Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:9957
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,433 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9957 text/xml public 2026-04-28T13:04:30 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 NL 26.16398 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9957 text/html public 2026-04-28T13:03:45 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9957 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / NL 26.16398 Verzoek om een voorlopige voorziening. Beroep tegen afwijzing EU-verblijfsdocument. Aanspraak op sociale voorzieningen. Verzoek toegewezen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16398 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster], verzoekster V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S.J. van der Woude), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding In het besluit van 12 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een EU-verblijfsdocument ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep (NL26.16397) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de voorzieningenrechter om een verweerschrift in te dienen. De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Beoordeling door de voorzieningenrechter 1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. 2. Van de indiener van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt griffierecht geheven. Verzoekster heeft het verzoek gedaan om hiervan te worden vrijgesteld wegens betalingsonmacht. Nadat dit verzoek is afgewezen vanwege het niet tijdig aanleveren van de gevraagde gegevens over haar inkomen en vermogen, heeft verzoekster een herhaald verzoek gedaan dat alsnog is voorzien van deze gegevens. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. Van verzoekster zal dan ook geen griffierecht worden geheven. 3. In het bestreden besluit is verweerder bij zijn standpunt gebleven dat verzoekster geen aanspraak maakt op een EU-verblijfsdocument vanwege alleenstaand verzorgend ouderschap van een Nederlands minderjarig kind. Verweerder twijfelt namelijk aan de juistheid van de Nederlandse nationaliteit van de kinderen van verzoekster. Verzoekster voert aan dat zij in het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft onderbouwt dat het Nederlanderschap van haar kinderen niet kan worden aangetast, zodat dit beroep een redelijke kans van slagen heeft. 4. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om met voorrang op het verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen, omdat zij zonder toewijzing van het verzoek gelet op artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000 haar sociale rechten zal verliezen. Verzoekster heeft onderbouwd dat zij afhankelijk is van een uitkering en dat zij verblijft in een gemeentelijke opvangvoorziening. De vereiste onverwijlde spoed is hiermee gegeven. 5. Verweerder heeft ondanks het verzoek daartoe van de voorzieningenrechter geen verweerschrift ingediend. Hieruit maakt de voorzieningenrechter op dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal dan ook op de hierna te melden wijze het verzoek als kennelijk gegrond toewijzen. 6. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; schorst het bestreden besluit van 12 maart 2026 en bepaalt dat verzoekster niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat op haar beroep (NL26.16397) is beslist; veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro). Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9957 text/xml public 2026-04-28T13:04:30 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 NL 26.16398 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9957 text/html public 2026-04-28T13:03:45 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9957 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / NL 26.16398 Verzoek om een voorlopige voorziening. Beroep tegen afwijzing EU-verblijfsdocument. Aanspraak op sociale voorzieningen. Verzoek toegewezen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16398 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster], verzoekster V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S.J. van der Woude), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding In het besluit van 12 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een EU-verblijfsdocument ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep (NL26.16397) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de voorzieningenrechter om een verweerschrift in te dienen. De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Beoordeling door de voorzieningenrechter 1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. 2. Van de indiener van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt griffierecht geheven. Verzoekster heeft het verzoek gedaan om hiervan te worden vrijgesteld wegens betalingsonmacht. Nadat dit verzoek is afgewezen vanwege het niet tijdig aanleveren van de gevraagde gegevens over haar inkomen en vermogen, heeft verzoekster een herhaald verzoek gedaan dat alsnog is voorzien van deze gegevens. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. Van verzoekster zal dan ook geen griffierecht worden geheven. 3. In het bestreden besluit is verweerder bij zijn standpunt gebleven dat verzoekster geen aanspraak maakt op een EU-verblijfsdocument vanwege alleenstaand verzorgend ouderschap van een Nederlands minderjarig kind. Verweerder twijfelt namelijk aan de juistheid van de Nederlandse nationaliteit van de kinderen van verzoekster. Verzoekster voert aan dat zij in het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft onderbouwt dat het Nederlanderschap van haar kinderen niet kan worden aangetast, zodat dit beroep een redelijke kans van slagen heeft. 4. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om met voorrang op het verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen, omdat zij zonder toewijzing van het verzoek gelet op artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000 haar sociale rechten zal verliezen. Verzoekster heeft onderbouwd dat zij afhankelijk is van een uitkering en dat zij verblijft in een gemeentelijke opvangvoorziening. De vereiste onverwijlde spoed is hiermee gegeven. 5. Verweerder heeft ondanks het verzoek daartoe van de voorzieningenrechter geen verweerschrift ingediend. Hieruit maakt de voorzieningenrechter op dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal dan ook op de hierna te melden wijze het verzoek als kennelijk gegrond toewijzen. 6. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; schorst het bestreden besluit van 12 maart 2026 en bepaalt dat verzoekster niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat op haar beroep (NL26.16397) is beslist; veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro). Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.