Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2020-01-24
ECLI:NL:RBGEL:2020:451
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,835 tokens
Inleiding
proces-verbaal/uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 8187214 \ BR VERZ 19-880 \ 814
cjib-nr / registratienr [CJIB-nummer] / [nummer]
zitting van 10 januari 2020
proces-verbaal/beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
[betrokkene]
wonende te [adres]
betrokkene
gemachtigde mr. [gemachtigde]
tegen
de officier van justitie
De zaak is behandeld op de openbare zitting door de kantonrechter
mr. G.W.B. Heijmans, bijgestaan door H. Jansen als griffier.
Namens de officier van justitie is aanwezig, mr. J. Meerdink, medewerker van de Centrale Verwerkingseenheid Openbaar Ministerie als zittingsvertegenwoordiger, hierna te noemen de officier van justitie.
Betrokkene en gemachtigde zijn niet verschenen.
Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het parkeren van een voertuig, met kenteken [kenteken] , op een parkeerplaats voor vergunninghouders
(bord E9) zonder vergunning voor dat voertuig, op 25 juni 2018 om 11.31 uur, te Ede, [adres] .
De officier van justitie verklaart – zakelijk weergegeven – het volgende:
Ik verzoek het beroep ongegrond en het verzoek om toekenning van proceskosten af te wijzen.
De kantonrechter sluit de behandeling en bepaalt de uitspraak op 24 januari 2020.
Gronden voor de beslissing:
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, met bovenvermeld CJIB-nummer.
Gelet op de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 23 december 2009 (ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020) dient de kantonrechter ambtshalve te beoordelen of het beroep bij de officier van justitie tegen de initiële beschikking tijdig is ingesteld.
De termijn waarbinnen tegen de inleidende beschikking beroep kan worden ingesteld, bedraagt 6 weken op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen de inleidende beschikking van 26 november 2018 heeft betrokkene eerst op 8 februari 2019 en daarmee buiten de wettelijke termijn een beroepschrift ingediend. Een te laat beroepschrift kan op grond van artikel 6:11 van Awb toch ontvankelijk als wordt geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift redelijkerwijs niet in verzuim is geweest.
In het beroepschrift tegen de inleidende beschikking is erkend dat sprake is van een termijnoverschrijding. Aangegeven is dat betrokkene niet eerder kennis heeft kunnen nemen van de beschikking omdat hij in detentie zat. Ter onderbouwing is een bewijs van detentie van 28 november 2018 bijgevoegd, waaruit volgt dat betrokkene op 11 november 2018 in verzekering is gesteld en vanaf 13 november 2018 gedetineerd was in [detentieadres] . Ten tijde van het opstellen van deze verklaring was geen einddatum bekend, omdat betrokkene in preventieve hechtenis zat.
De kantonrechter is van oordeel dat de detentieverklaring geen reden vormt om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Allereerst is van belang dat uit die verklaring niet blijkt dat betrokkene tijdens de gehele beroepstermijn van zes weken in detentie heeft gezeten.
Verder is de kantonrechter van oordeel dat iemand die door omstandigheden tijdelijk niet op zijn huisadres verblijft, passende en toereikende maatregelen moet nemen voor de verzorging van zijn post. Van betrokkene kan worden verlangd dat hij bijvoorbeeld door een ander zijn post laat openen, of dat hij zijn post door laat sturen naar het adres waar hij tijdelijk verblijft.
De kantonrechter merkt volledigheidshalve nog op dat het hoofd van de Penitentiaire Inrichting (PI) op grond van artikel 2.40, vijfde lid, van de Wet Basisregistratie personen (Brp) een gedetineerde, die zijn woonadres heeft in de PI tijdig schriftelijk moet wijzen op de mogelijkheid om aangifte te doen van een briefadres. De kantonrechter kan in dit geval niet vaststellen of betrokkene daar in dit geval op had moeten worden gewezen. Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2437) is de kantonrechter echter van oordeel dat deze bepaling niet afdoet aan de primaire verantwoordelijkheid van betrokkene om zelf zorg te dragen voor een juiste inschrijving in de Brp en om maatregelen te treffen voor de verzorging van zijn post.
Het beroep tegen de beschikking is ten onrechte ontvankelijk verklaard. De kantonrechter zal daarom het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en vernietigen en hetgeen doen wat de officier van justitie had behoren te doen, het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaren.
Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3197).
Er zal daarom als volgt worden beslist.
Dictum
De kantonrechter:
-verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
-verklaart het beroep van betrokkene tegen de inleidende beschikking alsnog
niet-ontvankelijk;
-wijst het verzoek om toekenning van proceskosten af.
Waarvan proces-verbaal,
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. G.W.B. Heijmans, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De kantonrechter,
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, doch alleen indien:
a. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 70,00 bedraagt, of
b. het beroepschrift niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.
Het beroepschrift dient schriftelijk te worden ingediend bij de rechtbank Gelderland, Team strafrecht, Mulderzaken, kamer H.1.100, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem en dient door degene die beroep heeft ingesteld, of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend. Beroepschriften die per e-mail worden ingediend, kunnen gezien de wettelijke regeling niet in behandeling worden genomen.