Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2019-06-11
ECLI:NL:RBGEL:2019:2605
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,936 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: 18/6913 en 19/203
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juni 2019
in de zaken tussen
[naam 1] , te [plaats 1] eiseres,
en
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister)
(gemachtigde: mr. S.C.M. Keijser-Vermeulen),
[naam 2] op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat ( [naam 2] )
(gemachtigde: mr. A. Divis-Stein).
Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft de minister een projectplan Waterwet (het projectplan 2018) vastgesteld in het kader van het project Herinrichting van de Afferdense en Deestse Waarden 2.0.
Eiseres heeft tegen het projectplan beroep ingesteld (zaaknummer 18/6913).
Bij koninklijk besluit van 22 november 2018 heeft [naam 2] op voordracht van de minister, besloten om het gedeelte van de weg vanaf Afferden in de richting van de Turkswaard, tot aan de Waalbandijk, gelegen in de Afferdens en Deestse Uiterwaarden, aan de linkeroever van de Waal, in de gemeente Druten, aan het openbaar verkeer te onttrekken.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (zaaknummer 19/203).
De minister en [naam 2] hebben elk afzonderlijk een verweerschrift ingediend.
De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 13 mei 2019. Namens eiseres zijn verschenen [x] , voorzitter, en [y] , secretaris. De minister is vertegenwoordigd door de gemachtigde, vergezeld door ing. K.G.J. Akkers, ing. L.A.W.E. Peeters en K. Oostinga. [naam 2] is vertegenwoordigd door de gemachtigde, vergezeld door S. Marselli-Velasco.
Overwegingen
1. In de Afferdense en Deestse Waarden (het gebied) heeft zand- en grindwinning plaatsgevonden. In 1999 is een inrichtingsplan opgesteld waarin is weergegeven hoe het gebied na de winning door de concessiehouder zal worden ingericht. Sinds 2008 zijn met de concessiehouder een aantal wijzingen op het inrichtingsplan overeengekomen. De minister heeft op 14 mei 2013 een projectplan Waterwet vastgesteld voor het gebied (het projectplan 2013).
1.1.
Bij het nu bestreden projectplan heeft de minister het projectplan 2013 gewijzigd. Aan deze wijziging ligt het ‘Inrichtingsplan 2016 ADW, Toegift aan de natuur’ van 19 maart 2018 ten grondslag. Bij het projectplan 2018 is de Nota van antwoord gewijzigd projectplan Waterwet Afferdense en Deestse Waarden 2.0 van 14 september 2018 (de nota) gevoegd, waarin de reactie op de door eiseres ingediende zienswijze is opgenomen.
1.2.
Bij het koninklijk besluit heeft [naam 2] een gedeelte van de weg vanaf Afferden in de richting van de Turkswaard aan het openbaar verkeer onttrokken. Hieraan ligt het projectplan 2013 ten grondslag. Door de in dat plan opgenomen verlaging van delen van de uiterwaarden en het aanleggen van een meestromende nevengeul komt de weg grotendeels te vervallen en verliest deze zijn functie van openbare weg.
2. Eiseres is een vereniging met als doel het bevorderen en verheffen van de hengelsport, het verdedigen van de belangen van die sport en het beschermen en verbeteren van de visstand. Zij huurt visrechten in het gebied. Door de realisatie van het inrichtingsplan en het besluit tot onttrekking aan de openbaarheid van een gedeelte van de weg wordt de leden de toegang tot het westelijk gelegen viswater (het grindgat) – anders dan te voet – onmogelijk gemaakt. Voor de goede uitoefening van de visrechten is het volgens eiseres ook noodzakelijk dat haar leden toegang hebben tot het viswater met vaar- en voertuigen.
Concreet vordert eiseres het volgende:
- goede toegang tot het grindgat via de voetgangersbrug en over het water;
- voldoende parkeergelegenheid bij de voetgangersbrug;
- toegangsmogelijkheden met auto en aanhanger voor een beperkt aantal personen voor visstandbeheer, onderhoud en handhaving.
Projectplan 2018
3. Artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Waterwet luiden – voor zover van belang – als volgt:
1. De aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder geschiedt overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan. Met de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt gelijkgesteld de uitvoering van een werk tot beïnvloeding van een grondwaterlichaam.
2 Het plan bevat ten minste een beschrijving van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk.
4. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen is het aan het bevoegd gezag om alle verschillende bij het projectplan betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de toetsing van dat plan te beperken tot de vraag of het bevoegd gezag in redelijkheid tot de vaststelling van het projectplan heeft kunnen komen.
5. Wat betreft de toegang tot het grindgat via de voetgangersbrug en over het water overweegt de rechtbank het volgende.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de toegang tot het grindgat niet verandert door het projectplan 2018.
Het projectplan 2013 voorzag al in een voetgangersbrug. Bovendien stelt de minister terecht dat de voetgangersbrug geen wijziging van het waterstaatswerk inhoudt en daarom geen deel uitmaakt van de projectplannen 2013 en 2018.
Wat betreft de toegang van het grindgat over water stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het projectplan 2018 geen wijziging inhoudt ten opzichte van het projectplan 2013. Volgens beide projectplannen is er vanaf de Waal een open verbinding naar het grindgat via de meestromende nevengeul. Eiseres voert aan dat het niet is toegestaan om vanaf de Waal de nevengeul op te varen. Ter zitting is gebleken dat de vraag of de genoemde nevengeul bevaren mag worden, niet is geregeld in het projectplan 2018 of 2013, maar dat het voorgenomen verbod om de nevengeul in te varen zal worden ingesteld door middel van een apart verkeersbesluit op grond van het Rijnvaartpolitiereglement, en dat tegen dit besluit rechtsmiddelen zullen openstaan.
Omdat daarmee de toegang tot het grindgat via de voetgangersbrug en over het water niet wijzigt in het projectplan 2018 treffen de beroepsgronden die hierover gaan geen doel.
6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat bij de voetgangersbrug voldoende parkeergelegenheid moet komen.
Uit het projectplan 2018 (pagina 10) blijkt dat bij Deest, Afferden en Druten kleinschalige parkeergelegenheid wordt gerealiseerd, en dat dit geen verandering van het waterstaatswerk is. In het verlengde hiervan is de rechtbank van oordeel dat ook het door eiseres ingenomen standpunt over parkeergelegenheid bij de voetgangersbrug niet ziet op wijziging van het waterstaatswerk. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel.
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er voor een beperkt aantal personen toegangsmogelijkheden met auto en aanhanger moeten zijn voor visstandbeheer, onderhoud en handhaving.
De toegang tot het grindgat verandert in het projectplan 2018 niet ten opzichte van het projectplan 2013. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel.
8. Eiseres voert aan dat het projectplan onvoldoende voorziet in compenserende maatregelen voor de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk, te weten de verminderde toegankelijkheid van het grindgat.
Uit de overwegingen die hiervoor onder 5, 6 en 7 zijn opgenomen volgt dat de toegankelijkheid van het grindgat niet verandert door het projectplan 2018. Dat betekent dat in het projectplan niet hoeft te worden voorzien in compenserende maatregelen voor de toegankelijkheid van het grindgat. De beroepsgrond treft geen doel.
Onttrekking weg aan openbaar verkeer
9. Artikel 8, eerste lid van de Wegenwet luidt als volgt:
Een weg, welke door het Rijk wordt onderhouden, kan aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een door Ons te nemen besluit.
10. Volgens vaste rechtspraak komt aan [naam 2] daarbij een ruime mate van beleidsruimte toe. De rechter dient de aanwending daarvan te beoordelen aan de hand van de maatstaf of er strijd is met wettelijke voorschriften dan wel of de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan.
11. Ter zitting is gebleken dat de weg vanaf Deest naar de Turkswaard openbaar is en blijft. Deze weg is de toegang naar een woning. Omdat geen parkeermogelijkheid bestaat aan het eind van deze weg, wordt ervan uitgegaan dat de weg alleen door de bewoners van de woning zal worden gebruikt.
Uit de kaartjes die eiseres bij het beroepschrift heeft overgelegd, blijkt dat de weg van Afferden naar de Turkswaard die aan het openbaar verkeer is onttrokken bestaat uit een gedeelte dat (globaal) van zuid naar noord loopt, en een volgend gedeelte dat (globaal) van west naar oost loopt tot het punt waar deze weg aansluit op de weg van Deest naar de Turkswaard. Het beroep van eiseres is gericht tegen de onttrekking van het gedeelte dat van west naar oost loopt, en dus niet op het gedeelte ter plaatse van de meestromende nevengeul. Eiseres wil dat het weggedeelte dat van west naar oost loopt en vervolgens aansluit op de weg van Deest naar Turkswaard, openbaar blijft zodat het grindgat vanaf Deest met een auto bereikbaar is.
12. De rechtbank stelt ten aanzien van de toegankelijkheid van het grindgat na realisering van het inrichtingsplan het volgende vast.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. W.P.C.G. Derksen en mr. R.J.B. Schutgens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen, griffier.
Dictum
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Zie onder meer de uitspraken van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1311, en 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:689.
Zie onder meer de uitspraken van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1311, en 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:689.