Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-06-22
ECLI:NL:RBGEL:2023:3524
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,435 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/587
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2023
in de zaak tussen
[Eiser A] te [plaats B] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder
(het college)
(gemachtigde: E. Okubazghi).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser gericht tegen het niet tijdig beslissen door het college op de aanvraag tot toekenning van de energietoeslag.
1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het college deelgenomen.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Op 28 juli 2022 heeft eiser bij het college de eenmalige energietoeslag aangevraagd.
2.2.
Op 11 oktober 2022 heeft eiser het college in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing door het college naar aanleiding van die aanvraag.
2.3.
Op 17 oktober 2022 heeft het college de energietoeslag aan eiser uitbetaald.
2.4.
Eiser heeft op 23 januari 2023 beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag tot toekenning van de energietoeslag ingesteld. Eiser heeft de rechtbank verzocht de (verbeurde) dwangsommen vast te stellen.
Beoordeling
3. Artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroepschrift, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, kan worden ingediend zodra
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, én
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat het college de energietoeslag op 17 oktober 2022 aan eiser heeft uitbetaald. Wel is in geschil is of het college in gebreke is (gebleven) om tijdig een besluit te nemen, zoals eiser stelt.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1.
Per 15 maart 2022 is de Participatiewet gewijzigd en is aan artikel 31, tweede lid, na onderdeel n een onderdeel ingevoegd, dat als volgt luidt:
“o. de eenmalige energietoeslag, bedoeld in artikel 35, vierde lid.”
Aan artikel 35 is een nieuw vierde lid toegevoegd, dat als volgt luidt:
“In afwijking van het eerste lid kan tot en met 30 juni 2023 bijzondere bijstand ook aan een alleenstaande of een gezin worden verleend in de vorm van een eenmalige energietoeslag, zonder dat wordt nagegaan of die alleenstaande of dat gezin in dat jaar een sterk gestegen energierekening had.”
5.2.
De energietoeslag wordt door de wetgever aangemerkt als het eenmalig categoriaal verstrekken van bijstand aan huishoudens met een laag inkomen.
5.3.
Hieruit volgt dat de betaling van de energietoeslag moet worden aangemerkt als de betaling van een uitkering met een publiekrechtelijk karakter. De daarmee gemoeide handelingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden aangemerkt als een (appellabel) besluit. De rechtbank ziet hiervoor een aanwijzing in het bepaalde in artikel 4:88, eerste lid, van de Awb. Met het ontvangen van het bedrag was aan eiser ook duidelijk dat aan hem de energietoeslag was toegekend. Omdat het een vaststaand bedrag betrof, kon er verder geen onduidelijkheid zijn over de vraag of het bedrag wel juist was.
5.4.
Dat betekent dat het college door de betaling van de energietoeslag op 17 oktober 2022 op dat moment ‘als het ware’ een (appellabel) besluit heeft genomen. Daarmee is niet langer voldaan aan het vereiste van artikel 6:12, tweede lid, onder a, van de Awb en kon eiser ook geen beroep gericht het niet tijdig beslissen op de aanvraag tot toekenning van de energietoeslag instellen. Het beroep van eiser is dan ook niet-ontvankelijk.
Conclusie
Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.V. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2023
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
‘Bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat een geldsom moet worden betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.’