Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2021-03-31
ECLI:NL:RBGEL:2021:1567
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,671 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer / rolnummer: C/05/377301 / HZ ZA 20-383
Vonnis van 31 maart 2021
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN (UWV),
zetelend te Amsterdam,
eiser,
advocaat mr. H.J.S.M. Langbroek te 's-Gravenhage,
tegen
de naamloze vennootschap
ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
gedaagde,
advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem.
Partijen zullen hierna het UWV en Achmea worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 9 december 2020
het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 9 februari 2021.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Op 23 juni 2006 is mevrouw J.C. [betrokkene1] (hierna: [betrokkene1] ) in Duitsland een ongeval overkomen terwijl zij achterop zat op de motor bij haar toenmalige vriend, de heer L. [betrokkene2] (hierna: [betrokkene2] ). [betrokkene2] is op 12 juli 2006 aan de gevolgen van het ongeval overleden.
2.2.
[betrokkene1] heeft bij het ongeval zwaar letsel opgelopen en is sindsdien volledig arbeidsongeschikt. Zij ontvangt sinds 23 juni 2008 van het UWV een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Wegens de permanente verzorging die zij nodig heeft, wordt die betaald naar 100% van het dagloon.
2.3.
Achmea is de WAM-verzekeraar van de motor van [betrokkene2] (WAM: Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen).
2.4.
Op 31 mei 2007 heeft de schaderegelaar van Interpolis/Achmea een expertiserapport uitgebracht naar aanleiding van een gesprek met [betrokkene1] , haar dochter en schoonzoon en de personeelsmanager van haar werkgever. In dat rapport (productie 1 bij antwoord) staat onder meer vermeld dat [betrokkene1] en [betrokkene2] elkaar op 1 januari 2006 hebben leren kennen en na enige maanden besloten te gaan samenwonen. De woning van [betrokkene1] is te koop aangeboden en er is een voorlopige koopakte getekend. [betrokkene1] is ingetrokken bij [betrokkene2] en heeft haar inboedel naar zijn woning verhuisd. Een week later vond het ongeval plaats, aldus nog steeds het rapport. [betrokkene1] stond op dat moment nog niet op het adres van [betrokkene2] ingeschreven in het bevolkingsregister.
2.5.
Bij brief van 15 augustus 2008 (productie 2-1 bij dagvaarding) heeft het UWV Achmea aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen van het ongeval. Volgens de brief heeft het UWV op grond van artikel 99 WIA het recht de aan [betrokkene1] verstrekte uitkeringen te verhalen op degene die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de gevolgen van de door zijn of haar schuld veroorzaakte arbeidsongeschiktheid. Dat is – aldus het UWV – in dit geval Achmea, omdat [betrokkene2] het ongeval heeft veroorzaakt en hij ten tijde van het ongeval bij Achmea was verzekerd.
2.6.
Bij e-mail van 22 juni 2009 (productie 1 bij dagvaarding) heeft Achmea aansprakelijkheid erkend, maar zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de vordering van het UWV niet voor vergoeding in aanmerking komt. Volgens Achmea is regres op grond van artikel 99 WIA op haar als WAM-verzekeraar niet mogelijk, omdat [betrokkene1] en [betrokkene2] ten tijde van het ongeval ongehuwd samenwoonden.
Geschil
3.1.
Het UWV vordert, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
een verklaring voor recht dat het UWV jegens Achmea recht heeft op verhaal van de door hem op grond van de WIA en de daarop berustende bepalingen met ingang van 23 juni 2008 ten behoeve van [betrokkene1] gemaakte kosten, binnen de grenzen die de WIA stelt;
de veroordeling van Achmea tot vergoeding van de onder (i) bedoelde kosten, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW);
de veroordeling van Achmea in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis;
de veroordeling van Achmea in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 157,00.
3.2.
Het UWV legt aan zijn vorderingen ten grondslag, samengevat, dat hem op grond van artikel 90 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en artikel 99 WIA een regresrecht toekomt en dat hij daarom voor de gemaakte kosten verhaal heeft op de aansprakelijke persoon die naar burgerlijk recht verplicht is de schade te vergoeden aan de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van de WIA. Gelet op artikel 6 WAM richt dit verhaal zich op Achmea.
3.3.
Achmea voert verweer en concludeert kort gezegd tot afwijzing van de vorderingen, hetzij door het UWV daarin niet-ontvankelijk te verklaren, hetzij door hem deze vorderingen te ontzeggen, één en ander met veroordeling van het UWV in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
3.4.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.
Geschil
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van het UWV juist en heeft het UWV in dit geval een regresvordering op Achmea. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Het toetsingskader
4.3.
In geval van arbeidsongeschiktheid door ziekte kan primair de benadeelde aanspraak maken op verschillende voorzieningen, afhankelijk van de periode van arbeidsongeschiktheid waarin hij zich bevindt. Na de eerste periode van arbeidsongeschiktheid (met loondoorbetaling gedurende de wachttijd) kan de arbeidsongeschikte aanspraak maken op loon vervangende uitkeringen krachtens de WAO of de WIA. De WIA heeft per 29 december 2005 de WAO vervangen en is van toepassing op mensen die op of na 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden en een beroep doen op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zowel de WIA als de WAO wordt uitgevoerd door het UWV.
4.4.
De regresregeling is opgenomen in artikel 90 WAO en artikel 99 WIA. Op grond van artikel 99 WIA heeft het UWV voor de kosten die hij heeft gemaakt op grond van de WIA en de daarop berustende bepalingen verhaal op de persoon, die naar burgerlijk recht verplicht is de schade te vergoeden aan de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet. Gelet op artikel 6 WAM richt dat verhaal zich in dit geval op Achmea, aldus het UWV. Op grond van artikel 6 WAM heeft de benadeelde een eigen recht op schadevergoeding jegens de verzekeraar door wie de aansprakelijkheid volgens deze wet is gedekt. Deze aansprakelijkheid is tussen partijen in deze zaak niet in geschil.
4.5.
Op grond van de jurisprudentie geldt voor een aantal socialezekerheidswetten dat de omstandigheid dat de aansprakelijke persoon een gezinslid is van de primair benadeelde, aanleiding kan zijn om verhaal uit te sluiten. Daaraan ligt ten grondslag dat de primair benadeelde zelf (in de regel) niet zou zijn overgegaan tot het aanspreken van het betreffende gezinslid. Daarbij is met name een financieel argument van belang. Voeren de gezinsleden een gezamenlijke huishouding, dan zal het regres op het aansprakelijke gezinslid er in de regel toe leiden dat de uitkering die met de ene hand wordt gegeven, met de andere (het regres) weer wordt weggenomen: de “vestzak-broekzak”-situatie. Het te verhalen bedrag zal immers worden voldaan uit de gezamenlijke inkomsten, waarvan ook de uitkering van de primair benadeelde deel is gaan uitmaken. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1987 (ECLI: NL:HR:1987:AG5632, Nieuw Rotterdam/Bedrijfsvoering), in welke zaak eveneens sprake was van een verkeersongeval. Bijna twee jaar na dat ongeval zijn de bestuurder van de auto en zijn passagier, die bij het ongeval gewond raakte als gevolg waarvan zij arbeidsongeschikt werd, met elkaar gehuwd. De bedrijfsvereniging van de werkgever van de vrouw zocht op de voet van artikel 90 WAO met een beroep op artikel 6 WAM verhaal op de WAM-verzekeraar van de man voor de kosten – uitkeringen en voorzieningen – die zij op grond van de WAO ten behoeve van de vrouw had gemaakt. De Hoge Raad overwoog dat een redelijke toepassing van de WAO meebrengt dat, wanneer op het tijdstip van het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid het slachtoffer en de aansprakelijke persoon met elkaar in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, aan de bedrijfsvereniging geen verhaalsrecht op de voet van artikel 90 WAO toekomt jegens de aansprakelijke echtgenoot en daarom ook niet jegens diens WAM-verzekeraar. Een andere opvatting zou volgens de Hoge Raad, nu zowel de schuld van de aansprakelijke echtgenoot aan de bedrijfsvereniging als de uitkeringen aan de andere, arbeidsongeschikte echtgenoot in de wettelijke gemeenschap van goederen zouden vallen, in strijd met de strekking van de WAO ertoe leiden dat de arbeidsongeschikte echtgenoot in feite zou worden verstoken van hetgeen hem krachtens de WAO toekomt, terwijl bij de aanspraken op grond van deze wet noch het huwelijk, noch aansprakelijkheid voor de gebeurtenis die tot de arbeidsongeschiktheid leidt, een rol speelt.
4.6.
Ten aanzien van ongehuwd samenwonenden heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 25 januari 1991 (ECLI:NL:HR:1991:ZC0121, ABP/ [partij arrest] ) in vergelijkbare zin geoordeeld. In deze zaak voerden het slachtoffer en de aansprakelijke partner al vóór het ongeval een gemeenschappelijke huishouding. De Hoge Raad overwoog onder meer:
“(…)
In een geval als het onderhavige, waarin de aansprakelijke persoon en de ambtenaar (…) samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren ‘in het kader van een ongehuwd samenwonen’, gelden de overwegingen waarvan de Hoge Raad is uitgegaan ten aanzien van echtgenoten (…) in gelijke mate, aangezien ook hier de uitkeringen aan het slachtoffer in feite zullen worden aangewend ter bestrijding van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, terwijl anderzijds hetgeen de aansprakelijke partner schuldig zou worden aan het ABP als regel in feite zou worden betaald uit de gezamenlijke inkomsten, waaronder de uitkeringen, zodat het slachtoffer in feite zou worden verstoken van zijn uitkeringen. (…)”
Toegepast op het geschil in deze zaak
4.7.
Achmea stelt zich met een beroep op de bovengenoemde jurisprudentie op het standpunt dat regres op grond van artikel 99 WIA op haar als WAM-verzekeraar niet mogelijk is, omdat [betrokkene1] en [betrokkene2] ten tijde van het ongeval ongehuwd samenwoonden. Volgens het UWV was toen van samenwoning tussen [betrokkene1] en [betrokkene2] (nog) geen sprake en doet dat ook niet ter zake, omdat [betrokkene2] al geruime tijd was overleden op het moment dat het UWV uitkeringen aan [betrokkene1] ging verstrekken.
4.8.
Partijen verschillen dus van mening over de vraag naar welk moment moet worden beoordeeld of in dit geval sprake is van samenwonen: de datum van het ongeval (zoals Achmea aanvoert) of de datum waarop het slachtoffer een uitkering ontving (zoals het UWV betoogt).
4.9.
De vordering waarom het hier gaat, is de (vermeende) regresvordering van het UWV op Achmea. Regres is een eigen, aan het UWV toekomend recht. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom – anders dan Achmea meent – voor de beoordeling van de vraag of sprake is van samenwonen niet worden uitgegaan van de datum van het ongeval. Op het moment van het ongeval was immers van een vordering van het UWV nog geen sprake. Die vordering is pas ontstaan op het moment dat het UWV uitkeringen aan [betrokkene1] is gaan doen, oftewel op 23 juni 2008, 104 weken na het ongeval.
4.10.
De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het hierboven onder 4.5 genoemde arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1987. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat aan de bedrijfsvereniging geen verhaalsrecht toekwam op de WAO-uitkeringen waarop het slachtoffer ná het huwelijk recht had gekregen. Het peilmoment van het samenwonen was dus het moment waarop de vrouw een uitkering ontving, en niet het moment van het ongeval. Het huwelijk, dat een kleine twee jaar na het ongeval plaatsvond, zou in de beoordeling van de Hoge Raad immers niet relevant zijn geweest indien het moment van het ongeval als peilmoment van het samenwonen zou zijn gehanteerd.
Dictum
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat het UWV jegens Achmea recht heeft op verhaal van de door hem op grond van de WIA en de daarop berustende bepalingen met ingang van 23 juni 2008 ten behoeve van [betrokkene1] gemaakte kosten, binnen de grenzen die de WIA stelt, en veroordeelt Achmea tot vergoeding hiervan,
5.2.
veroordeelt Achmea in de proceskosten, aan de zijde van het UWV tot op heden begroot op € 1.842,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt Achmea in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Achmea niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
5.4.
verklaart de beslissingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2021.
JE/St