Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2016-06-07
ECLI:NL:RBGEL:2016:3015
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,539 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 15/4796
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], te [Ede], eiser,
en
[verweerder] te [plaats], verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden L. van Dinter en R. Pietersen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S. El Hankouri.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Bij brief van 28 oktober 2014 heeft eiser administratief beroep ingesteld tegen een verkeersboete. In dit administratief beroepschrift heeft hij, onder vermelding van de Wet openbaarheid van bestuur (verder: Wob) verzocht hem nader aangeduide stukken toe te zenden. Bij brieven van 19 december 2014 en van 14 april 2015 heeft verweerder gereageerd op het verzoek om stukken toe te zenden. Tegen laatstgenoemde brief heeft eiser bij brief van 18 april 2015 bezwaar gemaakt. Bij brief van 22 juni 2015 heeft verweerder gereageerd op eisers dwangsomvordering. Hiertegen heeft eiser bij brief van 30 juni 2015 bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder op deze bezwaarschriften beslist.
2. Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de reactie op het verzoek om toezending van stukken geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb is, zodat daar geen bezwaar tegen kan worden gemaakt, en dat daarom de dwangsomregeling ook niet van toepassing is.
3. Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.
4. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
In het tweede lid van artikel 1:3 van de Awb is bepaald dat onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder een aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.
5. Eiser heeft in het administratief beroepschrift van 28 oktober 2014 uitdrukkelijk verwezen naar de Wob. Niettemin maakt dat niet zonder meer dat dan ook sprake is van een Wob-verzoek (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 20 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2014:3106). Of een verzoek een Wob-verzoek is, wordt bepaald aan de hand van het oogmerk waarmee het verzoek is gedaan.
Het Wob-verzoek is gedaan in een administratief beroepschrift tegen een verkeersboete. Eiser heeft in dit beroepschrift gesteld: “Om dit beroepschrift volledig te kunnen onderbouwen, is nadere informatie nodig en wordt via de Wet Openbaarheid van Bestuur als onlosmakelijk onderdeel van dit PF beroepschrift gevraagd om de volgende documenten […]”. Hieruit blijkt dat het oogmerk van eiser om over de stukken te beschikken de onderbouwing van zijn administratief beroepschrift is. Dat door eiser (eerst) ter zitting is betoogd dat de stukken in het kader van het algemeen belang zijn gevraagd, dat de rechtbank opvat als: openbaarmaking voor een ieder, maakt dit niet anders.
6. Dit betekent dat het verzoek van eiser geen Wob-verzoek of anderszins een aanvraag om een besluit te nemen is, zodat de reactie daarop daarom geen besluit in de zin van de Awb is. Dit betekent evenzeer dat de beslistermijnen die gelden op grond van de Wob of de Awb dus niet van toepassing zijn. Zoals blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 11 juni 2014 in zaak nr. 201306938/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2014:2080) en van 1 juli 2015 in de zaak nr. 201409505/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2015:2031) is een mededeling van verweerder dat hij geen dwangsom verschuldigd is, dan niet een reactie gericht op rechtsgevolg, waaruit weer volgt dat zo’n beslissing niet appellabel is.
Verweerder heeft om die reden het bezwaar van eiser tegen de brieven van 14 april 2015 en 22 juni 2015 terecht niet-ontvankelijk verklaard.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in tegenwoordigheid van R. van Diest, griffier.
Dictum
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.