Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-10-11
ECLI:NL:RBGEL:2017:6592
vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zutphen zaaknummer / rolnummer: C/05/316273 / HZ ZA 17-106 Vonnis van 11 oktober 2017 in de zaak van [naam eiser] , wonende te [plaatsnaam] , gemeente Waalwijk, eiser, advocaat mr. R. Teerink te Tilburg, tegen [naam gedaagde] , wonende te [plaatsnaam] , gedaagde, advocaat mr. J.S. Wurfbain te Ede Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 5 april 2017 het proces-verbaal van comparitie van 19 juli 2017 de brief van mr. Teerink van 25 juli 2017. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op [datum] 2013 is [naam erflater] (hierna: erflater) overleden. Uit het huwelijk van erflater en mevrouw [naam moeder] (hierna: moeder) zijn twee kinderen geboren, te weten [eiser] en [naam kind 2] . Moeder is op [datum] 1993 overleden. 2.2. Ten tijde van het overlijden van erflater was [gedaagde] geregistreerd partner van erflater. [naam dochter gedaagde] is de dochter van [gedaagde] (uit een eerder huwelijk). 2.3. In het op 19 mei 2010 door erflater verleden testament is onder meer het volgende bepaald:“(…) B. ERFSTELLING Ik benoem mijn partner tot mijn enige erfgenaam. (…) C. TWEETRAPSMAKING 1. Ik bepaal dat hetgeen van mijn nalatenschap bij het overlijden van mijn partner onverteerd aanwezig is, toekomt aan mijn kinderen en (…) [naam dochter gedaagde] , gezamenlijk en voor gelijke delen, met dien verstande dat indien een van hen vóór of tegelijk met mijn partner overlijdt met achterlating van afstammelingen, deze afstammelingen voor de overledene in de plaats treden voor de delen en op de wijze als in de wet voor plaatsvervulling is bepaald, hierna elk te noemen: “verwachter”. 2. Mijn partner is daarom erfgenaam onder de ontbindende voorwaarde dat bij haar overlijden een verwachter bestaat. De verwachters zijn erfgenaam onder dezelfde opschortende voorwaarde. 3. Voormelde benoeming van de afstammelingen van mijn partner tot erfgenaam onder opschortende voorwaarde geschiedt voorts onder de ontbindende voorwaarde dat bij het overlijden van mijn partner zou blijken dat: a. mijn kinderen casu quo hun afstammelingen niet op gelijke wijze als genoemde [naam dochter gedaagde] casu quo haar afstammelingen als erfgenaam en/of legataris tot de nalatenschap van mijn partner zouden zijn gerechtigd, of b. mijn partner aan genoemde [naam dochter gedaagde] of diens echtgenoot, partner of bloed- of aanverwant in de rechte lijn schenkingen heeft gedaan, tenzij zij aan de andere verwachters eveneens schenkingen heeft gedaan, zodat alle verwachters schenkingen hebben ontvangen in een gelijke verhouding als waarin de verwachters tot mijn nalatenschap zijn gerechtigd, waarbij de schenkingen gedaan aan een echtgenoot, partner of bloed- of aanverwant in de rechte lijn van een verwachter worden toegerekend aan de verwachter. 4. Voor de verhouding tussen mijn partner en de verwachters met betrekking tot mijn nalatenschap, hierna ook te noemen het bezwaarde vermogen, gelden de volgende bepalingen: a. Mijn partner moet binnen een jaar na mijn overlijden een beschrijving opmaken van het bezwaarde vermogen. (…) d. Mijn partner behoeft jegens de verwachters geen zekerheid te stellen. e. Mijn partner moet het bezwaarde vermogen afzonderlijk administreren en zoveel mogelijk afzonderlijk beleggen. Vruchten van dit vermogen behoren daartoe zolang zij niet ten behoeve van het overige vermogen van mijn partner zijn afgezonderd. (…) g. Mijn partner is onvoorwaardelijk bevoegd om de tot het vermogen behorende goederen te vervreemden en om het vermogen te verteren, met dien verstande dat zij niet bevoegd is ten laste daarvan schenkingen te doen, tenzij deze schenkingen plaatsvinden aan de verwachters in een gelijke verhouding als waarvan de verwachters tot mijn nalatenschap zijn gerechtigd. D. EXECUTEUR Ik benoem tot executeur: mijn partner (…).” 2.4. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de s De regels met betrekking tot vruchtgebruik kunnen niet onverkort van toepassing zijn op de situatie na een tweetrapsmaking. [gedaagde] doet hierbij een beroep op een artikel van mr. J.B. Vegter (WPNR 6486/2002), die concludeert dat de verwijzing in artikel 4:138 BW naar de vruchtgebruikbepalingen van regelend recht is, ook voor wat betreft de wetsbepalingen die voor de toepassing van het vruchtgebruik van dwingend recht zijn. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de achterliggende gedachte bij de tweetrapsmaking is dat de erflater twee erfgenamen in tijd na elkaar benoemt, waarbij de nalatenschap in de eerste periode na het overlijden van erflater toekomt aan de langstlevende echtgenoot en nadat die is overleden aan de erfgenamen die vervolgens in het testament zijn benoemd. Gedurende de eerste periode staat het de eerste erfgenaam vrij om als volwaardige erfgenaam te handelen behoudens de regels die de erflater in het testament heeft gesteld. De positie van de bezwaarde in een tweetrapsmaking is in die zin niet dezelfde als die van een vruchtgebruiker. [gedaagde] heeft voldaan aan de verplichtingen uit het testament. Haar positie als bezwaarde kan niet nog verder worden beperkt. De inhoud en omvang van de nalatenschap zal niet wijzigen omdat de nalatenschap voornamelijk bestaat uit twee panden. [gedaagde] is bereid [eiser] in een voorkomend geval (achteraf) te informeren over de verkoop van een of beide woningen. Mede gelet op haar broze gezondheid kan [gedaagde] een jaarlijkse confrontatie met [eiser] niet meer opbrengen. Bovendien is zij niet administratief onderlegd en dient zij steeds professionele hulp in te schakelen, wat de nodige kosten met zich brengt.Huurpenningen zijn vruchten van goederen en vallen dus niet onder de jaarlijkse opgaveplicht van artikel 3:205 lid 4 BW. 5 De beoordeling 5.1. Kernvraag in het onderhavige geschil is of [gedaagde] jegens [eiser] gehouden is met betrekking tot de nalatenschap van erflater jaarlijks opgave te doen als bedoeld in artikel 3:205 lid 4 BW. 5.2. Het gaat in het onderhavige geval om een erfstelling die onder een voorwaarde is gemaakt. Voor voorwaardelijke erfstellingen is in artikel 4:138 lid 2 BW de interne verhouding tussen de erfgenaam onder ontbindende voorwaarde en de erfgenaam onder opschortende voorwaarde geregeld. Daarbij is bepaald dat, zolang de vervulling van de voorwaarde onzeker is (in dit geval het overlijden van [gedaagde] ), de wettelijke voorschriften betreffende het vruchtgebruik overeenkomstige toepassing vinden. Dientengevolge is degene aan wie het vermaakte tot de vervulling der voorwaarde toekomt verplicht het vermaakte gelijk een vruchtgebruiker te bewaren en in stand te houden, tenzij de erflater hem de bevoegdheid heeft toegekend om de goederen te verteren en onvoorwaardelijk te vervreemden, aldus eveneens lid 2 van artikel 4:138 BW. Tot de wettelijke voorschriften betreffende het vruchtgebruik behoort onder meer de in artikel 3:205 lid 4 opgenomen verplichting van de vruchtgebruiker om jaarlijks aan de hoofdgerechtigde een ondertekende nauwkeurige opgave te zenden van de goederen die niet meer aanwezig zijn, van de goederen die daarvoor in de plaats zijn gekomen, en van de voordelen die de goederen hebben opgeleverd en die geen vruchten zijn. In lid 5 van artikel 3:205 lid 5 BW is bepaald dat de vruchtgebruiker niet kan worden vrijgesteld van (onder meer) de verplichting van lid 5. 5.3. In de literatuur (onder meer door Stollenwerck in zijn dissertatie “Het fidei-commis de residuo”, 1986) is kritiek geuit op het in algemene bewoordingen van toepassing verklaren van de vruchtgebruikbepalingen, omdat niet alle bepalingen voor overeenkomstige toepassing in aanmerking zouden komen op het fideïcommis de residuo (ofwel tweetrapsmaking met vervreemdings- en verteringsbevoegdheid). Naar aanleiding van kamervragen die in verband met deze kritiek zijn gesteld, heeft de minister - voor zover van belang - het volgende opgemerkt (MvA 17 141, nr. 12 (zitting 1992-1993): “ 307 en 308, Verstappen, WPNR 6509/2002; anders: Vegter, Over de wettelijke vormgeving van het fideïcommis de residuo en in het bijzonder over het overeenkomstig van toepassing zijn van de vruchtgebruikbepalingen op dit fideïcommis, WPNR 6486/2002).Indien de uitlatingen van de minister aldus geïnterpreteerd moeten worden dat ook de toepasselijkheid van dwingendrechtelijke bepalingen afhankelijk is van de concrete aard en de inhoud van de voorwaardelijke erfstelling, geldt dat in de concrete rechtsverhouding tussen [gedaagde] en [eiser] uitgegaan dient te worden van de toepasselijkheid van de verplichting tot jaarlijkse opgave als bedoeld in artikel 3:205 lid 4 BW. Hiervoor is met name relevant het beginsel van zaaksvervanging (artikel 4:138 lid 2 BW juncto 3:213 BW). Op grond van dit beginsel heeft een verwachter in beginsel recht op de goederen die voor de oorspronkelijke, door de bezwaarde geërfde goederen in de plaats zijn gekomen. Door een jaarlijkse opgave krijgt de verwachter een beter inzicht met betrekking tot de vraag ten aanzien van welke goederen zaaksvervanging aan de orde is geweest. Dit geldt ook in het onderhavige geval, waarbij van het bezwaarde vermogen onder meer deel uitmaken twee woningen, banksaldi en een auto. Redengevend is tevens dat erflater heeft bepaald dat [gedaagde] niet bevoegd is ten laste van het vermogen schenkingen te doen, tenzij deze schenkingen plaatsvinden aan de verwachters in een gelijke verhouding als waarin de verwachters tot de nalatenschap van erflater gerechtigd zijn (artikel C, lid 4 sub g van het testament). Een jaarlijkse opgave is voor [eiser] dus ook van belang om kennis te nemen van eventuele schenkingen die door [gedaagde] uit het bezwaarde vermogen zijn gedaan. Op grond van het voorgaande is de toepasselijkheid van artikel 3:205 lid 4 BW in het onderhavige geval – in de woorden van de minister – als een redelijke uitkomst aan te merken. De toezegging van [gedaagde] dat zij [eiser] op de hoogte zal stellen van een eventuele verkoop van een of beide woningen kan [gedaagde] niet baten, nu het bezwaarde vermogen uit meer dan de twee woningen bestaat. Evenmin zijn de gestelde broze gezondheid van [gedaagde] en de kosten voor het inschakelen van professionele hulp redenen om de vordering van [eiser] af te wijzen. Nu bovendien in het testament niet ondubbelzinnig is afgeweken van het bepaalde in artikel 3:205 lid 4 BW, ligt de vordering tot het doen van een (jaarlijkse) opgave voor toewijzing gereed. 5.6. Tussen partijen is tevens in geschil of de huurpenningen die uit de verhuur van het appartement op Tenerife worden ontvangen in die (jaarlijkse) opgave opgenomen dienen te worden. Volgens [eiser] zijn de huurpenningen aan te merken als “voordelen die de goederen hebben opgeleverd en die geen vruchten zijn”, als bedoeld in artikel 3:205 lid 4 BW. Hij heeft erop gewezen dat in het testament van erflater is bepaald dat vruchten ook tot het vermogen behoren en afzonderlijk geadministreerd en belegd moeten worden. [gedaagde] heeft de stellingen van [eiser] betwist. Zij heeft aangevoerd dat huurpenningen vruchten zijn en dus niet gemeld hoeven te worden. De bepaling uit het testament ziet volgens haar alleen op het afzonderlijk administreren en niet op de jaarlijkse opgave. Hieromtrent wordt het volgende overwogen. 5.7. Huurpenningen dienen volgens verkeersopvatting te worden aangemerkt als een (burgerlijke) vrucht (artikel 3:9 lid 2 BW). Zodra de huurpenningen opeisbaar zijn, vormen zij een zelfstandige zaak (artikel 3:9 lid 4 BW). Op grond van artikel 4:138 lid 2 BW juncto 3:216 BW komen alle huurpenningen die opeisbaar worden tot aan de vervulling van de voorwaarde toe aan [gedaagde] . In afwijking van laatstgenoemde bepaling is in het testament van erflater bepaald dat vruchten van het bezwaarde vermogen tot dat bezwaarde vermogen behoren zolang zij niet ten behoeve van het overige vermogen van [gedaagde] zijn afgezonderd (artikel C, lid 4 sub e). Deze bepaling is duidelijk en niet v