Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2022-08-03
ECLI:NL:RBGEL:2022:7396
vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/395631 / HA ZA 21-567 Vonnis van 3 augustus 2022 in de zaak van de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. , gevestigd te Apeldoorn, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. A. Robustella te Ede Gld, tegen [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. J.J. Wolleswinkel te Barneveld. Partijen zullen hierna Achmea en [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 6 juli 2022 het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 7 april 2022 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] heeft sinds 29 juni 2004 een arbeidsongeschiktheidsverzekering InkomensZekerPlan bij Achmea. Het verzekerde beroep is dat van eigenaar uitzendbureau en het verzekerde inkomen voor het eerste jaar is € 42.436,00 (met een eigen risico periode van zes maanden). Na het eerste jaar bedraagt het verzekerde inkomen € 30.263,00. De jaarpremie bedraagt € 5.513,46. Volgens de polis wordt het verzekerde inkomen jaarlijks op de polisverjaardag verhoogd met 3 procent, waardoor ook de jaarpremie stijgt. Op de verzekering zijn de algemene voorwaarden volgens model 30604 en 22021 van toepassing verklaard. De algemene voorwaarden model 30604 luiden, voor zover van belang, als volgt: Artikel 4 Indexering van het verzekerde inkomen 1. Het verzekeringsbewijs vermeldt of en op welke wijze het verzekerde inkomen wordt geïndexeerd. […] Artikel 6 arbeidsongeschiktheid 1. Wij stellen de mate van arbeidsongeschiktheid vast aan de hand van rapportages van door ons aan te wijzen deskundigen. […] 4. Wij drukken de mate van arbeidsongeschiktheid uit in een percentage. Dit percentage noemen wij het arbeidsongeschiktheidspercentage. […] artikel 8 Berekening van de uitkering […] 2 Het uitkeringspercentage is gelijk aan het arbeidsongeschiktheidspercentage. […] Artikel 25 Premiereductie bij arbeidsongeschiktheid 1. Zolang de verzekerde recht heeft op uitkering bij arbeidsongeschikt en deze arbeidsongeschikt langer dan 52 weken bestaat, verlenen wij korting op de premie. 2 Het kortingspercentage is gelijk aan het uitkeringspercentage. 2.2. Bij de aanvraag van de verzekering heeft [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] een gezondheidsverklaring ingevuld en daarop onder meer aangegeven dat hij geen maagklachten of klachten van psychische aard heeft (gehad). 2.3. Op 18 oktober 2006 heeft [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] Achmea verzocht om uitkering wegens aanhoudende psychische klachten. 2.4. Achmea is na de arbeidsongeschiktheidsmelding overgegaan tot het verstrekken van (voorlopige) uitkeringen aan [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] . 2.5. [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] is op 15 november 2006 door een adviserend arts van Achmea onderzocht. In diens handgeschreven rapport is onder meer het volgende opgenomen: Al lange tijd depressief. Thans onder behandeling bij psychiater […] daar 1+/2 weken. Problemen ontstonden eind 2004. Snel geïrriteerd, prikkelbaar, somber, concentratiestoornissen, slecht slapen. Schrijft dit zelf toe aan werkdruk. Ontkent andere problemen. Verder geen klachten (geen maagklachten meer). Binnenkort starten gesprekken met psycholoog. Heeft eigen bedrijf (uitzendbureau) met 2 personeelsleden. Zaak loopt redelijk. Betrokkene heeft geen hobbies. Brengt zijn tijd door met wat lopen door het dorp. […] 100% ao zie verder […] Uitvoerig gesprek met patiënt gehad. Moeilijk om hoogte te krijgen van de feiten (welke behandeling, door wie, hoe frequent etc?) en in de persoonlijke situatie van patiënt. Hij maakt een rustige indruk, geeft veel ontwijkende antwoorden. Moeilijk op ao % in te schatten. Het lijkt mij aangewezen om bij de hem behandelend psy Bij einduitspraak van 14 juni 2021 heeft de CvB definitief geoordeeld conform haar voorlopige oordelen in de tussenuitspraak. Voorts heeft de CvB geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor opzegging van de verzekering door Achmea vanwege het niet melden door [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] van (vroegere) maagklachten bij de aanvraag van de verzekering. Ten aanzien van de niet-melding van (vroegere) psychische klachten bij de aanvraag van de verzekering heeft de CvB het volgende overwogen: 2.7 Nu Verzekeraar niet tijdig een beroep heeft gedaan op niet-nakoming van de mededelingsplicht ten aanzien van de psychische klachten, kan hij zich niet met succes op het standpunt stellen dat hij bij kennis van de ware stand van zaken (mogelijk) geen dekking zou hebben geboden voor arbeidsongeschiktheid wegens psychische klachten. Om die reden was nader onderzoek naar de aard en omvang van de psychische klachten voorafgaand aan het invullen van het gezondheidsformulier niet (meer) van belang voor het vaststellen van het recht op uitkering. Voor zover Verzekeraar thans nog heeft willen betogen dat de nader te verkrijgen informatie eveneens van belang kon zijn voor de beoordeling van de psychische gezondheidstoestand van Consument na de totstandkoming van de Verzekering, geldt dat dit betoog niet valt te rijmen met wat Verzekeraar in zijn brief van 31 juni 2007 over de machtiging aan Consument heeft geschreven. Daarin spreekt de Verzekeraar slechts van onduidelijkheid over de aard en de ernst van de psychische klachten van vóór de ingangsdatum van de Verzekering. Evenmin valt dit te rijmen met wat Verzekeraar hierover heeft opgemerkt in zijn brief van 10 april 2018 aan de Geschillencommissie. Daarin heeft hij uitdrukkelijk opgemerkt dat niet relevant was dat Consument al medewerking had verleend aan onderzoeken, omdat die betrekking hadden op informatie na het aangaan van de Verzekering en Verzekeraar nu juist wilde onderzoeken of Consument de psychische klachten al voor het aangaan van de Verzekering had. Daarmee is het thans ingenomen standpunt niet alleen tardief, maar ook onvoldoende onderbouwd. Het stond Verzekeraar dan ook niet vrij om, al dan niet met een beroep op artikel 22 lid 4 van de Voorwaarden, wegens het uitblijven van de gevraagde machtiging het recht op uitkering dan wel de Verzekering (‘definitief’) te beëindigen. Consument heeft de rechtmatigheid van die beëindiging bij brief van 21 augustus 2007 aan Verzekeraar betwist. De beëindiging heeft dan ook niet het door Verzekeraar beoogde effect gesorteerd. De verzekering bleef in stand. […] Daarop heeft de CvB het verjaringsverweer beoordeeld en als volgt verworpen: 2.9 […] Wel voert Verzekeraar (nogmaals) aan dat de Verzekering niet meer bestaat, omdat Consument heeft nagelaten binnen vijf jaar na 31 juli 2007, dan wel binnen vijf jaar na het laatste contact met zijn toenmalige advocaat [naam] in januari 2008 een stuitingshandeling te verrichten. De Commissie van Beroep volgt Verzekeraar hierin niet. Nu Verzekeraar niet gerechtigd was de Verzekering op te zeggen, heeft die opzegging, zoals overwogen, geen effect gesorteerd en is de Verzekering blijven bestaan. Uit de door Verzekeraar genoemde verjaringsregels, in het bijzonder de artikelen 3:307 BW en 3:311 lid 2 BW, vloeit niet voort dat een (verzekerings)overeenkomst bij gebreke van een tijdige stuitingshandeling op enig moment ophoudt te bestaan. Wel kunnen de daaruit voortvloeiende uitkeringstermijnen verjaren, te weten telkens drie jaar nadat Consument met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Dit volgt uit artikel 7:942 lid 1 BW, dat voor de lengte van de termijn en het aanvangstijdstip een bijzondere regeling vormt ten opzichte van het in 5.8 van de tussenuitspraak genoemde artikel 3:308 BW. De Commissie van Beroep verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 26 juni 2018, gepubliceerd onder nr. 2018-043, waarin zij het standpunt heeft verworpen dat de aanspraak uit een arbeidsongesc [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] is een kort geding gestart. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 januari 2022 (C/05/396101/ KG ZA 21-406), locatie Arnhem, heeft de voorzieningenrechter de vordering van [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] om Achmea te veroordelen tot nakoming van het bindend advies gegeven door het CvB op 14 juni 2021, op straffe van een dwangsom, toegewezen. Achmea heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 24 januari 2022. 2.18. Vervolgens is Achmea een executiegeschil tegen de tenuitvoerlegging van het vonnis van 24 januari 2022 gestart. Bij vonnis van deze rechtbank van 21 februari 2022 (C/05/399182/ KZ ZA 22-6), locatie Zutphen, heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Achmea afgewezen. 3 Het geschil in conventie 3.1. Achmea vordert, na eiswijziging, dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: primair: 1. voor recht verklaart dat [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] aan de Verzekering met Achmea geen rechten kan ontlenen voor zover het betreft de bij schrijven van zijn advocaat van 5 maart 2015 gedane mededeling dat van een in 2011 ingetreden arbeidsongeschiktheid en dat de op die melding gebaseerde rechtsvordering ingevolge artikel 7:942 lid 1 BW is verjaard; 2. voor recht verklaart dat [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] ter zake de door hem gestelde in 2011 ingetreden arbeidsongeschiktheid geen aanspraak op de Verzekering met Achmea toekomt, omdat de gestelde arbeidsongeschiktheid en de mate van die arbeidsongeschiktheid door hem niet zijn bewezen noch in rechte dan wel anderszins buiten rechte zijn komen vast te staan; 3. [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] te veroordelen tot betaling van al hetgeen hij op basis van de beslissing van 14 juli 2021 van de Commissie van Beroep heeft ontvangen ingevolge het vonnis van 24 januari 2022 van de Voorzieningenrechter Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft ontvangen en nog zal ontvangen; subsidiair: 4. de beslissing van 14 juni 2021 van de Commissie van Beroep nietig verklaart, dan wel de beslissing van 14 juni 2021 van de Commissie van Beroep vernietigt; primair en subsidiair: 5. [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] te veroordelen in de kosten van de procedure. 3.2. Achmea legt, samengevat, - na wijziging van haar eis - aan haar primaire vorderingen ten grondslag dat de beslissing van de CvB geen bindend advies is en het geschil daarom ten volle moet worden beoordeeld door de rechtbank. Achmea beroept zich in dat verband op artikel 14.2 van het reglement. De aanspraak van [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] tot het doen van een uitkering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst is volgens Achmea op de voet van artikel 7:942 lid 1 BW verjaard. Bovendien is nimmer door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige vastgesteld dat [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] arbeidsongeschikt is sinds 2011, zodat ook niet vast staat dat [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] aanspraak had op uitkering. Voor het geval wordt geoordeeld dat de beslissing van de CvB wel een bindend advies is, heeft Achmea primair betoogd dat dit advies nietig is omdat het advies is gegeven in strijd met dwingend recht en de openbare orde door de verjaringsregel uit artikel 7:942 lid 1 BW niet of niet juist toe te passen (artikel 7:902 BW). Subsidiair doet Achmea een beroep op de vernietigbaarheid van het bindend advies (artikel 7:904 lid 1 BW). Achmea acht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaarbaar om haar aan het bindend advies te houden, niet alleen omdat het inhoudelijk niet voldoet aan hetgeen een redelijk handelend adviseur zou hebben geoordeeld, omdat het in strijd is met dwingend recht en omdat ten onrechte geen mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld door een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige, maar ook vanwege de wijze van totstandkoming, Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze vorderingen gezamenlijk bespreken. Bindend advies? 4.2. De eerste vraag die partijen verdeeld houdt, is of sprake is van een bindend advies van de CvB. Uitgangspunt is dat de CvB al haar uitspraken, zonder dat daartoe de instemming van partijen vereist is, als bindend advies doet (artikel 14.1 van het reglement). Die instemming ligt besloten in de aanvaarding door partijen van de bindendheid van de uitspraak van de Geschillencommissie waartegen bij de CvB beroep wordt ingesteld. Tegen een niet bindende beslissing van de Geschillencommissie staat geen beroep open. Volgens artikel 14.2 van het regelement is een uitspraak van de CvB alleen dan niet bindend voor zover daarin aan hoofdsom een bedrag wordt toegewezen van meer dan € 250.000,00, als sprake is van een aangesloten lid van het Verbond van Verzekeraars, zoals Achmea. De vraag die dan rijst, is of de onderhavige beslissing van de CvB onder die uitzondering valt. Anders dan [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] meent, brengt het enkele feit dat geen bedrag in het dictum is genoemd niet mee dat dit artikellid niet van toepassing is. Beoordeeld moet worden of de hoogte van de door de CvB toegekende uitkeringstermijnen al dan niet eenvoudig te kwantificeren is. Daarvoor dient de uitspraak van de CvB te worden uitgelegd. 4.3. In overweging 2.11 van haar eindbeslissing heeft de CvB nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de reeds verschenen uitkeringstermijnen en de toekomstige uitkeringstermijnen. Voor de reeds verschenen termijnen heeft de CvB bepaald dat Achmea moet uitgaan van de gezondheidstoestand zoals Achmea deze heeft vastgesteld voor de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst. Daarbij kan de CvB niet anders dan hebben gedoeld op het onderzoek van de medisch adviseur van Achmea van 15 november 2006 (randnummer 2.5). Enig ander onderzoek ontbreekt. De medisch adviseur van Achmea heeft weliswaar aangegeven dat het moeilijk is om een arbeidsongeschiktheidspercentage in te schatten en het aangewezen te achten om informatie op te vragen bij de behandelend psychiater, maar heeft desalniettemin een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100% genoemd. Die informatie is nooit opgevraagd. In overweging 2.7 van haar eindbeslissing heeft de CvB vastgesteld dat door Achmea destijds enkel een machtiging is gevraagd voor het opvragen van informatie over de psychische klachten die [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] vóór het aangaan van de verzekering al had. Waar Achmea eerder had aangegeven dat er slechts onduidelijkheid was over de aard en de ernst van de psychische klachten van vóór de ingangsdatum van de verzekering, heeft de CvB geoordeeld dat Achmea daar niet meer van terug kan komen in die zin dat het haar niet vrij stond om de uitkering wegens het uitblijven van de gevraagde machtiging te beëindigen omdat het recht op uitkering (lees de mate van arbeidsongeschikt-heid) niet vastgesteld kon worden. Enkel voor de toekomstige termijnen kan nader onderzoek of een machtiging van [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] worden verlangd, aldus nog steeds de CvB. Dat betekent dat de CvB voor de reeds verschenen termijnen uitdrukkelijk is uitgegaan van het voorlopige oordeel van de medisch adviseur. Dat deze een arbeidsongeschiktheids-percentage van 100% heeft genoemd, duidt erop dat hij er voorshands vanuit ging dat [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] , zoals hij ook claimde, op dat moment geen arbeidsmogelijkheden had. Een arbeidsdeskundige beoordeling kan dan achterwege blijven. 4.4. Dat betekent dat de CvB aan [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] vanaf 5 maart 2012 aan verschenen termijnen heeft toegekend een bedrag gelijk aan het verzekerde inkomen. Het uitkeringspercentage is immers gelijk aan het arbeidsongeschiktheidspercentage (zie artikel 8 lid 2 van de polisvoorwaarden). Het verzekerde jaarinkomen van [gedaagde in conventie / eiser Volgens Achmea heeft de CvB haar verjaringsverweer afgedaan op de algemene regeling in artikel 3:308 BW en daarbij de specifieke verjaringsregeling voor vorderingen uit verzekeringsovereenkomsten in artikel 7:942 lid 1 BW, welk artikel dwingend is voorgeschreven, ten onrechte – in afwijking van vaste (overheids)rechtspraak – buiten toepassing gelaten dan wel onjuist toegepast. Door in strijd te oordelen met dwingend recht, is het bindend advies volgens Achmea ook in strijd met de openbare orde. 4.10. Over de vraag of artikel 7:942 lid 1 BW alleen een bijzondere regeling biedt voor de aanvang en de duur van verjaring bij periodieke vorderingen uit verzekerings-overeenkomsten of dat daarin ook is geregeld dat de aanspraak tot het doen van een uitkering ook zelf aan verjaring onderhevig is, kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid verschil van mening bestaan. De Hoge Raad heeft hierover nog geen oordeel geveld. Ook in zo’n geval kan behoefte bestaan aan de mogelijkheid van een vaststellings-overeenkomst, waardoor een eventuele procedure tussen partijen kan worden voorkomen en waarbij op de koop toe moet worden genomen dat als naderhand alsnog duidelijkheid omtrent de uitleg van de wet wordt verkregen, de vaststellingsovereenkomst geldig blijft. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Aan de CvB is de relevante (overheids) rechtspraak voorgehouden en is verzocht om een oordeel ter beëindiging van het geschil. Dat maakt dat geen sprake is van een vaststelling die in strijd is met de openbare orde, ook als later vast zou komen te staan dat de uitleg van de CvB van artikel 7:942 lid 1 BW niet de juiste was. Bovendien zou dan sprake zijn van een vaststelling die ten gunste van de verzekeringnemer afwijkt, hetgeen ingevolge artikel 7:943 lid 2 BW ook is toegestaan. Van strijd met dwingend recht is ook in dat geval dus geen sprake. Het beroep op de nietigheid faalt derhalve. Vernietigbaarheid bindend advies? 4.11. Achmea heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het bindend advies vernietigbaar is. 4.12. Op grond van artikel 7:904 lid 1 BW is een bindend advies vernietigbaar als dit door de inhoud daarvan of de manier waarop dit tot stand gekomen is zo gebrekkig is, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als partijen daaraan gebonden zouden zijn. Bij dit oordeel moet de rechter terughoudend zijn: voor vernietiging is slechts plaats als sprake is van ernstige gebreken in de beslissing van de bindend adviseur, zodanig dat geen redelijk handelend en redelijk bekwaam deskundige in de gegeven omstandigheden tot een dergelijke beslissing zou zijn gekomen. 4.13. De eisen die aan de totstandkoming van het bindend advies moeten worden gesteld, houden onder andere in dat de beslissing op een deugdelijk onderzoek is gebaseerd en dat de beslissing voldoende is gemotiveerd. Op de vraag in hoeverre een bindend advies moet worden gemotiveerd valt geen algemeen antwoord te geven. Naarmate het bindend advies meer het karakter van rechtspraak heeft, zoals bij de CvB, behoort de beslissing meer en beter te worden gemotiveerd. 4.14. Naar het oordeel van de rechtbank is de beslissing van de CvB op een deugdelijk onderzoek gebaseerd. Zo heeft de CvB Achmea bij tussenbeslissing nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld om te reageren op haar voorlopig oordeel ter zake van de verjaringskwestie. Vervolgens heeft de CvB de jurisprudentie waarnaar Achmea heeft verwezen en de stellingen waarmee Achmea die (overheids)rechtspraak heeft onderschreven uitdrukkelijk in het bindend advies meegewogen. De CvB heeft in het bindend advies, met verwijzing naar een eerdere uitspraak van haar over deze verjaringskwestie, voldoende uiteengezet hoe zij tot haar oordeel is gekomen en wat volgens haar in de gegeven omstandigheden een juiste toepassing van het recht is. Daarmee is tevens voldaan aan het motiveringsvereiste. 4.15. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet gezegd kan worden dat geen redelijk handelend en r Bij de berekening van de hoogte van de buitengerechtelijke kosten is de rechtbank uitgaan van een bij benadering berekende en afgeronde hoofdsom van € 350.000,00 (aan opeisbare uitkeringstermijnen ten tijde van de einduitspraak van de CvB ). Proceskosten 4.20. [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] heeft vergoeding van de volledige proceskosten gevorderd, omdat, kort samengevat, volgens hem sprake is van evidente ongegrondheid van de vorderingen van Achmea, waardoor het instellen van deze vorderingen achterwege had moeten blijven. [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] is hierdoor nodeloos op kosten gejaagd. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om in dit geval van het geldende liquidatietarief af te wijken. Een vordering tot het veroordelen in de werkelijke in plaats van forfaitaire proceskosten komt slechts voor toewijzing in aanmerking, indien de aangesproken partij misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te vangen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorden te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM . Een vordering tot betaling van de daadwerkelijke proceskosten is dan ook slechts in uitzonderlijke, evidente gevallen toewijsbaar. In dat licht schiet de onderbouwing van [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] tekort; [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] heeft geen buitengewone omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat Achmea misbruik van procesrecht heeft gemaakt of een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Dat betekent dat de proceskosten op de gebruikelijke wijze zullen worden begroot. 4.21. Achmea zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie, tot op heden aan de zijde van [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] begroot op: - griffierecht € 85,00 - salaris advocaat € 6.227,50 (2,5 punten × € 2.491,00 tarief VI) - totaal € 6.312,50 4.22. Bij de bepaling van de hoogte van het liquidatietarief heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de omvang van de reeds verschenen termijnen zoals ten tijde van de einduitspraak van de CvB verschuldigd was (zie randnummer 4.4). 4.23. Achmea zal als de in het ongelijk gestelde partij tevens in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld, waarbij gezien de samenhang met de vordering in conventie steeds een factor 0,5 wordt toegepast. De kosten aan de zijde van [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] worden begroot op € 2.491,00 aan salaris advocaat (2 punten x 0,5 × € 2.491,00 tarief VI). De beoordeling in voorwaardelijke reconventie 4.24. De rechtbank stelt vast dat de voorwaarde niet in vervulling is gegaan, zodat aan beoordeling van de voorwaardelijke reconventionele vordering niet wordt toegekomen. 5 De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt Achmea in de proceskosten, tot dusver aan de zijde van [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] begroot op € 6.312,50; 5.3. verklaart de veroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad; in reconventie 5.4. veroordeelt Achmea tot nakoming van het bindend advies van de Commissie van Beroep van het Kifid d.d. 14 juni 2021 op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat zij in gebreke blijft met een maximum van € 500.000,00; 5.5. veroordeelt Achmea tot betaling aan [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] ter zake b