Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2022-04-15
ECLI:NL:RBGEL:2022:2059
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,369 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Inloopteam Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 21/3348
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Eiseres A]
uit [plaats B] , eiseres
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: J. Marquenie).
Procesverloop
Met het besluit van 17 februari 2021 heeft het UWV vastgesteld dat, wegens de wijziging van de hoogte van de WIA-uitkering, de WIA-uitkering van eiseres wordt herzien en een bedrag wordt teruggevorderd van € 11.522,33. Bij besluit van 17 februari 2021 wordt eiseres tevens een boete opgelegd ter hoogte van € 2.364,=.
Met het besluit van 18 juni 2021 heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
Met (stilzwijgende) toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Wat er aan deze procedure vooraf ging
Eiseres ontvangt sinds 2013 een WIA-uitkering. Op 17 juni 2020 is in de brievenbus van het politiebureau in Arnhem een brief aangetroffen met daarin als boodschap dat er vermoedelijk een hennepkwekerij aanwezig is op het adres van eiseres. Dit was voor de verbalisanten een reden om de woning te onderzoeken. Hierbij zijn er meerdere hennepplanten aangetroffen.
Eiseres is in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gehoord als huurder van de woning. De Officier van Justitie heeft de zaak geseponeerd op grond van onvoldoende bewijs. Op grond van artikel 20 Wet politiegegevens en het Regionaal Hennepconvenant is het UWV op 25 juni 2020 op de hoogte gesteld van deze zaak door de politie. Hierin is vermeld dat in de woning van eiseres hennepkwekerij is aangetroffen. Als gevolg hiervan heeft het UWV een onderzoek gestart.
Het UWV heeft naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek de WIA-uitkering over de periode van 1 december 2019 en 31 juni 2020 herzien en teruggevorderd. Ook heeft het UWV aan eiseres een boete opgelegd.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar ingediend, waarop het UWV de primaire besluiten heeft heroverwogen en het bestreden besluit heeft genomen.
Wat eiseres vindt
Eiseres is het niet met het UWV eens. Zij voert aan dat het strafrechtelijk onderzoek is beëindigd en de Officier van Justitie de zaak heeft geseponeerd.
Waarover het gaat in deze zaak
De vraag is of het UWV terecht de WIA-uitkering van eiseres heeft herzien, teruggevorderd en een boete heeft opgelegd. De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiseres daartegen in heeft gebracht.
Wat de rechtbank vindt
Intrekking en terugvordering
Niet in geschil is dat op 17 juni 2020 in de woning die door eiseres werd gehuurd een hennepkwekerij is aangetroffen. Evenmin in geschil is dat eiseres bij het UWV geen melding heeft gemaakt van deze hennepkwekerij.
Uit artikel 76 Wet WIA volgt dat het UWV de uitkering mag herzien en intrekken indien de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 27 Wet WIA niet (volledig) wordt nagekomen. Onverschuldigde betaling van de uitkering wordt door het UWV op grond van artikel 77 Wet WIA teruggevorderd.
De rechtbank begrijpt het beroep van eiseres zo dat zij van mening is dat er onvoldoende bewijs is voor haar betrokkenheid bij de exploitatie van de hennepkwekerij en dat dat ook volgt uit het sepot.
Een besluit tot herziening en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust.
Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat in de huurwoning van eiseres een hennepkwekerij is aangetroffen de veronderstelling dat eiseres (mede) exploitant is geweest en dat de opbrengst daarvan (ook) aan haar ten goede is gekomen. Het is vervolgens aan eiseres om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat zij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en ook geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen. Indien deze gegevens niet verstrekt worden is het aan het UWV om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen.
Eiseres heeft de politie een kopie van de ID, loonstroken en creditcard van de persoon aan wie zij de woning zou hebben verhuurd gegeven. Daarmee heeft zij niet voldoende kunnen bewijzen dat de woning daadwerkelijk aan deze persoon is verhuurd en zij verder niets te maken had met dat wat er in de woning gebeurde. Een overeenkomst tussen eiseres en de persoon die de woning zou hebben gehuurd van eiseres ontbreekt en ook andere bewijzen die zouden kunnen aantonen dat er sprake is van onderhuur zijn door eiseres niet gegeven. Dat betekent dat het uitgangspunt dat eiseres als huurder van die woning (mede) exploitant is geweest en dat de opbrengst daarvan (ook) aan haar ten goede is gekomen, hier onverkort geldt.
Dat het Openbaar Ministerie deze zaak wegens gebrek aan bewijs heeft geseponeerd, werpt geen ander licht op deze zaak. Het oordeel in de strafrechtelijke procedure hoeft niet in de weg te staan aan een ander oordeel in de bestuursrechtelijke procedure. In dit geval is de zaak door het Openbaar Ministerie geseponeerd op grond van ‘’onvoldoende bewijs’’. Hieruit blijkt niet zonder meer wat de redenen voor de Officier van Justitie zijn geweest om in het geval van eiseres over te gaan tot sepot wegens gebrek aan bewijs. Wegens de strengere bewijslast in een strafrechtelijke zaak is het niet ondenkbaar dat het zou kunnen gaan om bewijsproblemen bij het strafrechtelijke vereiste van ‘opzet’. In tegenstelling tot het strafrechtelijke procedure is het voor het terugvorderen van een uitkering voldoende dat schending van de inlichtingenplicht aannemelijk is. Dat laatste is hier het geval. De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV de uitkering terecht heeft herzien en teruggevorderd.
Boete
Uit artikel 91 Wet WIA volgt dat het UWV een boete oplegt bij het niet nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 27 Wet WIA. In artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten is opgenomen dat indien er geen sprake is van opzet dan wel grove schuld, er sprake is van normale verwijtbaarheid.
Volgens vaste rechtspraak is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot herziening van een uitkering op de grond dat de inlichtingenplicht is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. Dit brengt mee dat het Uwv moet aantonen dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door geen mededeling te doen van het exploiteren van een hennepkwekerij in de woning die zij huurt.
Met het overleggen van het onderzoeksrapport en de bevindingen van de politie die daaraan ten grondslag liggen heeft het Uwv niet alleen aannemelijk gemaakt, maar ook aangetoond dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van het exploiteren van een hennepkwekerij in haar huurwoning in de periode van 16 december 2019 tot en met 16 juni 2020. Het Uwv was daarom verplicht om aan eiseres een boete op te leggen.
Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan in haar geval geen of verminderde verwijtbaarheid moet worden aangenomen. Het UWV is daarom terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. De hoogte van de boete is vervolgens door het UWV verlaagd wegens de financiële situatie van eiseres.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier op 15 april 2022.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie ook ECLI:NL:CRVB:2021:470
ECLI:NL:CRVB:2021:470 en CRVB:2021:416.
ECLI:NL:CRVB:2020:4 en ECLI:NL:CRVB:2021:2665
ECLI:NL:CRVB:2018:1100 en ECLI:NL:CRVB:2021:470