Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-08-15
ECLI:NL:RBGEL:2023:4638
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Verzet
3,077 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/1181 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
op het verzet van
[opposante] uit [woonplaats], opposante
(gemachtigde: [gemachtigde])
tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 augustus 2022 op het namens opposante ingestelde beroep.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 17 augustus 2022 waarin het beroep van opposante wegens het niet betalen van het griffierecht niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 9 augustus 2023 op zitting behandeld. Niemand is verschenen, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.
De verzoeken om uitstel van de zitting
2. De rechtbank heeft op 9 maart 2023 aan de gemachtigde van opposante een vooraankondiging van de behandeling op zitting van het verzet op 19 april 2023 gestuurd en hem in de gelegenheid gesteld om binnen een week om uitstel te verzoeken. De gemachtigde heeft op die vooraankondiging niet gereageerd. Vervolgens is aan de gemachtigde van opposante op 28 maart 2023 een uitnodiging voor de zitting op 19 april 2023 gestuurd. De gemachtigde heeft om uitstel van de zitting wegens medische behandeling gevraagd. Dat uitstel is hem verleend.
2.1.
De rechtbank heeft vervolgens op 5 juli 2023 aan de gemachtigde van opposante een vooraankondiging van de behandeling op zitting van het verzet op 9 augustus 2023 gestuurd en hem in de gelegenheid gesteld om binnen een week om uitstel te verzoeken. De gemachtigde heeft op die vooraankondiging niet gereageerd. Vervolgens is aan de gemachtigde van opposante op 17 juli 2023 een uitnodiging voor de zitting op 9 augustus 2023 gestuurd.
2.2.
De gemachtigde heeft kort voor de zitting, op 4 augustus 2023, om uitstel van de zitting wegens een lang vastgestelde vakantie gevraagd. Dit verzoek om uitstel wijst de rechtbank af omdat dit verzoek niet binnen een week na de vooraankondiging is ingediend en de reden voor het uitstelverzoek geen reden is die de gemachtigde niet al eerder aan de rechtbank had kunnen meedelen.
2.3.
Op 6 augustus 2023 heeft de gemachtigde gereageerd op deze afwijzing en met de mededeling dat hij geen grapje maakt onder verwijzing naar medische informatie wederom gevraagd om uitstel omdat hij de komende weken medische behandelingen dient te ondergaan. Ook dit verzoek wijst de rechtbank af. Dit omdat de in dit verzoek vermelde reden tegenstrijdig is aan de reden van het verzoek van 4 augustus 2023 en uit de medische informatie blijkt niet dat de gemachtigde niet in staat is om op zitting te verschijnen. De medische informatie betreft een recept en een mailwisseling over een apparaatje waarmee hartritmeregistraties gemaakt kunnen worden. Evenmin blijkt uit het verzoek dat de gemachtigde zich niet kan laten vervangen door een kantoorgenoot.
Beoordeling
3. In deze uitspraak op het verzet verklaart de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk omdat opposante geen gronden heeft aangevoerd waarom zij het oneens is met de uitspraak van 17 augustus 2022 (de gronden van het verzet). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3.1.
Met het bericht van 4 augustus 2023 heeft de gemachtigde van opposant verzocht om het verzet te verwijzen naar een meervoudige kamer van de rechtbank. De rechtbank ziet daar gelet op wat hierna wordt overwogen geen enkele aanleiding voor.
Heeft opposante de gronden van het verzet aangevoerd?
4. Iemand die verzet instelt, moet – in zijn of haar verzetschrift – de gronden van het verzet vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank én waarom niet. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk verklaren. Dit mag de rechtbank (alleen dan) doen als de rechtbank degene die verzet heeft ingesteld in een brief heeft gevraagd om de gronden van het verzet alsnog duidelijk te maken én diegene daarop niet (op tijd) reageert (en daar ook geen reden voor geeft). Met andere woorden, degene die verzet heeft ingesteld moet de mogelijkheid worden geven om het verzuim – het niet vermelden van de gronden van het verzet – te herstellen.
4.1.
De rechtbank heeft de gemachtigde van opposante met de brief van 31 augustus 2022 verzocht om binnen zes weken na de datum van verzending van deze brief de gronden van het verzet in te dienen. Daarbij is de gemachtigde van opposante erop gewezen dat het verzet niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet (op tijd) wordt gereageerd op dit verzoek van de rechtbank. De gemachtigde heeft niet gereageerd. De rechtbank heeft de gemachtigde daarom met de aangetekende brief van 1 december 2022 nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de datum van verzending van deze aangetekende brief de gronden van het verzet mee te delen.
4.2.
Op die brief heeft de rechtbank wel een reactie ontvangen met als aanduiding nadere gronden, maar hieruit kan de rechtbank geen gronden van het verzet afleiden. In deze reactie wordt namens opposante aangevoerd dat in deze zaak ten onrechte de menselijke maat niet in acht wordt genomen en dat met inachtneming van redelijkheid, billijkheid en goede trouw, nimmer tot het opleggen van de litigieuze sanctie had mogen worden overgegaan.
4.3.
Op 13 april 2023 heeft de rechtbank de gemachtigde (nogmaals) gevraagd om binnen vier weken na de datum van verzending van deze brief de gronden van het verzet mee te delen. Het kantoor van de gemachtigde van opposante heeft verzocht om uitstel van het aanleveren van de gronden tot 30 juni 2023 omdat de gemachtigde wegens relatief ernstige ziekte niet in staat is dit binnen de gegeven termijn te doen. De rechtbank heeft dit uitstel tot 30 juni 2023 verleend. De rechtbank heeft binnen deze termijn geen gronden van het verzet ontvangen. De rechtbank heeft (de gemachtigde van) opposante meermaals de mogelijkheid gegeven om het verzuim – het ontbreken van de gronden van het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet betalen van het griffierecht – te herstellen, maar hieraan is geen gehoor gegeven.
Conclusie
5. Omdat opposante de gronden van het verzet niet heeft aangevoerd is het verzet niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het verzet en het beroep niet inhoudelijk zal beoordelen.
Wat de rechtbank verder nog kwijt wil aan de gemachtigde
6. Zoals onder 5 blijkt zal de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordelen. Toch wil de rechtbank nog het volgende kwijt aan de gemachtigde van opposante.
6.1.
De rechtbank heeft geen idee waar het beroep over gaat. De gemachtigde heeft zich met een beroep tot de bestuursrechter gewend. De gemachtigde stuurt op 24 december 2021 een beroepschrift aan de sector bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam. Hij vermeldt daarin een dossiernummer van een rechtbank, heeft het over bezwaar tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland, en voegt daarbij geen kopie van het bestreden besluit.
6.1.1.
De rechtbank Amsterdam vraagt vervolgens bij de gemachtigde een kopie van het bestreden besluit op. In reactie daarop meldt de gemachtigde dat hij het bestreden besluit bij het instellen van het beroep heeft meegestuurd en helaas geen kopie heeft behouden in zijn dossier. Bij het beroepschrift zat echter geen bijlage. De rechtbank Amsterdam heeft het beroepschrift aan de sector bestuursrecht van de rechtbank Gelderland doorgezonden.
6.1.2.
Ook de rechtbank Gelderland vraagt – op 4 maart 2022 – een kopie van het bestreden besluit op. Dat leidt tot niets. Bij diezelfde brief vraagt de rechtbank de gronden van het beroep op. Daarop volgt ook geen reactie. De rechtbank is hierdoor niet in staat vast te stellen waarover het beroep gaat en of zij wel bevoegd is om op het beroep te oordelen.
6.2.
De gemachtigde lijkt in deze zaak zijn zaakjes niet op orde te hebben.
6.2.1.
Zoals uit 6.1.1 en 6.1.2 blijkt heeft hij geen kopie van het bestreden besluit bewaard in zijn dossier en heeft hij geen beroepsgronden aangevoerd. Nadat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard en de gemachtigde een verzetschrift heeft ingediend, vraagt de rechtbank op 31 augustus 2022 de gronden van het verzet op. Op 1 december 2022 stuurt de rechtbank een aangetekende herinnering. Volgens een bericht van 13 december 2022 van de gemachtigde kon hij de brief van 31 augustus 2022 niet traceren, waarna de rechtbank deze brief nogmaals aan hem zendt. Een medewerker van de gemachtigde bevestigt op 18 december 2022 vervolgens de ontvangst daarvan en vraagt om uitstel. Dat uitstel verleent de rechtbank op 21 december 2022. Kort daarop, op 27 december 2022, bericht de gemachtigde zelf dat hij niets heeft mogen vernemen van de rechtbank in reactie op zijn bericht van 13 december 2022. Vervolgens zendt de rechtbank alle stukken vanaf 31 augustus 2022 nogmaals aan de gemachtigde. Op 31 januari 2023 ontvangt de rechtbank een stuk met de aanduiding nadere gronden, zie 4.2. In die gronden gaat de gemachtigde echter op geen enkele wijze in op de reden van de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
6.2.2.
Op 4 april 2023 vraagt de gemachtigde een exemplaar van de belangrijkste stukken in deze zaak op. Op 13 april 2023 stelt de rechtbank gelet op de inhoud van de op 31 januari 2023 ontvangen nadere gronden de gemachtigde in de gelegenheid de gronden van het verzet mee te delen en stuurt een kopie van de uitspraak van 17 augustus 2022 mee. Daarop vraagt het kantoor van de gemachtigde uitstel tot en met 30 juni 2023. De rechtbank heeft dit uitstel tot 30 juni 2023 verleend. Vervolgens voert de gemachtigde (wederom) geen gronden van het verzet aan.
6.3.
Al met al leidt de manier waarop de gemachtigde in deze zaak procedeert er niet alleen toe dat hij zijn cliënt benadeelt, maar ook dat hij de (griffie van de) rechtbank met extra veel werk opzadelt. Dit zou niet nodig zijn geweest als hij zijn dossier in deze zaak goed zou hebben bijgehouden.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr.K. Berends, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 augustus 2022 toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is de gemachtigde bij bericht van 4 augustus 2023 meegedeeld.
Dit is de gemachtigde bij bericht van 6 augustus 2023 meegedeeld.
Dit volgt uit artikel 8:55, tweede lid, in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 8:55, tweede lid, in samenhang met artikel 6:6 van de Awb.
Dit bericht heeft de rechtbank Amsterdam op 11 januari 2022 ontvangen.
Dit is met het bericht van 25 februari 2022 gebeurd.
Dit is de gemachtigde bij bericht van 29 december 2022 toegestuurd.
Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb staat tegen een uitspraak op verzet geen hoger beroep open. Het rechtsmiddel van verzet staat alleen open tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb.