.2.
Bij de toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft de burgemeester beleidsruimte. Ter invulling van die beleidsruimte heeft de burgemeester de ‘Beleidsregel Bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet’ (de beleidsregel) vastgesteld. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht volgt de burgemeester in beginsel die beleidsregel.
6.2.1.
Op grond van § 6.1 van de beleidsregel wordt bij woningen die in eigendom zijn van een woningcorporatie in beginsel niet overgegaan tot een sluiting, onder andere vanwege de bijzondere verantwoordelijkheid die woningcorporaties hebben op grond van de Huisvestingswet. In de beleidsregel is tevens vermeld dat woningcorporaties op basis van het Regionale Hennepconvenant in voorkomende gevallen zelf verplicht zijn tot het laten opzeggen dan wel ontbinden van huurovereenkomsten.
6.3.
Uit de woorden “in beginsel” leidt de rechtbank af dat het beleid ruimte laat om alsnog tot sluiting over te gaan. De rechtbank volgt de burgemeester in zijn stelling dat, in het geval er sprake is van een ernstig geval en de woningcorporatie zelf geen mogelijkheden heeft om hiertegen op te treden, de burgemeester kan besluiten om alsnog tot sluiting van de woning over te gaan. Deze beroepsgrond slaagt niet. De vraag of de noodzaak tot sluiting in dit concrete geval aanwezig was, zal de rechtbank hieronder bespreken.
Was de sluiting noodzakelijk?
7. Volgens eisers had de burgmeester moeten volstaan met een waarschuwing. Vanuit de woning zijn geen drugs verkocht of verhandeld. Er was ook geen sprake van een loop naar de woning of van overlast. Ook was geen sprake van recidive.
7.1.
De burgemeester stelt dat sprake is van een ernstig geval, vanwege de hoeveelheid aangetroffen drugs. De aangetroffen luchtdrukwapens en grote hoeveelheid contant geld zijn daarbij aangemerkt als verzwarende omstandigheden. Verder zijn er omstandigheden die duiden op een “loop” naar de woning. Zo verklaart eiser dat hij handelt in drugs en wijst de aanwezigheid van de luchtdrukwapens en de nabijheid van de pepperspray bij de ingang van de woning op een vrees voor ripdeals. De handelshoeveelheid drugs in de woning is voldoende om aan te nemen dat deze woning een schakel vormt in de drugshandel. Het is daarvoor niet nodig om feitelijke handel in of vanuit de woning vast te stellen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de burgemeester naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2022.
7.2.
Het specifieke toetsingskader voor woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet is weergegeven in de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing, herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
8.3.
Verder veroordeelt de rechtbank, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, verweerder in de proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518 (één punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1). Om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase is niet verzocht.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 30 september 2020;
- herroept het besluit van 9 juli 2020;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 178 aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.518.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2023
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Opiumwet
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;[…]
Beleidsregel Bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet
[…]
6.1
Woningcorporaties
In geval van woningen in eigendom van een woningcorporatie wordt in beginsel niet overgegaan tot sluiting van de woning op basis van deze beleidsregel, onder andere op basis van jurisprudentie ECLI:NL:RVS:2016:2770 onder punt 3.2. Woningcorporaties en de gemeente hebben een bijzondere verantwoordelijkheid op grond van de Huisvestingswet waardoor een andere belangenafweging voorligt.
De woningcorporaties zijn tevens partner in het Regionaal Hennepconvenant en verplichten zich daarmee tot het laten opzeggen van de huurovereenkomst door de huurder(s) dan wel tot ontbinding van de huurovereenkomst.
[…]
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:1276, r.o. 4.
ECLI:NL:RVS:2022:3402.
ECLI:NL:RVS:2019:2912.
ECLI:NL:RVS:2022:285.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2022:1913.