Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:9818
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Bodemzaak
40,338 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9818 text/xml public 2026-05-04T09:39:19 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-28 C/09/670694 / HA ZA 24-673 en C/09/680657 / HA ZA 25-173 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9818 text/html public 2026-05-04T09:38:52 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9818 Rechtbank Den Haag , 28-01-2026 / C/09/670694 / HA ZA 24-673 en C/09/680657 / HA ZA 25-173 Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. Procedures tussen investeerders (obligatiehouders) in een factoring onderneming en (i) de direct en indirect bestuurders daarvan (c.q. daaraan gelieerde partijen) en (ii) de (ex-)echtgenote van één van die bestuurders. Tegen deel van gedaagen is verstek verleend. Hebben bestuurders onrechtmatig gehandeld door factoring-inkomsten niet te besteden conform de obligatievoorwaarden (onder meer door leningen aan gelieerde partijen te verstrekken)? Onrechtmatig profiteren van wanprestatie? Is (inmiddels ex-)echtgenote hoofdelijk (mede) aansprakelijk? RECHTBANK Den Haag Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/670694 / HA ZA 24-673 zaaknummer / rolnummer: C/09/680657 / HA ZA 25-173 Vonnis in gevoegde zaken van 28 januari 2026 in de zaak met zaaknummer C/09/670694 (hierna: zaak 1) van STICHTING OBLIGATIEHOUDERS DBS2 te Amstelveen, eiseres, advocaat: mr. C.M. Tjoa, tegen 1 JAMA INVEST B.V.te Warmond, gedaagde, niet verschenen, 2. [bedrijf 1] B.V. te [vestigingsplaats] , sinds 17 december 2024 in faillissement, gedaagde, niet verschenen, procedure van rechtswege geschorst en ambtshalve doorgehaald, 3. BEWI KATWIJK B.V. te Voorhout, gedaagde, advocaat: mr. M. Spaa, 4. [gedaagde 1] te [woonplaats 1] , gedaagde, niet verschenen, 5. [gedaagde 2] te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat: mr. M. Spaa, 6. HSM MATERIEEL B.V. te Voorhout, gedaagde, advocaat: mr. M. Spaa, en in de zaak met zaaknummer C/09/680657 (hierna: zaak 2) van STICHTING OBLIGATIEHOUDERS DBS2 te Amstelveen, eiseres, advocaat: mr. C.M. Tjoa, tegen [gedaagde zaak 2] te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat: mr. T. Meijer. Eiseres in beide zaken wordt hierna de Stichting genoemd. Gedaagden in zaak 1 worden hierna afzonderlijk Jama, [bedrijf 1] , Bewi, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en HSM genoemd en gezamenlijk: gedaagden. Bewi, [gedaagde 2] en HSM worden gezamenlijk ook Bewi c.s. genoemd. Gedaagde in zaak 2 wordt hierna [gedaagde zaak 2] genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure in zaak 1 blijkt uit: - de dagvaarding van 1 juli 2024, met producties 1 tot en met 43; - de akte overlegging aanvullende producties van de Stichting, tevens houdende wijziging van eis, met producties 44 tot en met 47; - de incidentele conclusie van Bewi c.s. tot oproeping in vrijwaring; - de incidentele conclusie van antwoord, met producties 48 en 49; - het vonnis in het incident van 5 februari 2025; - de conclusie van antwoord van Bewi c.s. met producties 1 tot en met 6; - het tussenvonnis van 16 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - de akte overlegging aanvullende producties van de Stichting, met producties 50 tot en met 52. 1.2. Het verloop van de procedure in zaak 2 blijkt uit: - de dagvaarding, tevens houdende incidentele vordering tot voeging, van 14 februari 2025, met producties 1 tot en met 49; - de incidentele conclusie van antwoord; - het vonnis in het voegingsincident van 9 april 2025; - de conclusie van antwoord met productie 1; - het tussenvonnis van 16 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - de akte overlegging aanvullende producties van de Stichting, tevens houdende wijziging van eis, met producties 50 tot en met 52. 1.3. Op 25 november 2025 heeft de mondelinge behandeling in beide zaken plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten toegelicht. Namens de Stichting en namens Bewi c.s. zijn pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. 1.4. Ten slotte is in beide zaken bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen. 2 De feiten in zaak 1 en 2 2.1. Op 25 november 2015 heeft Jama DBS2 Nederland B.V. (hierna: DBS2 Nederland) opgericht. Jama is enig aandeelhouder en bestuurder van DBS2 Nederland. Jama is tevens enig aandeelhouder en bestuurder van DBS2 B.V., DBS2 Factoring B.V. en DBS2 Factoring II B.V. 2.2. Het bestuur van Jama wordt sinds 9 november 2012 gevormd door [bedrijf 1] en Bewi, die beide ook 50% van de aandelen in Jama houden. Van deze vennootschappen zijn respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] enig bestuurder en enig aandeelhouder. 2.3. Bewi is tevens enig aandeelhouder van HSM. [gedaagde 2] is sinds 21 oktober 2020 enig bestuurder van HSM. 2.4. [gedaagde 2] is op [dag] 2005 in gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde zaak 2] . Op 7 mei 2024 hebben zij huwelijkse voorwaarden laten opmaken. Op 4 november 2024 hebben zij een verzoek tot echtscheiding ingediend. In het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden heeft [gedaagde zaak 2] 99/100e aandeel en [gedaagde 2] 1/100e aandeel in de voormalige echtelijke woning verkregen. 2.5. Op 12 november 2024 is het (inmiddels onherroepelijke) faillissement van DBS2 Nederland op verzoek van de Stichting uitgesproken. 2.6. Op 17 december 2024 is het faillissement van [bedrijf 1] op eigen verzoek uitgesproken. 2.7. DBS2 Nederland dreef een onderneming in factoringdiensten, overwegend voor het mkb. Een factoringbedrijf houdt zich bezig met het kopen van vorderingen van bedrijven op derden om die vorderingen vervolgens zelf te innen bij die derden (de debiteuren). Door factoring wordt een vorm van financiering verstrekt aan de bedrijven van wie de vorderingen worden gekocht (de factoringklanten). DBS2 Nederland verdiende aan dit bedrijfsmodel door niet 100% van de geïnde factuurbedragen uit te betalen aan de factoringklant, maar een paar procent in te houden. Voor dit bedrijfsmodel is veel kapitaal nodig, omdat het factoringbedrijf (DBS2 Nederland) de facturen aan haar factoringklanten moet voldoen voordat zij deze heeft geïnd bij de debiteuren. Het benodigde kapitaal heeft DBS2 Nederland in overwegende mate opgehaald door middel van obligatieleningen. 2.8. In de periode 2016 tot en met 2020 heeft DBS2 Nederland in drie tranches 399 obligaties uitgegeven aan 68 verschillende obligatiehouders voor een bedrag van in totaal € 8.980.000,00, tegen 8% rente. Hiervan staat nog een bedrag van € 6.130.000,00 uit. 2.9. De drie tranches zijn telkens uitgegeven op basis van een informatiememorandum met als bijlage de toepasselijke obligatievoorwaarden. Deze drie informatiememoranda (hierna ook: IM) en de drie sets obligatievoorwaarden (hierna: de obligatievoorwaarden) zijn nagenoeg gelijkluidend. De obligatievoorwaarden bevatten verplichtingen voor DBS2 Nederland jegens de obligatiehouders, die onder meer zien op: de bestemming van de obligatielening en opbrengsten (artikel 3); rentebetalingen (artikel 6); aflossing (artikel 7); verzuim (artikel 12); en tussentijdse financiële rapportages (artikel 13). 2.10. In de IM wordt vermeld dat alle vorderingen die DBS2 Nederland overneemt van haar factoringklanten zijn verzekerd bij een kredietverzekeraar. Als de vordering meer dan 60 dagen te laat wordt betaald door de debiteur, dan draagt DBS2 Nederland het desbetreffende dossier over aan de verzekeraar, die bij wanbetaling of faillissement van de debiteur 90% van de vordering uitkeert aan DBS2 Nederland. 2.11. Op het voorblad van de IM staat: “ Let op! U belegt buiten AFM-toezicht. Geen prospectusplicht voor deze activiteit .” In hoofdstuk 7 van de IM worden risicofactoren genoemd die de financiële positie en daarmee de waarde van de obligaties mogelijk negatief kunnen beïnvloeden. In de IM van de eerste twee van de drie tranches (zie 2.8) staat onder meer: “(…) Investeren brengt altijd risico’s met zich mee. Er kunnen zich immers onverwachte ontwikkelingen voordoen, die de rendementsontwikkeling negatief beïnvloeden.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9818 text/xml public 2026-05-04T09:39:19 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-28 C/09/670694 / HA ZA 24-673 en C/09/680657 / HA ZA 25-173 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9818 text/html public 2026-05-04T09:38:52 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9818 Rechtbank Den Haag , 28-01-2026 / C/09/670694 / HA ZA 24-673 en C/09/680657 / HA ZA 25-173 Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. Procedures tussen investeerders (obligatiehouders) in een factoring onderneming en (i) de direct en indirect bestuurders daarvan (c.q. daaraan gelieerde partijen) en (ii) de (ex-)echtgenote van één van die bestuurders. Tegen deel van gedaagen is verstek verleend. Hebben bestuurders onrechtmatig gehandeld door factoring-inkomsten niet te besteden conform de obligatievoorwaarden (onder meer door leningen aan gelieerde partijen te verstrekken)? Onrechtmatig profiteren van wanprestatie? Is (inmiddels ex-)echtgenote hoofdelijk (mede) aansprakelijk? RECHTBANK Den Haag Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/670694 / HA ZA 24-673 zaaknummer / rolnummer: C/09/680657 / HA ZA 25-173 Vonnis in gevoegde zaken van 28 januari 2026 in de zaak met zaaknummer C/09/670694 (hierna: zaak 1) van STICHTING OBLIGATIEHOUDERS DBS2 te Amstelveen, eiseres, advocaat: mr. C.M. Tjoa, tegen 1 JAMA INVEST B.V.te Warmond, gedaagde, niet verschenen, 2. [bedrijf 1] B.V. te [vestigingsplaats] , sinds 17 december 2024 in faillissement, gedaagde, niet verschenen, procedure van rechtswege geschorst en ambtshalve doorgehaald, 3. BEWI KATWIJK B.V. te Voorhout, gedaagde, advocaat: mr. M. Spaa, 4. [gedaagde 1] te [woonplaats 1] , gedaagde, niet verschenen, 5. [gedaagde 2] te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat: mr. M. Spaa, 6. HSM MATERIEEL B.V. te Voorhout, gedaagde, advocaat: mr. M. Spaa, en in de zaak met zaaknummer C/09/680657 (hierna: zaak 2) van STICHTING OBLIGATIEHOUDERS DBS2 te Amstelveen, eiseres, advocaat: mr. C.M. Tjoa, tegen [gedaagde zaak 2] te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat: mr. T. Meijer. Eiseres in beide zaken wordt hierna de Stichting genoemd. Gedaagden in zaak 1 worden hierna afzonderlijk Jama, [bedrijf 1] , Bewi, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en HSM genoemd en gezamenlijk: gedaagden. Bewi, [gedaagde 2] en HSM worden gezamenlijk ook Bewi c.s. genoemd. Gedaagde in zaak 2 wordt hierna [gedaagde zaak 2] genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure in zaak 1 blijkt uit: - de dagvaarding van 1 juli 2024, met producties 1 tot en met 43; - de akte overlegging aanvullende producties van de Stichting, tevens houdende wijziging van eis, met producties 44 tot en met 47; - de incidentele conclusie van Bewi c.s. tot oproeping in vrijwaring; - de incidentele conclusie van antwoord, met producties 48 en 49; - het vonnis in het incident van 5 februari 2025; - de conclusie van antwoord van Bewi c.s. met producties 1 tot en met 6; - het tussenvonnis van 16 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - de akte overlegging aanvullende producties van de Stichting, met producties 50 tot en met 52. 1.2. Het verloop van de procedure in zaak 2 blijkt uit: - de dagvaarding, tevens houdende incidentele vordering tot voeging, van 14 februari 2025, met producties 1 tot en met 49; - de incidentele conclusie van antwoord; - het vonnis in het voegingsincident van 9 april 2025; - de conclusie van antwoord met productie 1; - het tussenvonnis van 16 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - de akte overlegging aanvullende producties van de Stichting, tevens houdende wijziging van eis, met producties 50 tot en met 52. 1.3. Op 25 november 2025 heeft de mondelinge behandeling in beide zaken plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten toegelicht. Namens de Stichting en namens Bewi c.s. zijn pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. 1.4. Ten slotte is in beide zaken bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen. 2 De feiten in zaak 1 en 2 2.1. Op 25 november 2015 heeft Jama DBS2 Nederland B.V. (hierna: DBS2 Nederland) opgericht. Jama is enig aandeelhouder en bestuurder van DBS2 Nederland. Jama is tevens enig aandeelhouder en bestuurder van DBS2 B.V., DBS2 Factoring B.V. en DBS2 Factoring II B.V. 2.2. Het bestuur van Jama wordt sinds 9 november 2012 gevormd door [bedrijf 1] en Bewi, die beide ook 50% van de aandelen in Jama houden. Van deze vennootschappen zijn respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] enig bestuurder en enig aandeelhouder. 2.3. Bewi is tevens enig aandeelhouder van HSM. [gedaagde 2] is sinds 21 oktober 2020 enig bestuurder van HSM. 2.4. [gedaagde 2] is op [dag] 2005 in gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde zaak 2] . Op 7 mei 2024 hebben zij huwelijkse voorwaarden laten opmaken. Op 4 november 2024 hebben zij een verzoek tot echtscheiding ingediend. In het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden heeft [gedaagde zaak 2] 99/100e aandeel en [gedaagde 2] 1/100e aandeel in de voormalige echtelijke woning verkregen. 2.5. Op 12 november 2024 is het (inmiddels onherroepelijke) faillissement van DBS2 Nederland op verzoek van de Stichting uitgesproken. 2.6. Op 17 december 2024 is het faillissement van [bedrijf 1] op eigen verzoek uitgesproken. 2.7. DBS2 Nederland dreef een onderneming in factoringdiensten, overwegend voor het mkb. Een factoringbedrijf houdt zich bezig met het kopen van vorderingen van bedrijven op derden om die vorderingen vervolgens zelf te innen bij die derden (de debiteuren). Door factoring wordt een vorm van financiering verstrekt aan de bedrijven van wie de vorderingen worden gekocht (de factoringklanten). DBS2 Nederland verdiende aan dit bedrijfsmodel door niet 100% van de geïnde factuurbedragen uit te betalen aan de factoringklant, maar een paar procent in te houden. Voor dit bedrijfsmodel is veel kapitaal nodig, omdat het factoringbedrijf (DBS2 Nederland) de facturen aan haar factoringklanten moet voldoen voordat zij deze heeft geïnd bij de debiteuren. Het benodigde kapitaal heeft DBS2 Nederland in overwegende mate opgehaald door middel van obligatieleningen. 2.8. In de periode 2016 tot en met 2020 heeft DBS2 Nederland in drie tranches 399 obligaties uitgegeven aan 68 verschillende obligatiehouders voor een bedrag van in totaal € 8.980.000,00, tegen 8% rente. Hiervan staat nog een bedrag van € 6.130.000,00 uit. 2.9. De drie tranches zijn telkens uitgegeven op basis van een informatiememorandum met als bijlage de toepasselijke obligatievoorwaarden. Deze drie informatiememoranda (hierna ook: IM) en de drie sets obligatievoorwaarden (hierna: de obligatievoorwaarden) zijn nagenoeg gelijkluidend. De obligatievoorwaarden bevatten verplichtingen voor DBS2 Nederland jegens de obligatiehouders, die onder meer zien op: de bestemming van de obligatielening en opbrengsten (artikel 3); rentebetalingen (artikel 6); aflossing (artikel 7); verzuim (artikel 12); en tussentijdse financiële rapportages (artikel 13). 2.10. In de IM wordt vermeld dat alle vorderingen die DBS2 Nederland overneemt van haar factoringklanten zijn verzekerd bij een kredietverzekeraar. Als de vordering meer dan 60 dagen te laat wordt betaald door de debiteur, dan draagt DBS2 Nederland het desbetreffende dossier over aan de verzekeraar, die bij wanbetaling of faillissement van de debiteur 90% van de vordering uitkeert aan DBS2 Nederland. 2.11. Op het voorblad van de IM staat: “ Let op! U belegt buiten AFM-toezicht. Geen prospectusplicht voor deze activiteit .” In hoofdstuk 7 van de IM worden risicofactoren genoemd die de financiële positie en daarmee de waarde van de obligaties mogelijk negatief kunnen beïnvloeden. In de IM van de eerste twee van de drie tranches (zie 2.8) staat onder meer: “(…) Investeren brengt altijd risico’s met zich mee. Er kunnen zich immers onverwachte ontwikkelingen voordoen, die de rendementsontwikkeling negatief beïnvloeden.
Volledig
Dit geldt ook voor investeringen in de Obligaties die worden aangeboden en uitgegeven door DBS2 Nederland.” (…) Rentebetalingsrisico op de Obligatielening (…) De Rente wordt in beginsel voldaan uit de opbrengst van DBS2 Nederland na uitwinning van de Vorderingen. DBS2 Nederland loopt een ondernemersrisico. Het kan (…) het geval zijn dat de financiële positie van DBS2 Nederland niet toereikend is om geheel of gedeeltelijk aan deze rentebetalingsverplichting te kunnen voldoen. Dit kan een beperking tot gevolg hebben voor DBS2 Nederland om aan haar betalingsverplichtingen (inclusief Hoofdsom en Rente) jegens de Obligatiehouders te voldoen. (…) Risico van aflossing en vervroegde aflossing (…) Het kan (…) het geval zijn dat de opbrengst na uitwinning van de Vorderingen onvoldoende is om de Obligatielening in zijn geheel af te lossen, dat herfinanciering niet (geheel) mogelijk is of dat om een andere reden de financiële positie van DBS2 Nederland niet toereikend is om aan (al) haar verplichtingen te kunnen voldoen. In dat geval kunnen de Obligaties in waarde dalen en/of niet volledig worden afgelost. (…) Tegenpartijenrisico (…) Zoals elke onderneming loopt DBS2 Nederland het risico dat een tegenpartij in een situatie kan komen te verkeren dat zij niet (geheel) aan haar financiële verplichtingen kan voldoen. (…) Niet-nakoming door tegenpartijen van hun financiële verplichtingen jegens DBS2 Nederland, dan wel het niet juist of volledig nakomen van deze financiële verplichtingen jegens DBS2 Nederland, dan wel het niet volledig uitkeren van de hoofdsom van de vordering door de kredietverzekeraar, kan een beperking tot gevolg hebben voor DBS2 Nederland om haar betalingsverplichtingen (inclusief Hoofdsom en Rente) jegens de Obligatiehouders te voldoen. (…) Faillissementsrisico Voor Obligatiehouders bestaat het risico van faillissement en/of surseance van betaling van DBS2 Nederland. Indien dit zich zou voordoen, verwezenlijkt het rentebetalings- en aflossingsrisico (zoals hiervoor is opgenomen).” 2.12. Obligatiehouders konden via investeringsmakelaar [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) inschrijven op de obligatieleningen. De IM en de obligatievoorwaarden waren voor de (potentiële) obligatiehouders beschikbaar via het platform van [bedrijf 2] . 2.13. De Stichting is op 4 juli 2014 opgericht en heeft blijkens de meest recente statutenwijziging van 6 juli 2016 als statutair doel: “a. het verkrijgen, vestigen, beheren en uitwinnen van zekerheidsrechten ten behoeve van diverse groepen obligatiehouders; b. het behartigen van de gezamenlijke belangen van diverse groepen obligatiehouders, in de mate en op de wijze als nader bepaald in reeds overeengekomen en van tijd tot tijd nader overeen te komen trustakten tussen de vennootschap en de stichting respectievelijk DBS2 Nederland en de stichting, alsmede het verrichten van al hetgeen daarmede verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.” 2.14. De Stichting heeft op 2 december 2016 met DBS2 Nederland een trustakte gesloten (hierna: de Trustakte). De Trustakte bepaalt onder meer dat de Stichting de belangen van de obligatiehouders beheert, een parallelle vordering op DBS2 Nederland heeft die gelijk is aan de vorderingen van de obligatiehouders op DBS2 Nederland en een pandrecht zal krijgen op vorderingen van DBS2 Nederland ter zekerheid van die parallelle vordering. 2.15. De Trustakte bevat verder verplichtingen voor DBS2 Nederland jegens de Stichting, betreffende onder meer: zekerheden voor de (parallelle) vorderingen (artikel 4); informatieplichten (artikel 7.11-7.13); en vervroegde opeisbaarheid (artikel 9). 2.16. Zaak 1 betreft materieel een groep van 54 obligatiehouders, die een privatieve last en een onherroepelijke volmacht hebben verstrekt aan de Stichting om hun rechten en belangen tegenover derden, waaronder gedaagden in zaak 1, uit te oefenen c.q. waar te nemen (hierna ook: obligatiehouders I). Obligatiehouders I hebben tezamen een bedrag van € 5.530.000,00 aan obligatieleningen uitstaan bij DBS2 Nederland en tot juni 2024 een bedrag van € 71.558,34 aan misgelopen contractuele rente. Vanaf juli 2024 tot het einde van de looptijd van de obligatieleningen zal een bedrag van € 260.885,78 aan contractuele rente vervallen. 2.17. Van de hiervoor bedoelde obligatiehouders hebben 41 tevens een last en volmacht afgegeven voor de procedure van zaak 2 tegen [gedaagde zaak 2] (hierna ook: obligatiehouders II). Obligatiehouders II hebben tezamen een bedrag van € 4.320.000,00 aan obligatieleningen uitstaan bij DBS2 Nederland. Daarnaast hebben zij, tot het einde van de looptijd van de obligatieleningen, een bedrag van € 235.591,12 aan contractuele rente tegoed. 2.18. De (vennootschapsrechtelijke) verhoudingen tussen de betrokken (rechts)personen voor zover hier van belang, kunnen als volgt schematisch worden weergeven (schema gemaakt door de rechtbank): 2.19. [bedrijf 1] heeft op 11 november 2020 een brokerovereenkomst gesloten met Factris NL1 B.V. (hierna: de brokerovereenkomst). Factris NL1 B.V. (hierna: Factris) is een factoringbedrijf dat op grotere schaal opereerde dan DBS2 Nederland. Op grond van de brokerovereenkomst moest [bedrijf 1] gedurende een periode van tien jaar potentiële klanten ( leads ) aanbrengen bij Factris. [bedrijf 1] ontving provisie van Factris als deze leads een factoringovereenkomst aangingen met Factris. [bedrijf 1] en Factris waren hierbij exclusiviteit overeengekomen. Op 29 oktober 2020 had [bedrijf 1] een overeenkomst gesloten met DBS2 Nederland, DBS2 B.V., DBS2 Factoring B.V. en DBS2 Factoring II B.V. (hierna: de Factris-overeenkomst). Op grond van de Factris-overeenkomst mocht [bedrijf 1] bestaande klanten van de DBS2 vennootschappen, waaronder DBS2 Nederland, overdragen aan Factris. Maandelijks werd een afrekening opgesteld door Factris en werd door [bedrijf 1] een factuur gestuurd aan Factris. [bedrijf 1] rekende ook af met DBS2 Nederland. Afgesproken was dat [bedrijf 1] een vergoeding betaalde aan DBS2 Nederland die gelijk was aan de vergoeding die [bedrijf 1] op haar beurt op grond van de brokerovereenkomst ontving van Factris. Het systeem van deze twee overeenkomsten wordt hierna de Factris-constructie genoemd. 2.20. Tot medio 2023 deelde het bestuur van DBS2 Nederland ieder kwartaal een verslag met de Stichting en de obligatiehouders met een update over de bedrijfsvoering en de financiële resultaten. 2.21. In het kwartaalverslag van Q4 2020 is vermeld dat DBS2 Nederland samenwerking zocht met andere factoringmaatschappijen. In het kwartaalverslag van Q1 2021 is vermeld dat de samenwerking met diverse factoringmaatschappijen vorm heeft gekregen en dat het bestuur vooral in de samenwerking met Factris veel mogelijkheden ziet. Vermeld wordt dat nieuwe klanten direct op ‘het DBS2-Factris platform’ zullen worden aangesloten. DBS2 Nederland zou geen operationele taken of risico’s hebben. Wel zou een maandelijkse fee -afrekening plaatsvinden. Door de samenwerking met Factris zou DBS2 Nederland geen nieuwe emissieplannen of funding nodig hebben, zo vermeldt het kwartaalverslag. In het kwartaalverslag van Q2 2021 wordt vermeld dat niet alleen nieuwe klanten op het DBS2 -Factris-platform zouden worden aangesloten, maar dat ook bestaande klanten worden overgezet naar dit platform. 2.22. Vanaf medio 2023 krijgt de Stichting voor het eerst en in toenemende mate signalen van obligatiehouders dat DBS2 Nederland rentebetalingen niet voldoet. In de herfst van 2023 nemen deze meldingen bij de Stichting en ook bij [bedrijf 2] verder toe. Op 20 december 2023 kondigt het bestuur van DBS2 Nederland een obligatiehoudersvergadering aan op 29 januari 2024. Uit de bij de uitnodiging gevoegde stukken blijkt dat DBS2 Nederland financieel in zwaar weer verkeert. Ook wordt vermeld: “Er worden vanaf 1 februari 2024 geen nieuwe vorderingen aangekocht, er worden enkel nog vorderingen geïncasseerd. Voor zover mogelijk worden alle operationele kosten geschrapt.” 2.23.
Volledig
Dit geldt ook voor investeringen in de Obligaties die worden aangeboden en uitgegeven door DBS2 Nederland.” (…) Rentebetalingsrisico op de Obligatielening (…) De Rente wordt in beginsel voldaan uit de opbrengst van DBS2 Nederland na uitwinning van de Vorderingen. DBS2 Nederland loopt een ondernemersrisico. Het kan (…) het geval zijn dat de financiële positie van DBS2 Nederland niet toereikend is om geheel of gedeeltelijk aan deze rentebetalingsverplichting te kunnen voldoen. Dit kan een beperking tot gevolg hebben voor DBS2 Nederland om aan haar betalingsverplichtingen (inclusief Hoofdsom en Rente) jegens de Obligatiehouders te voldoen. (…) Risico van aflossing en vervroegde aflossing (…) Het kan (…) het geval zijn dat de opbrengst na uitwinning van de Vorderingen onvoldoende is om de Obligatielening in zijn geheel af te lossen, dat herfinanciering niet (geheel) mogelijk is of dat om een andere reden de financiële positie van DBS2 Nederland niet toereikend is om aan (al) haar verplichtingen te kunnen voldoen. In dat geval kunnen de Obligaties in waarde dalen en/of niet volledig worden afgelost. (…) Tegenpartijenrisico (…) Zoals elke onderneming loopt DBS2 Nederland het risico dat een tegenpartij in een situatie kan komen te verkeren dat zij niet (geheel) aan haar financiële verplichtingen kan voldoen. (…) Niet-nakoming door tegenpartijen van hun financiële verplichtingen jegens DBS2 Nederland, dan wel het niet juist of volledig nakomen van deze financiële verplichtingen jegens DBS2 Nederland, dan wel het niet volledig uitkeren van de hoofdsom van de vordering door de kredietverzekeraar, kan een beperking tot gevolg hebben voor DBS2 Nederland om haar betalingsverplichtingen (inclusief Hoofdsom en Rente) jegens de Obligatiehouders te voldoen. (…) Faillissementsrisico Voor Obligatiehouders bestaat het risico van faillissement en/of surseance van betaling van DBS2 Nederland. Indien dit zich zou voordoen, verwezenlijkt het rentebetalings- en aflossingsrisico (zoals hiervoor is opgenomen).” 2.12. Obligatiehouders konden via investeringsmakelaar [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) inschrijven op de obligatieleningen. De IM en de obligatievoorwaarden waren voor de (potentiële) obligatiehouders beschikbaar via het platform van [bedrijf 2] . 2.13. De Stichting is op 4 juli 2014 opgericht en heeft blijkens de meest recente statutenwijziging van 6 juli 2016 als statutair doel: “a. het verkrijgen, vestigen, beheren en uitwinnen van zekerheidsrechten ten behoeve van diverse groepen obligatiehouders; b. het behartigen van de gezamenlijke belangen van diverse groepen obligatiehouders, in de mate en op de wijze als nader bepaald in reeds overeengekomen en van tijd tot tijd nader overeen te komen trustakten tussen de vennootschap en de stichting respectievelijk DBS2 Nederland en de stichting, alsmede het verrichten van al hetgeen daarmede verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.” 2.14. De Stichting heeft op 2 december 2016 met DBS2 Nederland een trustakte gesloten (hierna: de Trustakte). De Trustakte bepaalt onder meer dat de Stichting de belangen van de obligatiehouders beheert, een parallelle vordering op DBS2 Nederland heeft die gelijk is aan de vorderingen van de obligatiehouders op DBS2 Nederland en een pandrecht zal krijgen op vorderingen van DBS2 Nederland ter zekerheid van die parallelle vordering. 2.15. De Trustakte bevat verder verplichtingen voor DBS2 Nederland jegens de Stichting, betreffende onder meer: zekerheden voor de (parallelle) vorderingen (artikel 4); informatieplichten (artikel 7.11-7.13); en vervroegde opeisbaarheid (artikel 9). 2.16. Zaak 1 betreft materieel een groep van 54 obligatiehouders, die een privatieve last en een onherroepelijke volmacht hebben verstrekt aan de Stichting om hun rechten en belangen tegenover derden, waaronder gedaagden in zaak 1, uit te oefenen c.q. waar te nemen (hierna ook: obligatiehouders I). Obligatiehouders I hebben tezamen een bedrag van € 5.530.000,00 aan obligatieleningen uitstaan bij DBS2 Nederland en tot juni 2024 een bedrag van € 71.558,34 aan misgelopen contractuele rente. Vanaf juli 2024 tot het einde van de looptijd van de obligatieleningen zal een bedrag van € 260.885,78 aan contractuele rente vervallen. 2.17. Van de hiervoor bedoelde obligatiehouders hebben 41 tevens een last en volmacht afgegeven voor de procedure van zaak 2 tegen [gedaagde zaak 2] (hierna ook: obligatiehouders II). Obligatiehouders II hebben tezamen een bedrag van € 4.320.000,00 aan obligatieleningen uitstaan bij DBS2 Nederland. Daarnaast hebben zij, tot het einde van de looptijd van de obligatieleningen, een bedrag van € 235.591,12 aan contractuele rente tegoed. 2.18. De (vennootschapsrechtelijke) verhoudingen tussen de betrokken (rechts)personen voor zover hier van belang, kunnen als volgt schematisch worden weergeven (schema gemaakt door de rechtbank): 2.19. [bedrijf 1] heeft op 11 november 2020 een brokerovereenkomst gesloten met Factris NL1 B.V. (hierna: de brokerovereenkomst). Factris NL1 B.V. (hierna: Factris) is een factoringbedrijf dat op grotere schaal opereerde dan DBS2 Nederland. Op grond van de brokerovereenkomst moest [bedrijf 1] gedurende een periode van tien jaar potentiële klanten ( leads ) aanbrengen bij Factris. [bedrijf 1] ontving provisie van Factris als deze leads een factoringovereenkomst aangingen met Factris. [bedrijf 1] en Factris waren hierbij exclusiviteit overeengekomen. Op 29 oktober 2020 had [bedrijf 1] een overeenkomst gesloten met DBS2 Nederland, DBS2 B.V., DBS2 Factoring B.V. en DBS2 Factoring II B.V. (hierna: de Factris-overeenkomst). Op grond van de Factris-overeenkomst mocht [bedrijf 1] bestaande klanten van de DBS2 vennootschappen, waaronder DBS2 Nederland, overdragen aan Factris. Maandelijks werd een afrekening opgesteld door Factris en werd door [bedrijf 1] een factuur gestuurd aan Factris. [bedrijf 1] rekende ook af met DBS2 Nederland. Afgesproken was dat [bedrijf 1] een vergoeding betaalde aan DBS2 Nederland die gelijk was aan de vergoeding die [bedrijf 1] op haar beurt op grond van de brokerovereenkomst ontving van Factris. Het systeem van deze twee overeenkomsten wordt hierna de Factris-constructie genoemd. 2.20. Tot medio 2023 deelde het bestuur van DBS2 Nederland ieder kwartaal een verslag met de Stichting en de obligatiehouders met een update over de bedrijfsvoering en de financiële resultaten. 2.21. In het kwartaalverslag van Q4 2020 is vermeld dat DBS2 Nederland samenwerking zocht met andere factoringmaatschappijen. In het kwartaalverslag van Q1 2021 is vermeld dat de samenwerking met diverse factoringmaatschappijen vorm heeft gekregen en dat het bestuur vooral in de samenwerking met Factris veel mogelijkheden ziet. Vermeld wordt dat nieuwe klanten direct op ‘het DBS2-Factris platform’ zullen worden aangesloten. DBS2 Nederland zou geen operationele taken of risico’s hebben. Wel zou een maandelijkse fee -afrekening plaatsvinden. Door de samenwerking met Factris zou DBS2 Nederland geen nieuwe emissieplannen of funding nodig hebben, zo vermeldt het kwartaalverslag. In het kwartaalverslag van Q2 2021 wordt vermeld dat niet alleen nieuwe klanten op het DBS2 -Factris-platform zouden worden aangesloten, maar dat ook bestaande klanten worden overgezet naar dit platform. 2.22. Vanaf medio 2023 krijgt de Stichting voor het eerst en in toenemende mate signalen van obligatiehouders dat DBS2 Nederland rentebetalingen niet voldoet. In de herfst van 2023 nemen deze meldingen bij de Stichting en ook bij [bedrijf 2] verder toe. Op 20 december 2023 kondigt het bestuur van DBS2 Nederland een obligatiehoudersvergadering aan op 29 januari 2024. Uit de bij de uitnodiging gevoegde stukken blijkt dat DBS2 Nederland financieel in zwaar weer verkeert. Ook wordt vermeld: “Er worden vanaf 1 februari 2024 geen nieuwe vorderingen aangekocht, er worden enkel nog vorderingen geïncasseerd. Voor zover mogelijk worden alle operationele kosten geschrapt.” 2.23.
Volledig
Uit de stukken die voorafgaand aan en na afloop van de vergadering aan de Stichting en de obligatiehouders zijn verstrekt, blijkt dat DBS2 Nederland aanzienlijke leningen heeft verstrekt en vorderingen open had staan: - een vordering van € 200.000,00 op Jama betreffende een lening uit 2018 van € 300.000,00; een lening c.q. verstrekking van bedragen van in totaal € 3.089.295 tegen 4% rente aan Jama; een vordering van € 251.000,00 op [bedrijf 3] , de eenmanszaak van de broer ( [naam] ) van [gedaagde 1] , betreffende een lening van € 278.000,00 tegen 3 % rente die was verstrekt door DBS2 B.V. en die op 9 april 2020 is overgenomen door DBS2 Nederland; een vordering van € 589.000,00 op HSM betreffende een lening van 20 januari 2023 van € 600.000,00 tegen 8% rente; een vordering op factoringklant Woodyflex van € 1.147.941,00; een vordering van € 1.002.000,00 op Factris. 2.24. Leningen aan niet-factoringklanten zoals Jama, [bedrijf 3] en HSM vallen niet onder de hiervoor (r.o. 2.10) genoemde kredietverzekering van DBS2 Nederland. De vordering op Woodyflex is ook niet gedekt door de kredietverzekering van DBS2 Nederland wegens frauduleus handelen. 2.25. De hiervoor genoemde vordering op Factris van € 1.002.000,00 is een geactiveerde vordering voor alle verwachte toekomstige betalingen van Factris onder de Factris-constructie (zie r.o. 2.19). 2.26. In de periode van januari tot en met april 2024 vonden, in wisselende samenstelling, gesprekken plaats tussen de Stichting, [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en afgevaardigden van de obligatiehouders. De Stichting heeft bij meerdere gelegenheden het bestuur van DBS2 Nederland verzocht om informatie over de financiële situatie van DBS2 Nederland. Ook is er gecorrespondeerd over een aflosplan ten gunste van de obligatiehouders. 2.27. Op 3 mei 2024 heeft de Stichting DBS2 Nederland per brief gesommeerd het gehele uitstaande bedrag aan obligatieleningen en rente direct te betalen en heeft zij DBS2 Nederland in gebreke gesteld ter zake van (i) de aflossing van de obligatieleningen waarvan de aflostermijn reeds is verstreken, (ii) haar rentebetalingsverplichtingen aan de obligatiehouders en (iii) schending van artikel 3 van de obligatievoorwaarden betreffende de bestemming van de obligatielening en opbrengsten. Ook is nogmaals verzocht om (financiële) informatie. 2.28. DBS2 Nederland heeft niet inhoudelijk op deze ingebrekestelling gereageerd en ook niet voldaan aan de sommatie tot betaling of het informatieverzoek. 2.29. Op 31 mei 2024 ontvingen de obligatieouders het kwartaalverslag van Q1 2024. Hierbij ontbraken de balans en de winst- en verliesrekening. Op het verzoek van de Stichting om de balans en de winst- en verliesrekening alsnog te delen en om het kwartaalverslag van Q4 van 2023 alsnog op te maken, reageerde DBS2 Nederland niet. 2.30. Op 31 mei 2024 heeft de Stichting aansprakelijkheidstellingen gestuurd aan het bestuur en de indirect bestuurders van DBS2 Nederland en tevens aan Jama, [bedrijf 1] en HSM als contractspartijen van DBS2 Nederland. 2.31. Op 19 december 2024 heeft de Stichting [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld en een beroep gedaan op buitengerechtelijke vernietiging van hun huwelijkse voorwaarden. 2.32. Partijen zijn niet tot een vergelijk gekomen. Op 1 juli 2024 heeft de Stichting de dagvaarding laten uitbrengen in zaak 1. Op 9 juli 2024 heeft de Stichting ten laste van de gedaagden in zaak 1 conservatoire (derden)beslagen laten leggen. Op 3 februari 2025 heeft de Stichting tevens conservatoir beslag laten leggen op de voormalig echtelijke woning van [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] . Op 14 februari 2025 is de dagvaarding in zaak 2 uitgebracht. 3 Het geschil In zaak 1 3.1. De Stichting vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad (samengevat): I. een verklaring voor recht dat (i) elk van de gedaagden onrechtmatig heeft gehandeld jegens elk van de obligatiehouders I en (ii) elk van de gedaagden hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die elk van de obligatiehouders I als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden of zal lijden; II. hoofdelijke veroordeling van de gedaagden tot betaling van de schade die de obligatiehouders I hebben geleden, bestaande uit de volgende bedragen, dan wel in goede justitie te bepalen, dan wel op te maken bij staat, en te vermeerderen met de wettelijke rente: € 5.530.000,00 (gelijk aan de verstrekte, maar niet terugbetaalde obligatieleningen), te vermeerderen met de wettelijke rente; en € 332.444,12, (gelijk aan de misgelopen en nog mis te lopen contractuele rente), te vermeerderen met de wettelijke rente; III. subsidiair en enkel met betrekking tot Jama: de hoofdelijke veroordeling van deze gedaagde tot betaling van de door de obligatiehouders I geleden schade, bestaande uit de door deze gedaagde van DBS2 Nederland ontvangen en niet terugbetaalde bedragen, te weten € 3.389.295,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; IV. subsidiair en enkel met betrekking tot HSM: de hoofdelijke veroordeling van deze gedaagde tot betaling van de door de obligatiehouders I geleden schade, bestaande uit de door deze gedaagde van DBS2 Nederland ontvangen en niet terugbetaalde bedragen, te weten € 589.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; V. subsidiair en enkel met betrekking tot [bedrijf 1] , Bewi, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] : de hoofdelijke veroordeling van deze gedaagden tot betaling van de door de obligatiehouders I geleden schade, bestaande uit de vanuit Jama uitgekeerde dividenden van € 1.600.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; VI. de hoofdelijke veroordeling van de gedaagden tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 6.775,00; VII. enkel met betrekking tot Bewi, en [gedaagde 2] : de hoofdelijke veroordeling van deze gedaagden tot vergoeding van de kosten van de gelegde derdenbeslagen van € 4.791,95; VIII. de hoofdelijke veroordeling van de gedaagden in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. Aan deze vordering legt de Stichting – samengevat – het volgende ten grondslag. DBS2 Nederland heeft obligaties uitgegeven aan (voornamelijk) particulieren en is tekortgeschoten in de nakoming van de in dat kader op haar rustende verplichtingen de obligatieleningen af te lossen en de verschuldigde rentebetalingen te voldoen. Tevens heeft zij in strijd gehandeld met de toepasselijke obligatievoorwaarden waaruit volgt dat de gelden uit de obligatieleningen alleen voor specifieke doeleinden mogen worden aangewend. Jama is de bestuurder van DBS2 Nederland en in die hoedanigheid aansprakelijk voor de door de obligatiehouders I geleden schade. Uit feiten en omstandigheden blijkt dat Jama wist, of redelijkerwijs had behoren te begrijpen, dat de door haar bewerkstelligende of toegelaten handelswijze van DBS2 Nederland tot gevolg zou hebben dat DBS2 Nederland haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor hun schade. Kort gezegd komt dit handelen neer op het feitelijk (laten) wegsluizen van het vermogen van DBS2 Nederland en het overhevelen en staken van de onderneming van DBS2 Nederland. Dit terwijl voorzienbaar was dat de vennootschappen waaraan DBS2 Nederland geldbedragen verstrekte geen of onvoldoende omzet zouden genereren waarmee aan de verplichtingen jegens de obligatiehouders I zou kunnen worden voldaan, althans dit is door Jama onvoldoende onderzocht. Ook als Jama dit niet wist of behoorde te weten, was haar handelen in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig dat haar daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Op grond van artikel 2:11 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn naast Jama ook [bedrijf 1] , Bewi, [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als middellijk bestuurders van DBS2 Nederland hoofdelijk aansprakelijk voor de door de obligatiehouders I geleden schade. 3.3. Jama, HSM en [bedrijf 1] hebben daarnaast als contractpartijen van DBS2 Nederland geprofiteerd van de (hiervoor omschreven) wanprestatie die DBS2 Nederland heeft gepleegd jegens de obligatiehouders I.
Volledig
Uit de stukken die voorafgaand aan en na afloop van de vergadering aan de Stichting en de obligatiehouders zijn verstrekt, blijkt dat DBS2 Nederland aanzienlijke leningen heeft verstrekt en vorderingen open had staan: - een vordering van € 200.000,00 op Jama betreffende een lening uit 2018 van € 300.000,00; een lening c.q. verstrekking van bedragen van in totaal € 3.089.295 tegen 4% rente aan Jama; een vordering van € 251.000,00 op [bedrijf 3] , de eenmanszaak van de broer ( [naam] ) van [gedaagde 1] , betreffende een lening van € 278.000,00 tegen 3 % rente die was verstrekt door DBS2 B.V. en die op 9 april 2020 is overgenomen door DBS2 Nederland; een vordering van € 589.000,00 op HSM betreffende een lening van 20 januari 2023 van € 600.000,00 tegen 8% rente; een vordering op factoringklant Woodyflex van € 1.147.941,00; een vordering van € 1.002.000,00 op Factris. 2.24. Leningen aan niet-factoringklanten zoals Jama, [bedrijf 3] en HSM vallen niet onder de hiervoor (r.o. 2.10) genoemde kredietverzekering van DBS2 Nederland. De vordering op Woodyflex is ook niet gedekt door de kredietverzekering van DBS2 Nederland wegens frauduleus handelen. 2.25. De hiervoor genoemde vordering op Factris van € 1.002.000,00 is een geactiveerde vordering voor alle verwachte toekomstige betalingen van Factris onder de Factris-constructie (zie r.o. 2.19). 2.26. In de periode van januari tot en met april 2024 vonden, in wisselende samenstelling, gesprekken plaats tussen de Stichting, [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en afgevaardigden van de obligatiehouders. De Stichting heeft bij meerdere gelegenheden het bestuur van DBS2 Nederland verzocht om informatie over de financiële situatie van DBS2 Nederland. Ook is er gecorrespondeerd over een aflosplan ten gunste van de obligatiehouders. 2.27. Op 3 mei 2024 heeft de Stichting DBS2 Nederland per brief gesommeerd het gehele uitstaande bedrag aan obligatieleningen en rente direct te betalen en heeft zij DBS2 Nederland in gebreke gesteld ter zake van (i) de aflossing van de obligatieleningen waarvan de aflostermijn reeds is verstreken, (ii) haar rentebetalingsverplichtingen aan de obligatiehouders en (iii) schending van artikel 3 van de obligatievoorwaarden betreffende de bestemming van de obligatielening en opbrengsten. Ook is nogmaals verzocht om (financiële) informatie. 2.28. DBS2 Nederland heeft niet inhoudelijk op deze ingebrekestelling gereageerd en ook niet voldaan aan de sommatie tot betaling of het informatieverzoek. 2.29. Op 31 mei 2024 ontvingen de obligatieouders het kwartaalverslag van Q1 2024. Hierbij ontbraken de balans en de winst- en verliesrekening. Op het verzoek van de Stichting om de balans en de winst- en verliesrekening alsnog te delen en om het kwartaalverslag van Q4 van 2023 alsnog op te maken, reageerde DBS2 Nederland niet. 2.30. Op 31 mei 2024 heeft de Stichting aansprakelijkheidstellingen gestuurd aan het bestuur en de indirect bestuurders van DBS2 Nederland en tevens aan Jama, [bedrijf 1] en HSM als contractspartijen van DBS2 Nederland. 2.31. Op 19 december 2024 heeft de Stichting [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld en een beroep gedaan op buitengerechtelijke vernietiging van hun huwelijkse voorwaarden. 2.32. Partijen zijn niet tot een vergelijk gekomen. Op 1 juli 2024 heeft de Stichting de dagvaarding laten uitbrengen in zaak 1. Op 9 juli 2024 heeft de Stichting ten laste van de gedaagden in zaak 1 conservatoire (derden)beslagen laten leggen. Op 3 februari 2025 heeft de Stichting tevens conservatoir beslag laten leggen op de voormalig echtelijke woning van [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] . Op 14 februari 2025 is de dagvaarding in zaak 2 uitgebracht. 3 Het geschil In zaak 1 3.1. De Stichting vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad (samengevat): I. een verklaring voor recht dat (i) elk van de gedaagden onrechtmatig heeft gehandeld jegens elk van de obligatiehouders I en (ii) elk van de gedaagden hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die elk van de obligatiehouders I als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden of zal lijden; II. hoofdelijke veroordeling van de gedaagden tot betaling van de schade die de obligatiehouders I hebben geleden, bestaande uit de volgende bedragen, dan wel in goede justitie te bepalen, dan wel op te maken bij staat, en te vermeerderen met de wettelijke rente: € 5.530.000,00 (gelijk aan de verstrekte, maar niet terugbetaalde obligatieleningen), te vermeerderen met de wettelijke rente; en € 332.444,12, (gelijk aan de misgelopen en nog mis te lopen contractuele rente), te vermeerderen met de wettelijke rente; III. subsidiair en enkel met betrekking tot Jama: de hoofdelijke veroordeling van deze gedaagde tot betaling van de door de obligatiehouders I geleden schade, bestaande uit de door deze gedaagde van DBS2 Nederland ontvangen en niet terugbetaalde bedragen, te weten € 3.389.295,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; IV. subsidiair en enkel met betrekking tot HSM: de hoofdelijke veroordeling van deze gedaagde tot betaling van de door de obligatiehouders I geleden schade, bestaande uit de door deze gedaagde van DBS2 Nederland ontvangen en niet terugbetaalde bedragen, te weten € 589.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; V. subsidiair en enkel met betrekking tot [bedrijf 1] , Bewi, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] : de hoofdelijke veroordeling van deze gedaagden tot betaling van de door de obligatiehouders I geleden schade, bestaande uit de vanuit Jama uitgekeerde dividenden van € 1.600.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; VI. de hoofdelijke veroordeling van de gedaagden tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 6.775,00; VII. enkel met betrekking tot Bewi, en [gedaagde 2] : de hoofdelijke veroordeling van deze gedaagden tot vergoeding van de kosten van de gelegde derdenbeslagen van € 4.791,95; VIII. de hoofdelijke veroordeling van de gedaagden in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. Aan deze vordering legt de Stichting – samengevat – het volgende ten grondslag. DBS2 Nederland heeft obligaties uitgegeven aan (voornamelijk) particulieren en is tekortgeschoten in de nakoming van de in dat kader op haar rustende verplichtingen de obligatieleningen af te lossen en de verschuldigde rentebetalingen te voldoen. Tevens heeft zij in strijd gehandeld met de toepasselijke obligatievoorwaarden waaruit volgt dat de gelden uit de obligatieleningen alleen voor specifieke doeleinden mogen worden aangewend. Jama is de bestuurder van DBS2 Nederland en in die hoedanigheid aansprakelijk voor de door de obligatiehouders I geleden schade. Uit feiten en omstandigheden blijkt dat Jama wist, of redelijkerwijs had behoren te begrijpen, dat de door haar bewerkstelligende of toegelaten handelswijze van DBS2 Nederland tot gevolg zou hebben dat DBS2 Nederland haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor hun schade. Kort gezegd komt dit handelen neer op het feitelijk (laten) wegsluizen van het vermogen van DBS2 Nederland en het overhevelen en staken van de onderneming van DBS2 Nederland. Dit terwijl voorzienbaar was dat de vennootschappen waaraan DBS2 Nederland geldbedragen verstrekte geen of onvoldoende omzet zouden genereren waarmee aan de verplichtingen jegens de obligatiehouders I zou kunnen worden voldaan, althans dit is door Jama onvoldoende onderzocht. Ook als Jama dit niet wist of behoorde te weten, was haar handelen in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig dat haar daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Op grond van artikel 2:11 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn naast Jama ook [bedrijf 1] , Bewi, [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als middellijk bestuurders van DBS2 Nederland hoofdelijk aansprakelijk voor de door de obligatiehouders I geleden schade. 3.3. Jama, HSM en [bedrijf 1] hebben daarnaast als contractpartijen van DBS2 Nederland geprofiteerd van de (hiervoor omschreven) wanprestatie die DBS2 Nederland heeft gepleegd jegens de obligatiehouders I.
Volledig
Gelet op de omstandigheden van het geval, brengt (ook) dit mee dat zij op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor de door de obligatiehouders I geleden schade. 3.4. Verder hebben de (middellijk) bestuurders van Jama (te weten: Bewi, [gedaagde 2] , [bedrijf 1] en [gedaagde 1] ) onrechtmatig gehandeld jegens de obligatiehouders I door dividenduitkeringen vanuit Jama te bewerkstelligen dan wel toe te laten, terwijl zij wisten dat Jama hierdoor niet meer aan haar betalingsverplichtingen jegens DBS2 Nederland zou kunnen voldoen en DBS2 Nederland op haar beurt niet aan haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I zou kunnen voldoen. Hen treft daarom ook als (middellijk) bestuurders van Jama een persoonlijk ernstig verwijt. 3.5. Voor al deze normschendingen geldt dat er een causaal verband bestaat met de door de obligatiehouders I geleden schade en deze schade kan volledig aan deze normschendingen worden toegerekend, aldus nog steeds de Stichting. 3.6. Bewi c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de Stichting in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover. Subsidiair beroept zij zich op matiging en ook wordt verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. In zaak 2 3.7. De Stichting vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad (samengevat): I. een verklaring voor recht dat [gedaagde zaak 2] op grond van artikel 1:102 BW hoofdelijk met [gedaagde 2] is verbonden voor de schuld van [gedaagde 2] aan elk van de obligatiehouders II, bestaande uit de verplichting tot vergoeding van de schade die elk van hen heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van zijn onrechtmatig handelen jegens elk van hen; II. de veroordeling van [gedaagde zaak 2] tot voldoening van de hiervoor onder I genoemde schuld van [gedaagde 2] aan elk van de obligatiehouders II door betaling aan de Stichting van het bedrag aan schade dat elk van de obligatiehouders II heeft geleden of nog zal lijden, bestaande uit: € 4.320.000,- (gelijk aan de verstrekte, maar niet terugbetaalde obligatieleningen), te vermeerderen met de wettelijke rente; en € 235.591,12 (gelijk aan de misgelopen en nog mis te lopen contractuele rente), te vermeerderen met de wettelijke rente; III. subsidiair de verklaring voor recht dat [gedaagde zaak 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens elk van de obligatiehouders II; IV. subsidiair de veroordeling van [gedaagde zaak 2] tot betaling aan de Stichting van de schade die elk van de obligatiehouders II daardoor heeft geleden, bestaande uit het 99/100e deel van de netto executieopbrengst van de voormalig echtelijke woning van [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] ; V. de veroordeling van [gedaagde zaak 2] tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 6.775,00; VI. de veroordeling van [gedaagde zaak 2] tot vergoeding van de kosten van het gelegde conservatoire beslag van € 425,04; VII. de veroordeling van [gedaagde zaak 2] tot vergoeding van de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.8. Aan deze vordering legt de Stichting – samengevat – het volgende ten grondslag. [gedaagde zaak 2] is op grond van artikel 1:102 BW hoofdelijk verbonden voor de schuld van [gedaagde 2] aan de obligatiehouders. Deze schuld is immers ontstaan vóór 7 mei 2024 en daarmee tijdens het bestaan van de tussen partijen sinds 25 februari 2005 geldende gemeenschap van goederen. De gemeenschap van goederen tussen [gedaagde 2] en [gedaagde zaak 2] is, op zijn vroegst, ontbonden op 7 mei 2024 door het sluiten van huwelijkse voorwaarden, en in ieder geval op 4 november 2024 door de indiening van het echtscheidingsverzoek. 3.9. Subsidiair stelt de Stichting zich op het standpunt dat [gedaagde zaak 2] paulianeus heeft gehandeld doordat de echtelijke woning voor 99/100e deel aan haar is toebedeeld. Die toebedeling vond plaats op basis van een onrealistisch lage waardering van de woning, waardoor [gedaagde zaak 2] is overbedeeld en [gedaagde 2] onderbedeeld. Volgens de Stichting hebben [gedaagde 2] en [gedaagde zaak 2] hiermee beoogd de woning aan het verhaalsrecht van schuldeisers te onttrekken. 3.10. [gedaagde zaak 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de Stichting in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover. Subsidiair beroept zij zich op matiging en ook wordt verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. 4 De beoordeling In zaak 1 Schorsing procedure tegen [bedrijf 1] 4.1. Zoals vermeld in r.o. 2.13 van het vonnis in incident van 5 februari 2025, is de procedure tegen de op 17 december 2024 gefailleerde [bedrijf 1] op grond van artikel 29 Faillissementswet (Fw) van rechtswege geschorst en ambtshalve doorgehaald op grond van artikel 2.12 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken. De rechtbank voegt daaraan het volgende toe. 4.2. De vordering in het petitum sub I strekt tot verkrijging van een verklaring voor recht, die erop neerkomt dat wordt vastgesteld dat [bedrijf 1] voor de schade van de obligatiehouders I hoofdelijk aansprakelijk is. Een vordering tot verklaring voor recht valt strikt genomen niet onder artikel 29 Fw. Niet is gebleken echter dat de Stichting bij deze vordering een ander belang heeft dan dat haar vordering in het petitum sub II, die voldoening van een schadevergoedingsverbintenis uit de boedel ten doel heeft, toewijsbaar is. Voor de toepassing van de artikelen 25 lid 2 en 27-29 Fw heeft de vorderingen in het petitum sub I naast de vordering sub II daarom geen zelfstandige betekenis. Dit brengt mee dat de procedure ook voor zover het vordering I betreft, door het faillissement van [bedrijf 1] jegens deze gedaagde van rechtswege is geschorst. Aansprakelijkheid Jama en [gedaagde 1] - verstek 4.3. Jama en [gedaagde 1] zijn in deze procedure niet verschenen, zodat zij de vorderingen van de Stichting niet hebben betwist. De rechtbank dient de vorderingen dan ook toe te wijzen, behoudens voor zover deze kennelijk onrechtmatig of ongegrond zijn. 4.4. In het licht van de stellingen van de Stichting komt de primair gevorderde verklaring voor recht dat Jama en [gedaagde 1] als (indirect) bestuurders van DBS2 Nederland onrechtmatig hebben gehandeld jegens de obligatiehouders I en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor geleden en nog te lijden schade, niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze vordering (petitum sub I) ligt dan ook voor toewijzing gereed. Anders dan de wel verschenen gedaagden (zie hierna r.o. 4.33 e.v.), hebben Jama en [gedaagde 1] de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet betwist. Ook de vordering sub II komt daarom jegens hen voor toewijzing in aanmerking. Buitengerechtelijke incassokosten 4.5. Over de gevorderde buitengerechtelijke kosten (petitum sub VI) overweegt de rechtbank als volgt. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW. De hoofdvordering in zaak 1 valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. In dat verband stelt de rechtbank vast dat de buitengerechtelijke incassokosten die de Stichting stelt te hebben gemaakt, betrekking hebben op het adviseren van de Stichting en het aanschrijven van gedaagden, en verder geen andere verrichtingen betreffen dan die ter instructie van de zaak of ter voorbereiding van de procedure en/of die waarvoor de in artikel 237 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedoelde kostenvergoeding een vergoeding pleegt in te sluiten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal dan ook worden afgewezen, omdat geen sprake is van schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Beslagkosten 4.6.
Volledig
Gelet op de omstandigheden van het geval, brengt (ook) dit mee dat zij op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor de door de obligatiehouders I geleden schade. 3.4. Verder hebben de (middellijk) bestuurders van Jama (te weten: Bewi, [gedaagde 2] , [bedrijf 1] en [gedaagde 1] ) onrechtmatig gehandeld jegens de obligatiehouders I door dividenduitkeringen vanuit Jama te bewerkstelligen dan wel toe te laten, terwijl zij wisten dat Jama hierdoor niet meer aan haar betalingsverplichtingen jegens DBS2 Nederland zou kunnen voldoen en DBS2 Nederland op haar beurt niet aan haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I zou kunnen voldoen. Hen treft daarom ook als (middellijk) bestuurders van Jama een persoonlijk ernstig verwijt. 3.5. Voor al deze normschendingen geldt dat er een causaal verband bestaat met de door de obligatiehouders I geleden schade en deze schade kan volledig aan deze normschendingen worden toegerekend, aldus nog steeds de Stichting. 3.6. Bewi c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de Stichting in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover. Subsidiair beroept zij zich op matiging en ook wordt verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. In zaak 2 3.7. De Stichting vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad (samengevat): I. een verklaring voor recht dat [gedaagde zaak 2] op grond van artikel 1:102 BW hoofdelijk met [gedaagde 2] is verbonden voor de schuld van [gedaagde 2] aan elk van de obligatiehouders II, bestaande uit de verplichting tot vergoeding van de schade die elk van hen heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van zijn onrechtmatig handelen jegens elk van hen; II. de veroordeling van [gedaagde zaak 2] tot voldoening van de hiervoor onder I genoemde schuld van [gedaagde 2] aan elk van de obligatiehouders II door betaling aan de Stichting van het bedrag aan schade dat elk van de obligatiehouders II heeft geleden of nog zal lijden, bestaande uit: € 4.320.000,- (gelijk aan de verstrekte, maar niet terugbetaalde obligatieleningen), te vermeerderen met de wettelijke rente; en € 235.591,12 (gelijk aan de misgelopen en nog mis te lopen contractuele rente), te vermeerderen met de wettelijke rente; III. subsidiair de verklaring voor recht dat [gedaagde zaak 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens elk van de obligatiehouders II; IV. subsidiair de veroordeling van [gedaagde zaak 2] tot betaling aan de Stichting van de schade die elk van de obligatiehouders II daardoor heeft geleden, bestaande uit het 99/100e deel van de netto executieopbrengst van de voormalig echtelijke woning van [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] ; V. de veroordeling van [gedaagde zaak 2] tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 6.775,00; VI. de veroordeling van [gedaagde zaak 2] tot vergoeding van de kosten van het gelegde conservatoire beslag van € 425,04; VII. de veroordeling van [gedaagde zaak 2] tot vergoeding van de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.8. Aan deze vordering legt de Stichting – samengevat – het volgende ten grondslag. [gedaagde zaak 2] is op grond van artikel 1:102 BW hoofdelijk verbonden voor de schuld van [gedaagde 2] aan de obligatiehouders. Deze schuld is immers ontstaan vóór 7 mei 2024 en daarmee tijdens het bestaan van de tussen partijen sinds 25 februari 2005 geldende gemeenschap van goederen. De gemeenschap van goederen tussen [gedaagde 2] en [gedaagde zaak 2] is, op zijn vroegst, ontbonden op 7 mei 2024 door het sluiten van huwelijkse voorwaarden, en in ieder geval op 4 november 2024 door de indiening van het echtscheidingsverzoek. 3.9. Subsidiair stelt de Stichting zich op het standpunt dat [gedaagde zaak 2] paulianeus heeft gehandeld doordat de echtelijke woning voor 99/100e deel aan haar is toebedeeld. Die toebedeling vond plaats op basis van een onrealistisch lage waardering van de woning, waardoor [gedaagde zaak 2] is overbedeeld en [gedaagde 2] onderbedeeld. Volgens de Stichting hebben [gedaagde 2] en [gedaagde zaak 2] hiermee beoogd de woning aan het verhaalsrecht van schuldeisers te onttrekken. 3.10. [gedaagde zaak 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de Stichting in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover. Subsidiair beroept zij zich op matiging en ook wordt verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. 4 De beoordeling In zaak 1 Schorsing procedure tegen [bedrijf 1] 4.1. Zoals vermeld in r.o. 2.13 van het vonnis in incident van 5 februari 2025, is de procedure tegen de op 17 december 2024 gefailleerde [bedrijf 1] op grond van artikel 29 Faillissementswet (Fw) van rechtswege geschorst en ambtshalve doorgehaald op grond van artikel 2.12 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken. De rechtbank voegt daaraan het volgende toe. 4.2. De vordering in het petitum sub I strekt tot verkrijging van een verklaring voor recht, die erop neerkomt dat wordt vastgesteld dat [bedrijf 1] voor de schade van de obligatiehouders I hoofdelijk aansprakelijk is. Een vordering tot verklaring voor recht valt strikt genomen niet onder artikel 29 Fw. Niet is gebleken echter dat de Stichting bij deze vordering een ander belang heeft dan dat haar vordering in het petitum sub II, die voldoening van een schadevergoedingsverbintenis uit de boedel ten doel heeft, toewijsbaar is. Voor de toepassing van de artikelen 25 lid 2 en 27-29 Fw heeft de vorderingen in het petitum sub I naast de vordering sub II daarom geen zelfstandige betekenis. Dit brengt mee dat de procedure ook voor zover het vordering I betreft, door het faillissement van [bedrijf 1] jegens deze gedaagde van rechtswege is geschorst. Aansprakelijkheid Jama en [gedaagde 1] - verstek 4.3. Jama en [gedaagde 1] zijn in deze procedure niet verschenen, zodat zij de vorderingen van de Stichting niet hebben betwist. De rechtbank dient de vorderingen dan ook toe te wijzen, behoudens voor zover deze kennelijk onrechtmatig of ongegrond zijn. 4.4. In het licht van de stellingen van de Stichting komt de primair gevorderde verklaring voor recht dat Jama en [gedaagde 1] als (indirect) bestuurders van DBS2 Nederland onrechtmatig hebben gehandeld jegens de obligatiehouders I en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor geleden en nog te lijden schade, niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze vordering (petitum sub I) ligt dan ook voor toewijzing gereed. Anders dan de wel verschenen gedaagden (zie hierna r.o. 4.33 e.v.), hebben Jama en [gedaagde 1] de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet betwist. Ook de vordering sub II komt daarom jegens hen voor toewijzing in aanmerking. Buitengerechtelijke incassokosten 4.5. Over de gevorderde buitengerechtelijke kosten (petitum sub VI) overweegt de rechtbank als volgt. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW. De hoofdvordering in zaak 1 valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. In dat verband stelt de rechtbank vast dat de buitengerechtelijke incassokosten die de Stichting stelt te hebben gemaakt, betrekking hebben op het adviseren van de Stichting en het aanschrijven van gedaagden, en verder geen andere verrichtingen betreffen dan die ter instructie van de zaak of ter voorbereiding van de procedure en/of die waarvoor de in artikel 237 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedoelde kostenvergoeding een vergoeding pleegt in te sluiten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal dan ook worden afgewezen, omdat geen sprake is van schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Beslagkosten 4.6.
Volledig
De akte overlegging aanvullende producties, tevens houdende wijziging van eis van de Stichting is een eisvermindering ten aanzien van vordering II sub b en een eisvermeerdering voor zover het gaat om de beslagkosten. Niet is gebleken dat deze akte is betekend aan de niet-verschenen gedaagden. Gelet op de stand van de procedure en het (geringe) geldelijke belang van de eisvermeerdering ziet de rechtbank geen aanleiding om de Stichting ambtshalve in de gelegenheid te stellen om bedoelde akte alsnog aan de niet-verschenen gedaagden te laten betekenen. Dit leidt ertoe dat de eisvermeerdering jegens hen (het vorderen van de beslagkosten) buiten toepassing zal blijven (artikel 130 lid 3 Rv). Proceskosten, wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring 4.7. Jama en [gedaagde 1] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot zoals hieronder vermeld. Daarbij kent de rechtbank voor wat betreft het salaris advocaat 1 punt toe aan de dagvaardingen en ½ punt aan de akte overlegging aanvullende producties, tevens houdende wijziging van eis. De helft daarvan komt voor rekening van Jama en [gedaagde 1] . Voor wat betreft het liquidatietarief sluit de rechtbank in de proceskostenveroordeling van Jama en [gedaagde 1] , gelet op hetgeen jegens hen in zaak 1 wordt toegewezen, aan bij tarief VIII. Ook van het door de Stichting betaalde griffierecht komt de helft voor rekening van Jama en [gedaagde 1] , evenals de kosten van de aan hen uitgebrachte dagvaardingsexploten. - dagvaardingen € 224,74 (112,37 + 112,37) - griffierecht € 3.308,50 (6.617 / 2) - salaris advocaat € 3.267,75 (1,5 punten x 4.357 / 2) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 6.978,99 4.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.9. De veroordelingen ten aanzien van Jama en [gedaagde 1] zullen, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Aansprakelijkheid Bewi en [gedaagde 2] 4.10. De rechtbank komt nu toe aan de beoordeling van de aansprakelijkheid van Bewi en [gedaagde 2] . Juridisch kader bestuurdersaansprakelijkheid 4.11. De rechtbank neemt in deze procedure het volgende juridisch kader tot uitgangspunt met betrekking tot de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid. Als een vennootschap jegens (een) derde(n) tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, geldt als uitgangspunt dat alleen die vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade van die derde(n). Onder bijzondere omstandigheden is echter ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder van de vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Deze hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover (een) derde(n) wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en doordat het maatschappelijk belang erbij gebaat is dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. 4.12. Van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van de bestuurder van een vennootschap kan sprake zijn als deze namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan terwijl hij wist, althans behoorde te weten, dat de vennootschap de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden voor de daardoor door de schuldeiser te lijden schade. Van persoonlijk ernstige verwijtbaarheid van een bestuurder kan verder sprake zijn indien die bestuurder willens en wetens heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, met schade voor zijn wederpartij als voorzienbaar gevolg. Het is ook mogelijk dat er op een andere grond ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van een bestuurder van een vennootschap bestaat, zodanig dat die bestuurder (persoonlijk) aansprakelijk is tegenover een schuldeiser van de vennootschap. 4.13. Als de aansprakelijke bestuurder van een rechtspersoon zelf ook een rechtspersoon is, dan rust deze aansprakelijkheid ingevolge artikel 2:11 BW tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. Deze bepaling wordt ook wel aangeduid als doorgeefluik en werkt door de bestuurders-rechtspersonen heen tot aan de natuurlijke persoon die statutair bestuurder is van de (laatste) bestuurder-rechtspersoon. Voor vestiging van aansprakelijkheid van een middellijk bestuurder (rechtspersoon of natuurlijke persoon) hoeft de schuldeiser niet te stellen/bewijzen dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, maar een indirect bestuurder kan zich wel disculperen en aan aansprakelijkheid ex artikel 2:11 BW ontkomen door (zelf) te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk géén ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bestuurdersaansprakelijkheid Bewi en [gedaagde 2] 4.14. Naar het oordeel van de rechtbank zijn Bewi en [gedaagde 2] in hun hoedanigheid van middellijk bestuurders van DBS2 Nederland aansprakelijk voor schade van de obligatiehouders I. De rechtbank licht dat oordeel in het hiernavolgende toe. Tekortkoming DBS2 Nederland 4.15. Voordat van bestuurdersaansprakelijkheid sprake kan zijn, moet vaststaan dat de vennootschap, in dit geval DBS2 Nederland, jegens (een) derde(n) tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt. In artikel 12 van de obligatievoorwaarden is bepaald dat sprake is van verzuim als DBS2 Nederland in gebreke blijft ter zake betaling van (aflossing van) de hoofdsom (artikel 12 a) of van rente (artikel 12 b) of een andere verplichting onder de obligatievoorwaarden niet nakomt (artikel 12 c) en deze nalatigheden ten minste dertig dagen voortduren nadat het gebrek per aangetekende brief aan DBS2 Nederland is medegedeeld. De Stichting heeft DBS2 Nederland per (aangetekende) brief van 3 mei 2024 ingebrekegesteld met betrekking tot betaling van aflossingen en rente en heeft DBS2 Nederland tot betaling gesommeerd (zie r.o. 2.27). Betaling door DBS2 Nederland is uitgebleven. Reeds hieruit volgt dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de obligatievoorwaarden door DBS2 Nederland. Verder is niet in geschil dat de Stichting daarom op grond van artikel 9 van de Trustakte gerechtigd is de obligatieleningen met contractuele rente vervroegd op te eisen. 4.16. Daarbij komt het volgende. Op grond van artikel 3 van de obligatievoorwaarden - gelezen in samenhang met de definities van het IM van 12 december 2019 - mocht DBS2 Nederland de opbrengst van de obligatieleningen alleen gebruiken voor het aankopen c.q. in eigendom verwerven, beheren, innen en het (doen) uitwinnen van vorderingen (van factoringklanten op debiteuren). Verder is bepaald dat de opbrengsten uit de activiteiten van DBS2 Nederland alleen gebruikt mogen worden (i) ter voldoening van haar verplichtingen onder de obligatievoorwaarden jegens de obligatiehouders en (ii) voor de aankoop c.q. het in eigendom verwerven, beheren, innen en het (doen) uitwinnen van vorderingen (van factoringklanten op debiteuren). Naar het oordeel van de rechtbank vallen de leningen aan Jama, [bedrijf 3] en HSM (zie r.o. 2.23) niet onder de in artikel 3 van de obligatievoorwaarden beschreven bestemming van de opbrengsten van de obligatieleningen en/of van de activiteiten van DBS2 Nederland. Ook hierom is sprake van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis jegens de obligatiehouders I door DBS2 Nederland. 4.17. De vorderingen jegens Bewi en [gedaagde 2] zijn gegrond op de artikelen 6:162 jo. 2:11 BW. Van aansprakelijkheid van Bewi en [gedaagde 2] als middellijk bestuurders van DBS2 Nederland kan eerst worden gesproken als aansprakelijkheid van direct bestuurder Jama vaststaat.
Volledig
De akte overlegging aanvullende producties, tevens houdende wijziging van eis van de Stichting is een eisvermindering ten aanzien van vordering II sub b en een eisvermeerdering voor zover het gaat om de beslagkosten. Niet is gebleken dat deze akte is betekend aan de niet-verschenen gedaagden. Gelet op de stand van de procedure en het (geringe) geldelijke belang van de eisvermeerdering ziet de rechtbank geen aanleiding om de Stichting ambtshalve in de gelegenheid te stellen om bedoelde akte alsnog aan de niet-verschenen gedaagden te laten betekenen. Dit leidt ertoe dat de eisvermeerdering jegens hen (het vorderen van de beslagkosten) buiten toepassing zal blijven (artikel 130 lid 3 Rv). Proceskosten, wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring 4.7. Jama en [gedaagde 1] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot zoals hieronder vermeld. Daarbij kent de rechtbank voor wat betreft het salaris advocaat 1 punt toe aan de dagvaardingen en ½ punt aan de akte overlegging aanvullende producties, tevens houdende wijziging van eis. De helft daarvan komt voor rekening van Jama en [gedaagde 1] . Voor wat betreft het liquidatietarief sluit de rechtbank in de proceskostenveroordeling van Jama en [gedaagde 1] , gelet op hetgeen jegens hen in zaak 1 wordt toegewezen, aan bij tarief VIII. Ook van het door de Stichting betaalde griffierecht komt de helft voor rekening van Jama en [gedaagde 1] , evenals de kosten van de aan hen uitgebrachte dagvaardingsexploten. - dagvaardingen € 224,74 (112,37 + 112,37) - griffierecht € 3.308,50 (6.617 / 2) - salaris advocaat € 3.267,75 (1,5 punten x 4.357 / 2) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 6.978,99 4.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.9. De veroordelingen ten aanzien van Jama en [gedaagde 1] zullen, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Aansprakelijkheid Bewi en [gedaagde 2] 4.10. De rechtbank komt nu toe aan de beoordeling van de aansprakelijkheid van Bewi en [gedaagde 2] . Juridisch kader bestuurdersaansprakelijkheid 4.11. De rechtbank neemt in deze procedure het volgende juridisch kader tot uitgangspunt met betrekking tot de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid. Als een vennootschap jegens (een) derde(n) tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, geldt als uitgangspunt dat alleen die vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade van die derde(n). Onder bijzondere omstandigheden is echter ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder van de vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Deze hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover (een) derde(n) wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en doordat het maatschappelijk belang erbij gebaat is dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. 4.12. Van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van de bestuurder van een vennootschap kan sprake zijn als deze namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan terwijl hij wist, althans behoorde te weten, dat de vennootschap de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden voor de daardoor door de schuldeiser te lijden schade. Van persoonlijk ernstige verwijtbaarheid van een bestuurder kan verder sprake zijn indien die bestuurder willens en wetens heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, met schade voor zijn wederpartij als voorzienbaar gevolg. Het is ook mogelijk dat er op een andere grond ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van een bestuurder van een vennootschap bestaat, zodanig dat die bestuurder (persoonlijk) aansprakelijk is tegenover een schuldeiser van de vennootschap. 4.13. Als de aansprakelijke bestuurder van een rechtspersoon zelf ook een rechtspersoon is, dan rust deze aansprakelijkheid ingevolge artikel 2:11 BW tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. Deze bepaling wordt ook wel aangeduid als doorgeefluik en werkt door de bestuurders-rechtspersonen heen tot aan de natuurlijke persoon die statutair bestuurder is van de (laatste) bestuurder-rechtspersoon. Voor vestiging van aansprakelijkheid van een middellijk bestuurder (rechtspersoon of natuurlijke persoon) hoeft de schuldeiser niet te stellen/bewijzen dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, maar een indirect bestuurder kan zich wel disculperen en aan aansprakelijkheid ex artikel 2:11 BW ontkomen door (zelf) te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk géén ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bestuurdersaansprakelijkheid Bewi en [gedaagde 2] 4.14. Naar het oordeel van de rechtbank zijn Bewi en [gedaagde 2] in hun hoedanigheid van middellijk bestuurders van DBS2 Nederland aansprakelijk voor schade van de obligatiehouders I. De rechtbank licht dat oordeel in het hiernavolgende toe. Tekortkoming DBS2 Nederland 4.15. Voordat van bestuurdersaansprakelijkheid sprake kan zijn, moet vaststaan dat de vennootschap, in dit geval DBS2 Nederland, jegens (een) derde(n) tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt. In artikel 12 van de obligatievoorwaarden is bepaald dat sprake is van verzuim als DBS2 Nederland in gebreke blijft ter zake betaling van (aflossing van) de hoofdsom (artikel 12 a) of van rente (artikel 12 b) of een andere verplichting onder de obligatievoorwaarden niet nakomt (artikel 12 c) en deze nalatigheden ten minste dertig dagen voortduren nadat het gebrek per aangetekende brief aan DBS2 Nederland is medegedeeld. De Stichting heeft DBS2 Nederland per (aangetekende) brief van 3 mei 2024 ingebrekegesteld met betrekking tot betaling van aflossingen en rente en heeft DBS2 Nederland tot betaling gesommeerd (zie r.o. 2.27). Betaling door DBS2 Nederland is uitgebleven. Reeds hieruit volgt dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de obligatievoorwaarden door DBS2 Nederland. Verder is niet in geschil dat de Stichting daarom op grond van artikel 9 van de Trustakte gerechtigd is de obligatieleningen met contractuele rente vervroegd op te eisen. 4.16. Daarbij komt het volgende. Op grond van artikel 3 van de obligatievoorwaarden - gelezen in samenhang met de definities van het IM van 12 december 2019 - mocht DBS2 Nederland de opbrengst van de obligatieleningen alleen gebruiken voor het aankopen c.q. in eigendom verwerven, beheren, innen en het (doen) uitwinnen van vorderingen (van factoringklanten op debiteuren). Verder is bepaald dat de opbrengsten uit de activiteiten van DBS2 Nederland alleen gebruikt mogen worden (i) ter voldoening van haar verplichtingen onder de obligatievoorwaarden jegens de obligatiehouders en (ii) voor de aankoop c.q. het in eigendom verwerven, beheren, innen en het (doen) uitwinnen van vorderingen (van factoringklanten op debiteuren). Naar het oordeel van de rechtbank vallen de leningen aan Jama, [bedrijf 3] en HSM (zie r.o. 2.23) niet onder de in artikel 3 van de obligatievoorwaarden beschreven bestemming van de opbrengsten van de obligatieleningen en/of van de activiteiten van DBS2 Nederland. Ook hierom is sprake van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis jegens de obligatiehouders I door DBS2 Nederland. 4.17. De vorderingen jegens Bewi en [gedaagde 2] zijn gegrond op de artikelen 6:162 jo. 2:11 BW. Van aansprakelijkheid van Bewi en [gedaagde 2] als middellijk bestuurders van DBS2 Nederland kan eerst worden gesproken als aansprakelijkheid van direct bestuurder Jama vaststaat.
Volledig
De rechtbank zal daarom de gestelde aansprakelijkheid van Jama eerst beoordelen. Ondanks het tegen Jama in deze procedure verleende verstek, hebben Bewi en [gedaagde 2] immers (ten behoeve van henzelf) verweer gevoerd tegen de gestelde aansprakelijkheid van Jama. Bestuurdersaansprakelijkheid Jama 4.18. De rechtbank is van oordeel dat Jama een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden van de (diverse) tekortkomingen van DBS2 Nederland jegens de obligatiehouders I en overweegt daartoe als volgt. 4.19. Jama heeft als bestuurder bewerkstelligd of toegelaten dat DBS2 Nederland leningen heeft verstrekt aan haarzelf en aan partijen ( [bedrijf 3] en HSM) die aan haar (middellijk) bestuurders gelieerd zijn. Het verstrekken van deze leningen is in strijd met de obligatievoorwaarden (zie r.o. 4.16). Daarbij komt dat Jama en haar (indirecte) bestuurders, tevens aandeelhouders, een eigen financieel belang had(den) bij het aangaan van deze leningen. Dit belang c.q. deze belangen heeft Jama laten prevaleren boven het belang van DBS2 Nederland en de obligatiehouders. DBS2 Nederland had immers – naar de Stichting onbetwist heeft aangevoerd – geen belang bij het verstrekken van deze leningen. Zij zou hierop een lager rendement ontvangen dan dat zij zou ontvangen als deze geldsommen waren gebruikt voor factoringactiviteiten. Daarbij liep DBS2 Nederland een groter risico, omdat – anders dan de vorderingen die zij opkocht van haar factoringklanten – geen kredietverzekering was afgesloten ter zekerheid van de aflossing van de leningen aan Jama, [bedrijf 3] en HSM. Dit terwijl DBS2 Nederland in de IM de indruk wekt dat het bedrijfsrisico, en daarmee het beleggersrisico van de obligatiehouders, beperkt is omdat alle vorderingen die zij overneemt van haar factoringklanten zijn verzekerd bij een kredietverzekeraar die bij faillissement of wanbetaling 90% van de vordering uitkeert aan DBS2 Nederland. 4.20. Het onttrekken van grote sommen geld aan DBS2 Nederland richting Jama en aan haar (indirecte) bestuurders gelieerde partijen, zonder dat DBS2 Nederland daar enig commercieel en/of financieel belang bij had, valt Jama jegens de obligatiehouders I ernstig te verwijten. De Stichting heeft immers onbetwist gesteld dat DBS2 Nederland zelf een beperkt eigen vermogen had en voor de funding van haar bedrijfsactiviteiten afhankelijk was van de investeringen van obligatiehouders. Dat de obligatiehouders I zouden worden benadeeld door het op de hiervoor beschreven wijze (dus: zonder afdoende zekerheid tot terugbetaling te waarborgen) aanwenden van miljoenen voor andere doeleinden dan waarvoor deze bestemd waren, was voor Jama dan ook voorzienbaar. Dat geldt te meer nu de geldsommen werden verstrekt aan Jama zelf, en aan aan haar (indirecte) bestuurders, tevens aandeelhouders, gelieerde vennootschappen. Aangenomen moet worden dat Jama op de hoogte was van hun financiële positie en dus van het zich inmiddels verwezenlijkte risico dat de geleende bedragen grotendeels niet aan DBS2 Nederland zijn terugbetaald en DBS2 Nederland op haar beurt tot op heden niet aan haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I heeft voldaan. 4.21. Daarnaast heeft Jama als bestuurder bewerkstelligd of toegelaten dat DBS2 Nederland, naar de Stichting onbetwist heeft betoogd, de obligatiehouders I niet volledig en juist heeft geïnformeerd over de (financiële) ontwikkelingen bij DBS2 Nederland. Ook op dit punt is welbewust in strijd met de obligatievoorwaarden gehandeld, in het bijzonder ten aanzien van de Factris-constructie (zie r.o. 2.19). Het aangaan van de met de obligatievoorwaarden strijdige Factris-constructie, zonder daarover transparant te zijn tegenover de obligatiehouders, draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan het persoonlijk ernstig verwijt dat de obligatiehouders I Jama als bestuurder van DBS2 Nederland kunnen maken. Zij licht dat als volgt toe. 4.22. De factoringactiviteiten van DBS2 Nederland werden ingevolge de Factris-constructie sinds eind 2020 afgebouwd. Voor de obligatiehouders I werd pas begin 2024 duidelijk dat klanten van DBS2 Nederland sinds eind 2020 werden overgedragen aan Factris en dat DBS2 Nederland sindsdien geen nieuwe klanten meer wierf. [bedrijf 1] (een van de bestuurders en aandeelhouders van Jama) bleek een exclusieve brokerovereenkomst te zijn aangegaan met Factris. Deze hield in dat [bedrijf 1] uitsluitend nieuwe factoringklanten mocht aanbrengen bij Factris, en niet meer bij DBS2 Nederland. Dit terwijl de bestuurder van [bedrijf 1] , [gedaagde 1] , volgens de eigen stellingen van Bewi en [gedaagde 2] de drijvende commerciële kracht was binnen DBS2 Nederland voor het aanbrengen van nieuwe factoringklanten. Verder liepen de betalingen van factoringklanten niet meer rechtstreeks naar DBS2 Nederland, maar via [bedrijf 1] . Het op deze wijze overhevelen van de factoringactiviteiten van DBS2 Nederland was naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van DBS2 Nederland en in strijd met verplichtingen van DBS2 Nederland onder de obligatievoorwaarden. DBS2 Nederland was ingevolge artikel 12 sub g van de obligatievoorwaarden (waarin is bepaald dat sprake is van verzuim als DBS2 Nederland haar bedrijfsactiviteiten of een belangrijk deel daarvan staakt) in verzuim. Daarentegen had [bedrijf 1] bij de Factris-constructie een eigen financieel en commercieel belang. 4.23. Bewi en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat de Factris-constructie juist goede financiële vooruitzichten bood voor DBS2 Nederland waardoor zij aan haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I zou kunnen voldoen. Volgens Bewi en [gedaagde 2] was voor Jama bij het aangaan van de Factris-constructie dus helemaal niet voorzienbaar dat DBS2 Nederland niet aan haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I zou kunnen voldoen, dat deze schade zouden leiden en dat DBS2 Nederland voor die schade geen verhaal zou bieden. Volgens Bewi en [gedaagde 2] bleek vooral het volume van de middels de Factris-constructie te bedienen factoringklanten tegen te vallen, waardoor de opbrengsten lager uitvielen dan begroot. 4.24. De rechtbank constateert, met de Stichting, dat deze stellingname niet strookt met een passage in het faillissementsverslag van DBS2 Nederland van 12 september 2025, waarin staat: “ De eerste twee financieringsrondes zijn volgens het bestuur met succes afgerond. Bij de derde financieringsronde ontstonden er problemen in het kader van liquiditeiten, waardoor de rente en aflossing op de vorderingen van de Obligatiehouders niet konden worden voldaan. Uiteindelijk heeft het bestuur er daarom voor gekozen om de klantenportefeuille over te dragen aan de concurrent. De koopsom zou door de koper middels een earn-out worden voldaan middels een bedrag van gemiddeld € 50.000,00 per maand, zulks afhankelijk van de daadwerkelijk gerealiseerde marge door de koper. Bij het aangaan van deze transactie was het (volgens het bestuur) duidelijk dat met de te verwachten opbrengsten de vorderingen van de Obligatiehouders niet volledig zouden kunnen worden voldaan. ” Ook op herhaalde vragen van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling over de gestelde gunstige prognoses van de Factris-constructie hebben Bewi en [gedaagde 2] niet duidelijk kunnen maken hoe het belang van DBS2 Nederland en/of dat van de obligatiehouders zou zijn gediend bij de Factris-constructie. Het standpunt dat dat de Factris-constructie juist goede financiële vooruitzichten bood voor DBS2 Nederland waardoor zij aan haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I zou kunnen voldoen, is ook niet nader (met stukken) onderbouwd. 4.25. Op basis van dit alles concludeert de rechtbank dat Jama wist of had behoren te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelswijze in de vorm van het aangaan van de Factris-constructie tot gevolg zou hebben, of in ieder geval ertoe bij zou dragen, dat DBS2 Nederland haar verplichtingen jegens de obligatiehouders niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden. 4.26.
Volledig
De rechtbank zal daarom de gestelde aansprakelijkheid van Jama eerst beoordelen. Ondanks het tegen Jama in deze procedure verleende verstek, hebben Bewi en [gedaagde 2] immers (ten behoeve van henzelf) verweer gevoerd tegen de gestelde aansprakelijkheid van Jama. Bestuurdersaansprakelijkheid Jama 4.18. De rechtbank is van oordeel dat Jama een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden van de (diverse) tekortkomingen van DBS2 Nederland jegens de obligatiehouders I en overweegt daartoe als volgt. 4.19. Jama heeft als bestuurder bewerkstelligd of toegelaten dat DBS2 Nederland leningen heeft verstrekt aan haarzelf en aan partijen ( [bedrijf 3] en HSM) die aan haar (middellijk) bestuurders gelieerd zijn. Het verstrekken van deze leningen is in strijd met de obligatievoorwaarden (zie r.o. 4.16). Daarbij komt dat Jama en haar (indirecte) bestuurders, tevens aandeelhouders, een eigen financieel belang had(den) bij het aangaan van deze leningen. Dit belang c.q. deze belangen heeft Jama laten prevaleren boven het belang van DBS2 Nederland en de obligatiehouders. DBS2 Nederland had immers – naar de Stichting onbetwist heeft aangevoerd – geen belang bij het verstrekken van deze leningen. Zij zou hierop een lager rendement ontvangen dan dat zij zou ontvangen als deze geldsommen waren gebruikt voor factoringactiviteiten. Daarbij liep DBS2 Nederland een groter risico, omdat – anders dan de vorderingen die zij opkocht van haar factoringklanten – geen kredietverzekering was afgesloten ter zekerheid van de aflossing van de leningen aan Jama, [bedrijf 3] en HSM. Dit terwijl DBS2 Nederland in de IM de indruk wekt dat het bedrijfsrisico, en daarmee het beleggersrisico van de obligatiehouders, beperkt is omdat alle vorderingen die zij overneemt van haar factoringklanten zijn verzekerd bij een kredietverzekeraar die bij faillissement of wanbetaling 90% van de vordering uitkeert aan DBS2 Nederland. 4.20. Het onttrekken van grote sommen geld aan DBS2 Nederland richting Jama en aan haar (indirecte) bestuurders gelieerde partijen, zonder dat DBS2 Nederland daar enig commercieel en/of financieel belang bij had, valt Jama jegens de obligatiehouders I ernstig te verwijten. De Stichting heeft immers onbetwist gesteld dat DBS2 Nederland zelf een beperkt eigen vermogen had en voor de funding van haar bedrijfsactiviteiten afhankelijk was van de investeringen van obligatiehouders. Dat de obligatiehouders I zouden worden benadeeld door het op de hiervoor beschreven wijze (dus: zonder afdoende zekerheid tot terugbetaling te waarborgen) aanwenden van miljoenen voor andere doeleinden dan waarvoor deze bestemd waren, was voor Jama dan ook voorzienbaar. Dat geldt te meer nu de geldsommen werden verstrekt aan Jama zelf, en aan aan haar (indirecte) bestuurders, tevens aandeelhouders, gelieerde vennootschappen. Aangenomen moet worden dat Jama op de hoogte was van hun financiële positie en dus van het zich inmiddels verwezenlijkte risico dat de geleende bedragen grotendeels niet aan DBS2 Nederland zijn terugbetaald en DBS2 Nederland op haar beurt tot op heden niet aan haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I heeft voldaan. 4.21. Daarnaast heeft Jama als bestuurder bewerkstelligd of toegelaten dat DBS2 Nederland, naar de Stichting onbetwist heeft betoogd, de obligatiehouders I niet volledig en juist heeft geïnformeerd over de (financiële) ontwikkelingen bij DBS2 Nederland. Ook op dit punt is welbewust in strijd met de obligatievoorwaarden gehandeld, in het bijzonder ten aanzien van de Factris-constructie (zie r.o. 2.19). Het aangaan van de met de obligatievoorwaarden strijdige Factris-constructie, zonder daarover transparant te zijn tegenover de obligatiehouders, draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan het persoonlijk ernstig verwijt dat de obligatiehouders I Jama als bestuurder van DBS2 Nederland kunnen maken. Zij licht dat als volgt toe. 4.22. De factoringactiviteiten van DBS2 Nederland werden ingevolge de Factris-constructie sinds eind 2020 afgebouwd. Voor de obligatiehouders I werd pas begin 2024 duidelijk dat klanten van DBS2 Nederland sinds eind 2020 werden overgedragen aan Factris en dat DBS2 Nederland sindsdien geen nieuwe klanten meer wierf. [bedrijf 1] (een van de bestuurders en aandeelhouders van Jama) bleek een exclusieve brokerovereenkomst te zijn aangegaan met Factris. Deze hield in dat [bedrijf 1] uitsluitend nieuwe factoringklanten mocht aanbrengen bij Factris, en niet meer bij DBS2 Nederland. Dit terwijl de bestuurder van [bedrijf 1] , [gedaagde 1] , volgens de eigen stellingen van Bewi en [gedaagde 2] de drijvende commerciële kracht was binnen DBS2 Nederland voor het aanbrengen van nieuwe factoringklanten. Verder liepen de betalingen van factoringklanten niet meer rechtstreeks naar DBS2 Nederland, maar via [bedrijf 1] . Het op deze wijze overhevelen van de factoringactiviteiten van DBS2 Nederland was naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van DBS2 Nederland en in strijd met verplichtingen van DBS2 Nederland onder de obligatievoorwaarden. DBS2 Nederland was ingevolge artikel 12 sub g van de obligatievoorwaarden (waarin is bepaald dat sprake is van verzuim als DBS2 Nederland haar bedrijfsactiviteiten of een belangrijk deel daarvan staakt) in verzuim. Daarentegen had [bedrijf 1] bij de Factris-constructie een eigen financieel en commercieel belang. 4.23. Bewi en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat de Factris-constructie juist goede financiële vooruitzichten bood voor DBS2 Nederland waardoor zij aan haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I zou kunnen voldoen. Volgens Bewi en [gedaagde 2] was voor Jama bij het aangaan van de Factris-constructie dus helemaal niet voorzienbaar dat DBS2 Nederland niet aan haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I zou kunnen voldoen, dat deze schade zouden leiden en dat DBS2 Nederland voor die schade geen verhaal zou bieden. Volgens Bewi en [gedaagde 2] bleek vooral het volume van de middels de Factris-constructie te bedienen factoringklanten tegen te vallen, waardoor de opbrengsten lager uitvielen dan begroot. 4.24. De rechtbank constateert, met de Stichting, dat deze stellingname niet strookt met een passage in het faillissementsverslag van DBS2 Nederland van 12 september 2025, waarin staat: “ De eerste twee financieringsrondes zijn volgens het bestuur met succes afgerond. Bij de derde financieringsronde ontstonden er problemen in het kader van liquiditeiten, waardoor de rente en aflossing op de vorderingen van de Obligatiehouders niet konden worden voldaan. Uiteindelijk heeft het bestuur er daarom voor gekozen om de klantenportefeuille over te dragen aan de concurrent. De koopsom zou door de koper middels een earn-out worden voldaan middels een bedrag van gemiddeld € 50.000,00 per maand, zulks afhankelijk van de daadwerkelijk gerealiseerde marge door de koper. Bij het aangaan van deze transactie was het (volgens het bestuur) duidelijk dat met de te verwachten opbrengsten de vorderingen van de Obligatiehouders niet volledig zouden kunnen worden voldaan. ” Ook op herhaalde vragen van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling over de gestelde gunstige prognoses van de Factris-constructie hebben Bewi en [gedaagde 2] niet duidelijk kunnen maken hoe het belang van DBS2 Nederland en/of dat van de obligatiehouders zou zijn gediend bij de Factris-constructie. Het standpunt dat dat de Factris-constructie juist goede financiële vooruitzichten bood voor DBS2 Nederland waardoor zij aan haar verplichtingen jegens de obligatiehouders I zou kunnen voldoen, is ook niet nader (met stukken) onderbouwd. 4.25. Op basis van dit alles concludeert de rechtbank dat Jama wist of had behoren te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelswijze in de vorm van het aangaan van de Factris-constructie tot gevolg zou hebben, of in ieder geval ertoe bij zou dragen, dat DBS2 Nederland haar verplichtingen jegens de obligatiehouders niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden. 4.26.
Volledig
De rechtbank is van oordeel dat de Stichting niet voldoende heeft onderbouwd dat Jama (ook) een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van de het oplopen van de vordering van DBS2 Nederland op Woodyflex tot een bedrag van € 1.147.941,00. Bewi c.s. heeft toegelicht dat deze vordering is ontstaan uit een reguliere factoringrelatie met haar klant Woodyflex en dat de vordering initieel ook onder de kredietverzekering van DBS2 Nederland viel. Op enig moment is gebleken dat aan de zijde van Woodyflex sprake was van fraude waardoor de dekking onder de kredietverzekering is vervallen, aldus Bewi c.s.. Dit alles heeft de Stichting onvoldoende weersproken. Dat DBS2 Nederland er vervolgens voor heeft gekozen om de vordering op Woodyflex om te zetten in een lening, maakt op zichzelf niet dat aan Jama een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het debiteurenrisico van DBS2 Nederland werd daarmee immers niet groter. De Stichting heeft daarnaast betoogd dat de bestuurders een te groot risico hebben genomen door de vordering bij één factoringklant te laten oplopen tot het uitstaande bedrag van ruim 1 miljoen euro. Ook als het laten oplopen van een vordering bij één factoringklant moet worden gezien als een bedrijfsmatig risico, dan is dat op zichzelf echter geen grond voor bestuurdersaansprakelijkheid. Verklaring voor recht ten aanzien van Bewi en [gedaagde 2] 4.27. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Jama in de hoedanigheid van bestuurder van DBS2 Nederland ernstig persoonlijk verwijtbaar heeft gehandeld jegens de obligatiehouders I en dat zij daarom schadeplichtig is jegens de obligatiehouders I op grond van onrechtmatige daad. Omdat Jama een rechtspersoon-bestuurder is en Bewi en [gedaagde 2] ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van Jama (indirect) bestuurders van Jama waren, rust deze aansprakelijkheid ook hoofdelijk op hen. Bewi noch [gedaagde 2] heeft onderbouwd dat en waarom hen van de hiervoor vastgestelde onrechtmatige gedraging van Jama géén persoonlijk ernstig verwijt treft. In zoverre is de verklaring voor recht die de Stichting ten aanzien van Bewi en [gedaagde 2] heeft gevorderd, toewijsbaar (petitum sub I). 4.28. Nu de vordering jegens Bewi en [gedaagde 2] zal worden toegewezen op basis van de primaire grondslag, komt de rechtbank ten aanzien van hen niet toe aan de beoordeling van de subsidiaire grondslag (petitum sub V). Schade 4.29. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat Bewi en [gedaagde 2] als indirect bestuurders van DBS2 Nederland onrechtmatig hebben gehandeld jegens de obligatiehouders I. Om de schade die de obligatiehouders I als gevolg daarvan hebben geleden vast te stellen, moet de feitelijke situatie worden afgezet tegen het hypothetische scenario waarin het onrechtmatig handelen niet had plaatsgevonden. 4.30. De Stichting heeft gesteld dat de feitelijke situatie ten tijde van de mondelinge behandeling is dat de obligatiehouders I een openstaande vordering van € 5.530.000,00 op DBS2 Nederland hebben. Dit betreft de verstrekte, maar niet terugbetaalde obligatieleningen. Daarnaast bestaat een vordering van € 332.444,12 betreffende misgelopen en nog mis te lopen contractuele rente tot aan de einddata van de obligatieleningen. Volgens de Stichting is het redelijk om te verwachten dat DBS2 Nederland deze gehele vorderingen onbetaald zal laten. 4.31. De Stichting heeft aan de primair gevorderde schadebedragen het volgende hypothetische scenario (de onrechtmatige daad weggedacht) ten grondslag gelegd. Als het bestuur van DBS2 Nederland geen leningen had verstrekt aan Jama, HSM en [bedrijf 3] , als zij voor de kredieten die zij verstrekte een kredietverzekering had afgesloten en/of als zij de Factris-constructie – die in feite staking van de onderneming van DBS2 Nederland inhield – niet was aangegaan, dan zou DBS2 Nederland voldoende middelen hebben gehad om de obligatiehouders I de volledige leningen en de contractuele rente (terug) te kunnen betalen. 4.32. De Stichting gaat er in de schadeberekening die ten grondslag ligt aan haar primaire vorderingen van uit dat de obligatiehouders I in het hypothetische scenario (de onrechtmatige daad weggedacht) geen enkel verlies zouden hebben geleden op hun investeringen. De (primair gevorderde) schade bedraagt daarom het volledige bedrag dat de obligatiehouders I in de feitelijke situatie niet kunnen innen, aldus de Stichting. 4.33. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Stichting voldoende onderbouwd, en hebben Bewi en [gedaagde 2] daartegenover onvoldoende gemotiveerd betwist, dat de onrechtmatige gedragingen van Jama eraan hebben bijgedragen dat de obligatiehouders I nog geen of te weinig terugbetalingen en rentebetalingen hebben ontvangen. Er bestaat daarmee een causaal verband tussen het ernstig persoonlijk verwijtbaar handelen van Jama en het niet voldoen aan betalingsverplichtingen door DBS2 Nederland. De rechtbank acht de hoogte van de schade op dit moment echter, tegenover de betwisting daarvan door Bewi en [gedaagde 2] , onvoldoende onderbouwd om nu reeds de schade te kunnen begroten. 4.34. Daarvoor is ten eerste redengevend dat het faillissement van DBS2 Nederland nog niet is afgewikkeld en dat dus onduidelijk is of de obligatiehouders I uit de boedel uitkeringen zullen krijgen. De Stichting heeft er weliswaar op gewezen dat uit het faillissementsverslag van 12 september 2025 blijkt dat het boedelsaldo op dat moment slechts € 23.213,01 bedroeg en dat daarvan ook nog het salaris van de curator moet worden betaald. DBS2 Nederland heeft echter aanzienlijke vorderingen op Jama, [bedrijf 3] en HSM (zie ook hierna). Ook als de curator er niet in zou slagen die vorderingen integraal te innen, kan op dit moment – anders dan de Stichting heeft betoogd – naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat er geen enkele uitkering uit de boedel van DBS2 Nederland aan de obligatiehouders I zal plaatsvinden. De feitelijke situatie is voor de rechtbank dus, met andere woorden, nog niet vast te stellen. 4.35. Ten tweede geldt dat als Jama ervoor had gezorgd dat ten behoeve van alle door DBS2 Nederland verstrekte leningen een kredietverzekering was afgesloten, zekerheid had bestaan tot 90% van het bedrag van de verstrekte leningen. Daarom is het naar het oordeel van de rechtbank geen gegeven dat de obligatiehouders, de onrechtmatige handelingen van Jama weggedacht, hun volledige inleg (100%) met rente zouden terug ontvangen. Verder geldt dat sprake is van een vorm van beleggen. Bewi en [gedaagde 2] hebben er – terecht – op gewezen dat in de IM die voor de obligatiehouders I beschikbaar waren voordat zij in zee gingen met DBS2 Nederland, is vermeld dat de obligatiehouders I – kort gezegd – om verschillende redenen het risico liepen niet hun volledig inleg terug te krijgen. De hypothetische situatie die de Stichting heeft geschetst acht de rechtbank daarom onvoldoende onderbouwd. 4.36. Omdat de Stichting wel voldoende heeft onderbouwd dat de mogelijkheid aannemelijk is dat de obligatiehouders I schade hebben geleden door het onrechtmatig handelen van Jama (waarop ook de aansprakelijkheid van Bewi en [gedaagde 2] is gebaseerd), zal de rechtbank partijen naar de schadestaatprocedure verwijzen. Daar kan ook het beroep dat Bewi en [gedaagde 2] hebben gedaan op matiging aan de orde komen. 4.37. De Stichting heeft nog geopperd dat, in het geval dat een uitkering uit DBS2 Nederland aan de obligatiehouders I wordt verwacht, de schade van de obligatiehouders I toch in de onderhavige procedure kan worden begroot. De obligatiehouders I zouden hun vorderingen op DBS2 Nederland ter overname kunnen aanbieden aan Jama en/of aan de overige gedaagden, onder de opschortende voorwaarde dat Jama en/of de andere gedaagden de schade aan de obligatiehouders I heeft/hebben betaald. De rechtbank gaat aan deze (meer subsidiair geformuleerde) suggestie voorbij. Het staat partijen vrij om een minnelijke regeling te treffen in een dergelijke vorm. Voor een rechterlijk bevel langs deze lijnen bestaat echter geen grond. Eigen schuld 4.38. Bewi en [gedaagde 2] hebben een beroep gedaan op eigen schuld van de obligatiehouders I.
Volledig
De rechtbank is van oordeel dat de Stichting niet voldoende heeft onderbouwd dat Jama (ook) een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van de het oplopen van de vordering van DBS2 Nederland op Woodyflex tot een bedrag van € 1.147.941,00. Bewi c.s. heeft toegelicht dat deze vordering is ontstaan uit een reguliere factoringrelatie met haar klant Woodyflex en dat de vordering initieel ook onder de kredietverzekering van DBS2 Nederland viel. Op enig moment is gebleken dat aan de zijde van Woodyflex sprake was van fraude waardoor de dekking onder de kredietverzekering is vervallen, aldus Bewi c.s.. Dit alles heeft de Stichting onvoldoende weersproken. Dat DBS2 Nederland er vervolgens voor heeft gekozen om de vordering op Woodyflex om te zetten in een lening, maakt op zichzelf niet dat aan Jama een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het debiteurenrisico van DBS2 Nederland werd daarmee immers niet groter. De Stichting heeft daarnaast betoogd dat de bestuurders een te groot risico hebben genomen door de vordering bij één factoringklant te laten oplopen tot het uitstaande bedrag van ruim 1 miljoen euro. Ook als het laten oplopen van een vordering bij één factoringklant moet worden gezien als een bedrijfsmatig risico, dan is dat op zichzelf echter geen grond voor bestuurdersaansprakelijkheid. Verklaring voor recht ten aanzien van Bewi en [gedaagde 2] 4.27. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Jama in de hoedanigheid van bestuurder van DBS2 Nederland ernstig persoonlijk verwijtbaar heeft gehandeld jegens de obligatiehouders I en dat zij daarom schadeplichtig is jegens de obligatiehouders I op grond van onrechtmatige daad. Omdat Jama een rechtspersoon-bestuurder is en Bewi en [gedaagde 2] ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van Jama (indirect) bestuurders van Jama waren, rust deze aansprakelijkheid ook hoofdelijk op hen. Bewi noch [gedaagde 2] heeft onderbouwd dat en waarom hen van de hiervoor vastgestelde onrechtmatige gedraging van Jama géén persoonlijk ernstig verwijt treft. In zoverre is de verklaring voor recht die de Stichting ten aanzien van Bewi en [gedaagde 2] heeft gevorderd, toewijsbaar (petitum sub I). 4.28. Nu de vordering jegens Bewi en [gedaagde 2] zal worden toegewezen op basis van de primaire grondslag, komt de rechtbank ten aanzien van hen niet toe aan de beoordeling van de subsidiaire grondslag (petitum sub V). Schade 4.29. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat Bewi en [gedaagde 2] als indirect bestuurders van DBS2 Nederland onrechtmatig hebben gehandeld jegens de obligatiehouders I. Om de schade die de obligatiehouders I als gevolg daarvan hebben geleden vast te stellen, moet de feitelijke situatie worden afgezet tegen het hypothetische scenario waarin het onrechtmatig handelen niet had plaatsgevonden. 4.30. De Stichting heeft gesteld dat de feitelijke situatie ten tijde van de mondelinge behandeling is dat de obligatiehouders I een openstaande vordering van € 5.530.000,00 op DBS2 Nederland hebben. Dit betreft de verstrekte, maar niet terugbetaalde obligatieleningen. Daarnaast bestaat een vordering van € 332.444,12 betreffende misgelopen en nog mis te lopen contractuele rente tot aan de einddata van de obligatieleningen. Volgens de Stichting is het redelijk om te verwachten dat DBS2 Nederland deze gehele vorderingen onbetaald zal laten. 4.31. De Stichting heeft aan de primair gevorderde schadebedragen het volgende hypothetische scenario (de onrechtmatige daad weggedacht) ten grondslag gelegd. Als het bestuur van DBS2 Nederland geen leningen had verstrekt aan Jama, HSM en [bedrijf 3] , als zij voor de kredieten die zij verstrekte een kredietverzekering had afgesloten en/of als zij de Factris-constructie – die in feite staking van de onderneming van DBS2 Nederland inhield – niet was aangegaan, dan zou DBS2 Nederland voldoende middelen hebben gehad om de obligatiehouders I de volledige leningen en de contractuele rente (terug) te kunnen betalen. 4.32. De Stichting gaat er in de schadeberekening die ten grondslag ligt aan haar primaire vorderingen van uit dat de obligatiehouders I in het hypothetische scenario (de onrechtmatige daad weggedacht) geen enkel verlies zouden hebben geleden op hun investeringen. De (primair gevorderde) schade bedraagt daarom het volledige bedrag dat de obligatiehouders I in de feitelijke situatie niet kunnen innen, aldus de Stichting. 4.33. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Stichting voldoende onderbouwd, en hebben Bewi en [gedaagde 2] daartegenover onvoldoende gemotiveerd betwist, dat de onrechtmatige gedragingen van Jama eraan hebben bijgedragen dat de obligatiehouders I nog geen of te weinig terugbetalingen en rentebetalingen hebben ontvangen. Er bestaat daarmee een causaal verband tussen het ernstig persoonlijk verwijtbaar handelen van Jama en het niet voldoen aan betalingsverplichtingen door DBS2 Nederland. De rechtbank acht de hoogte van de schade op dit moment echter, tegenover de betwisting daarvan door Bewi en [gedaagde 2] , onvoldoende onderbouwd om nu reeds de schade te kunnen begroten. 4.34. Daarvoor is ten eerste redengevend dat het faillissement van DBS2 Nederland nog niet is afgewikkeld en dat dus onduidelijk is of de obligatiehouders I uit de boedel uitkeringen zullen krijgen. De Stichting heeft er weliswaar op gewezen dat uit het faillissementsverslag van 12 september 2025 blijkt dat het boedelsaldo op dat moment slechts € 23.213,01 bedroeg en dat daarvan ook nog het salaris van de curator moet worden betaald. DBS2 Nederland heeft echter aanzienlijke vorderingen op Jama, [bedrijf 3] en HSM (zie ook hierna). Ook als de curator er niet in zou slagen die vorderingen integraal te innen, kan op dit moment – anders dan de Stichting heeft betoogd – naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat er geen enkele uitkering uit de boedel van DBS2 Nederland aan de obligatiehouders I zal plaatsvinden. De feitelijke situatie is voor de rechtbank dus, met andere woorden, nog niet vast te stellen. 4.35. Ten tweede geldt dat als Jama ervoor had gezorgd dat ten behoeve van alle door DBS2 Nederland verstrekte leningen een kredietverzekering was afgesloten, zekerheid had bestaan tot 90% van het bedrag van de verstrekte leningen. Daarom is het naar het oordeel van de rechtbank geen gegeven dat de obligatiehouders, de onrechtmatige handelingen van Jama weggedacht, hun volledige inleg (100%) met rente zouden terug ontvangen. Verder geldt dat sprake is van een vorm van beleggen. Bewi en [gedaagde 2] hebben er – terecht – op gewezen dat in de IM die voor de obligatiehouders I beschikbaar waren voordat zij in zee gingen met DBS2 Nederland, is vermeld dat de obligatiehouders I – kort gezegd – om verschillende redenen het risico liepen niet hun volledig inleg terug te krijgen. De hypothetische situatie die de Stichting heeft geschetst acht de rechtbank daarom onvoldoende onderbouwd. 4.36. Omdat de Stichting wel voldoende heeft onderbouwd dat de mogelijkheid aannemelijk is dat de obligatiehouders I schade hebben geleden door het onrechtmatig handelen van Jama (waarop ook de aansprakelijkheid van Bewi en [gedaagde 2] is gebaseerd), zal de rechtbank partijen naar de schadestaatprocedure verwijzen. Daar kan ook het beroep dat Bewi en [gedaagde 2] hebben gedaan op matiging aan de orde komen. 4.37. De Stichting heeft nog geopperd dat, in het geval dat een uitkering uit DBS2 Nederland aan de obligatiehouders I wordt verwacht, de schade van de obligatiehouders I toch in de onderhavige procedure kan worden begroot. De obligatiehouders I zouden hun vorderingen op DBS2 Nederland ter overname kunnen aanbieden aan Jama en/of aan de overige gedaagden, onder de opschortende voorwaarde dat Jama en/of de andere gedaagden de schade aan de obligatiehouders I heeft/hebben betaald. De rechtbank gaat aan deze (meer subsidiair geformuleerde) suggestie voorbij. Het staat partijen vrij om een minnelijke regeling te treffen in een dergelijke vorm. Voor een rechterlijk bevel langs deze lijnen bestaat echter geen grond. Eigen schuld 4.38. Bewi en [gedaagde 2] hebben een beroep gedaan op eigen schuld van de obligatiehouders I.
Volledig
Kortweg hebben zij betoogd dat de obligatiehouders I hun schade (deels) aan zichzelf te wijten hebben, door de in gang gezette rechtsmaatregelen van de Stichting, waaronder het persoonlijk aansprakelijk stellen van de middellijk bestuurders van DBS2 Nederland, het leggen van conservatoire beslagen ten laste van hen en het aanvragen van het faillissement van DBS2 Nederland. Ook heeft het handelen van de obligatiehouders I c.q. de Stichting ervoor gezorgd dat [gedaagde 1] en zijn vennootschap [bedrijf 1] “het bijltje erbij neer hebben gegooid”, aldus Bewi en [gedaagde 2] . 4.39. De rechtbank verwerpt het beroep op eigen schuld, reeds omdat de (mogelijkheid van) schade van de obligatiehouders I al was ontstaan vóórdat de eerste sommatiebrief van de Stichting werd verstuurd, de bedoelde beslagen werden gelegd, het faillissement van DBS2 Nederland werd aangevraagd en vóórdat de dagvaarding in de onderhavige procedure werd uitgebracht. Beslagkosten 4.26. De Stichting vordert tevens hoofdelijke veroordeling van Bewi en [gedaagde 2] tot vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt voor het leggen van derdenbeslagen op bankrekeningen (petitum sub VII). Deze gevorderde kosten (verschotten) van in totaal € 1.916,78 zijn voldoende met stukken onderbouwd en zullen worden toegewezen. Aansprakelijkheid HSM Juridisch kader 4.40. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het handelen met iemand, terwijl men weet dat deze door dit handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, op zichzelf jegens die derde niet onrechtmatig. Of een dergelijk, gewoonlijk als profiteren of gebruikmaken van wanprestatie aangeduid, handelen jegens die derde onrechtmatig is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Zo kan van onrechtmatigheid sprake zijn als een aangesproken partij (in dit geval HSM) weet of behoort te weten dat zijn wederpartij door het sluiten van de desbetreffende overeenkomst, kort gezegd, wanprestatie pleegt tegenover een derde, en bovendien sprake is van bijkomende omstandigheden. Wanprestatie DBS2 Nederland 4.41. Hiervoor is reeds geoordeeld dat sprake is van wanprestatie van DBS2 Nederland jegens de obligatiehouders I, door onder meer een lening ter grootte van € 600.000,00 te verstrekken aan HSM. De rechtbank verwijst naar r.o. 4.16. Onrechtmatig handelen HSM 4.42. HSM heeft op 20 januari 2023 een leningsovereenkomst gesloten met DBS2 Nederland voor een bedrag van € 600.000,00. Niet in geschil is dat hiervan nog een bedrag van € 589.000,00 open staat. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft DBS2 Nederland met het verstrekken van die lening in strijd met de obligatievoorwaarden gehandeld. Meer specifiek is dit in strijd met de bestemmingsbepaling van artikel 3 van de obligatievoorwaarden. De vraag is nu, of sprake is van (bijkomende) omstandigheden die maken dat het aangaan van de lening door HSM jegens de obligatiehouders I onrechtmatig is. 4.43. Ten tijde van het verstrekken van de bedragen aan HSM was [gedaagde 2] zowel indirect bestuurder van DBS2 Nederland, als bestuurder en enig aandeelhouder van HSM. Daarmee staat vast dat HSM (althans haar bestuurder) wist dat DBS2 Nederland jegens de obligatiehouders I was gebonden aan de obligatievoorwaarden én dat het verstrekken van de lening aan HSM in strijd was met die voorwaarden. Verder is voor de vraag of in dit geval het profiteren van de wanprestatie van DBS2 Nederland onrechtmatig is, relevant dat DBS2 Nederland geen commercieel of financieel belang had bij het verstrekken van de lening. Het rendement op de lening aan HSM (8% rente per jaar) was – naar de Stichting onbetwist heeft aangevoerd – lager dan het rendement dat DBS2 Nederland ontving voor haar factoringactiviteiten. Bovendien was voor HSM, vanwege de betrokkenheid van haar bestuurder bij DBS2 Nederland, ten tijde van het sluiten van de leningsovereenkomst (januari 2023) al bekend dat DBS2 Nederland er financieel niet goed voorstond. Het verstrekken van de lening (dus: het onttrekken van een substantieel bedrag aan DBS2 Nederland) heeft die positie alleen maar verslechterd, ten gunste van een vennootschap waarvan een van de twee middellijk bestuurders van DBS2 Nederland niet alleen bestuurder, maar ook enig aandeelhouder was. Daarbij komt nog dat voor het bedrag van de lening aan HSM geen kredietverzekering was afgesloten die de obligatiehouders I zekerheid zou bieden van 90% terugbetaling van die lening. Onder deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het profiteren door HSM van de wanprestatie van DBS2 Nederland onder artikel 3 van de obligatievoorwaarden jegens de obligatiehouders I onrechtmatig. Primaire vordering ten aanzien van HSM 4.44. Hiervoor is geoordeeld dat HSM onrechtmatig heeft gehandeld jegens de obligatiehouders I. Dit betreft een andere aansprakelijkheid dan die van Jama, Bewi en [gedaagde 2] als (middellijk) bestuurders van DBS2 Nederland (zie r.o. 4.27). Het verstrekken van de lening aan HSM van € 600.000,00 heeft naar het oordeel van de rechtbank ook niet dezelfde schade veroorzaakt als het onrechtmatig handelen van de (middellijk) bestuurders van DBS2 Nederland. HSM is door haar onrechtmatig profiteren van de wanprestatie van DBS2 Nederland daarom niet hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die de obligatiehouders I hebben geleden door het onrechtmatig handelen van de (middellijk) bestuurders van DBS2 Nederland. Althans is die stelling van de Stichting onvoldoende onderbouwd. De primair geformuleerde vordering jegens HSM (petitum sub I) wordt daarom afgewezen. Subsidiaire vordering ten aanzien van HSM 4.45. Subsidiair heeft de Stichting gevorderd HSM hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de Stichting van de schade van de obligatiehouders I, bestaande uit de door HSM van DBS2 Nederland ontvangen en niet terugbetaalde bedragen van in totaal € 589.000,00. De rechtbank overweegt daarover als volgt. 4.46. De Stichting heeft aangevoerd dat het onrechtmatig profiteren van wanprestatie door HSM heeft geleid tot schade bij de obligatiehouders ter grootte van het bedrag dat HSM van DBS2 Nederland heeft geleend en niet heeft terugbetaald. De hypothetische situatie zonder het onrechtmatig handelen van HSM is volgens de Stichting dat er € 589.000,00 meer in kas zou hebben gezeten bij DBS2 Nederland. Daarmee hadden factoringactiviteiten verricht kunnen worden en obligatiehouders betaald kunnen worden. Als gevolg van de onrechtmatig verstrekte lening aan HSM zit dit bedrag niet meer in kas bij DBS2 Nederland. DBS2 Nederland is inmiddels failliet en HSM heeft te weinig financiële middelen om de lening terug te betalen, aldus de Stichting. 4.47. Zoals hiervoor onder 4.44 is overwogen moet het onrechtmatig handelen van HSM op zichzelf worden beschouwd en is geen sprake van een en dezelfde onrechtmatige gedraging van de bestuurders en van HSM. Dat maakt dat ook ten aanzien van de schade enkel de onrechtmatige gedraging van HSM in aanmerking moet worden genomen in de vergelijking tussen de werkelijke situatie en de hypothetische situatie. In die laatste situatie, de onrechtmatige gedraging van HSM weggedacht, had DBS2 Nederland € 589.000 meer in kas gehad waar zij factoring activiteiten mee had kunnen verrichten, zoals de Stichting ook zelf stelt. Het is daarmee geen gegeven, en de Stichting heeft onvoldoende onderbouwd, dat dit ertoe had geleid dat het ‘onttrokken’ bedrag van € 589.000 geheel ten goede was gekomen aan de obligatiehouders. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder 4.35 heeft overwogen. Daarnaast heeft DBS2 Nederland vanwege de lening een vordering op HSM verkregen die zij in de hypothetische situatie niet had verkregen. Die vordering zit thans in de boedel en het is nog niet duidelijk in hoeverre deze kan worden geïnd en wat hiervan alsnog ten goede komt aan de obligatiehouders. Dit betekent dat nog niet vastgesteld kan worden wat de omvang van de schade van de obligatiehouders is die HSM heeft veroorzaakt door het verkrijgen van de lening van DBS2 Nederland. 4.48.
Volledig
Kortweg hebben zij betoogd dat de obligatiehouders I hun schade (deels) aan zichzelf te wijten hebben, door de in gang gezette rechtsmaatregelen van de Stichting, waaronder het persoonlijk aansprakelijk stellen van de middellijk bestuurders van DBS2 Nederland, het leggen van conservatoire beslagen ten laste van hen en het aanvragen van het faillissement van DBS2 Nederland. Ook heeft het handelen van de obligatiehouders I c.q. de Stichting ervoor gezorgd dat [gedaagde 1] en zijn vennootschap [bedrijf 1] “het bijltje erbij neer hebben gegooid”, aldus Bewi en [gedaagde 2] . 4.39. De rechtbank verwerpt het beroep op eigen schuld, reeds omdat de (mogelijkheid van) schade van de obligatiehouders I al was ontstaan vóórdat de eerste sommatiebrief van de Stichting werd verstuurd, de bedoelde beslagen werden gelegd, het faillissement van DBS2 Nederland werd aangevraagd en vóórdat de dagvaarding in de onderhavige procedure werd uitgebracht. Beslagkosten 4.26. De Stichting vordert tevens hoofdelijke veroordeling van Bewi en [gedaagde 2] tot vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt voor het leggen van derdenbeslagen op bankrekeningen (petitum sub VII). Deze gevorderde kosten (verschotten) van in totaal € 1.916,78 zijn voldoende met stukken onderbouwd en zullen worden toegewezen. Aansprakelijkheid HSM Juridisch kader 4.40. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het handelen met iemand, terwijl men weet dat deze door dit handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, op zichzelf jegens die derde niet onrechtmatig. Of een dergelijk, gewoonlijk als profiteren of gebruikmaken van wanprestatie aangeduid, handelen jegens die derde onrechtmatig is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Zo kan van onrechtmatigheid sprake zijn als een aangesproken partij (in dit geval HSM) weet of behoort te weten dat zijn wederpartij door het sluiten van de desbetreffende overeenkomst, kort gezegd, wanprestatie pleegt tegenover een derde, en bovendien sprake is van bijkomende omstandigheden. Wanprestatie DBS2 Nederland 4.41. Hiervoor is reeds geoordeeld dat sprake is van wanprestatie van DBS2 Nederland jegens de obligatiehouders I, door onder meer een lening ter grootte van € 600.000,00 te verstrekken aan HSM. De rechtbank verwijst naar r.o. 4.16. Onrechtmatig handelen HSM 4.42. HSM heeft op 20 januari 2023 een leningsovereenkomst gesloten met DBS2 Nederland voor een bedrag van € 600.000,00. Niet in geschil is dat hiervan nog een bedrag van € 589.000,00 open staat. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft DBS2 Nederland met het verstrekken van die lening in strijd met de obligatievoorwaarden gehandeld. Meer specifiek is dit in strijd met de bestemmingsbepaling van artikel 3 van de obligatievoorwaarden. De vraag is nu, of sprake is van (bijkomende) omstandigheden die maken dat het aangaan van de lening door HSM jegens de obligatiehouders I onrechtmatig is. 4.43. Ten tijde van het verstrekken van de bedragen aan HSM was [gedaagde 2] zowel indirect bestuurder van DBS2 Nederland, als bestuurder en enig aandeelhouder van HSM. Daarmee staat vast dat HSM (althans haar bestuurder) wist dat DBS2 Nederland jegens de obligatiehouders I was gebonden aan de obligatievoorwaarden én dat het verstrekken van de lening aan HSM in strijd was met die voorwaarden. Verder is voor de vraag of in dit geval het profiteren van de wanprestatie van DBS2 Nederland onrechtmatig is, relevant dat DBS2 Nederland geen commercieel of financieel belang had bij het verstrekken van de lening. Het rendement op de lening aan HSM (8% rente per jaar) was – naar de Stichting onbetwist heeft aangevoerd – lager dan het rendement dat DBS2 Nederland ontving voor haar factoringactiviteiten. Bovendien was voor HSM, vanwege de betrokkenheid van haar bestuurder bij DBS2 Nederland, ten tijde van het sluiten van de leningsovereenkomst (januari 2023) al bekend dat DBS2 Nederland er financieel niet goed voorstond. Het verstrekken van de lening (dus: het onttrekken van een substantieel bedrag aan DBS2 Nederland) heeft die positie alleen maar verslechterd, ten gunste van een vennootschap waarvan een van de twee middellijk bestuurders van DBS2 Nederland niet alleen bestuurder, maar ook enig aandeelhouder was. Daarbij komt nog dat voor het bedrag van de lening aan HSM geen kredietverzekering was afgesloten die de obligatiehouders I zekerheid zou bieden van 90% terugbetaling van die lening. Onder deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het profiteren door HSM van de wanprestatie van DBS2 Nederland onder artikel 3 van de obligatievoorwaarden jegens de obligatiehouders I onrechtmatig. Primaire vordering ten aanzien van HSM 4.44. Hiervoor is geoordeeld dat HSM onrechtmatig heeft gehandeld jegens de obligatiehouders I. Dit betreft een andere aansprakelijkheid dan die van Jama, Bewi en [gedaagde 2] als (middellijk) bestuurders van DBS2 Nederland (zie r.o. 4.27). Het verstrekken van de lening aan HSM van € 600.000,00 heeft naar het oordeel van de rechtbank ook niet dezelfde schade veroorzaakt als het onrechtmatig handelen van de (middellijk) bestuurders van DBS2 Nederland. HSM is door haar onrechtmatig profiteren van de wanprestatie van DBS2 Nederland daarom niet hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die de obligatiehouders I hebben geleden door het onrechtmatig handelen van de (middellijk) bestuurders van DBS2 Nederland. Althans is die stelling van de Stichting onvoldoende onderbouwd. De primair geformuleerde vordering jegens HSM (petitum sub I) wordt daarom afgewezen. Subsidiaire vordering ten aanzien van HSM 4.45. Subsidiair heeft de Stichting gevorderd HSM hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de Stichting van de schade van de obligatiehouders I, bestaande uit de door HSM van DBS2 Nederland ontvangen en niet terugbetaalde bedragen van in totaal € 589.000,00. De rechtbank overweegt daarover als volgt. 4.46. De Stichting heeft aangevoerd dat het onrechtmatig profiteren van wanprestatie door HSM heeft geleid tot schade bij de obligatiehouders ter grootte van het bedrag dat HSM van DBS2 Nederland heeft geleend en niet heeft terugbetaald. De hypothetische situatie zonder het onrechtmatig handelen van HSM is volgens de Stichting dat er € 589.000,00 meer in kas zou hebben gezeten bij DBS2 Nederland. Daarmee hadden factoringactiviteiten verricht kunnen worden en obligatiehouders betaald kunnen worden. Als gevolg van de onrechtmatig verstrekte lening aan HSM zit dit bedrag niet meer in kas bij DBS2 Nederland. DBS2 Nederland is inmiddels failliet en HSM heeft te weinig financiële middelen om de lening terug te betalen, aldus de Stichting. 4.47. Zoals hiervoor onder 4.44 is overwogen moet het onrechtmatig handelen van HSM op zichzelf worden beschouwd en is geen sprake van een en dezelfde onrechtmatige gedraging van de bestuurders en van HSM. Dat maakt dat ook ten aanzien van de schade enkel de onrechtmatige gedraging van HSM in aanmerking moet worden genomen in de vergelijking tussen de werkelijke situatie en de hypothetische situatie. In die laatste situatie, de onrechtmatige gedraging van HSM weggedacht, had DBS2 Nederland € 589.000 meer in kas gehad waar zij factoring activiteiten mee had kunnen verrichten, zoals de Stichting ook zelf stelt. Het is daarmee geen gegeven, en de Stichting heeft onvoldoende onderbouwd, dat dit ertoe had geleid dat het ‘onttrokken’ bedrag van € 589.000 geheel ten goede was gekomen aan de obligatiehouders. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder 4.35 heeft overwogen. Daarnaast heeft DBS2 Nederland vanwege de lening een vordering op HSM verkregen die zij in de hypothetische situatie niet had verkregen. Die vordering zit thans in de boedel en het is nog niet duidelijk in hoeverre deze kan worden geïnd en wat hiervan alsnog ten goede komt aan de obligatiehouders. Dit betekent dat nog niet vastgesteld kan worden wat de omvang van de schade van de obligatiehouders is die HSM heeft veroorzaakt door het verkrijgen van de lening van DBS2 Nederland. 4.48.
Volledig
Omdat de Stichting wel voldoende heeft onderbouwd dat de mogelijkheid aannemelijk is dat de obligatiehouders I schade hebben geleden door het onrechtmatig handelen van HSM, zal de rechtbank partijen naar de schadestaatprocedure verwijzen. Daar kan ook het beroep dat HSM heeft gedaan op matiging aan de orde komen. De subsidiair geformuleerde vordering jegens HSM (petitum sub IV) zal, gelet op dit alles, in gewijzigde vorm worden toegewezen. Eigen schuld 4.49. Ook HSM heeft een beroep gedaan op eigen schuld van de obligatiehouders I, gebaseerd op dezelfde redenering als Bewi en [gedaagde 2] . De rechtbank verwerpt dit beroep en verwijst naar hetgeen zij daarover heeft overwogen in r.o. 4.38 en 4.39. Buitengerechtelijke kosten t.a.v. Bewi, [gedaagde 2] en HSM 4.25. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (petitum sub VI) ook ten aanzien van Bewi, [gedaagde 2] en HSM moet worden afgewezen en verwijst naar hetgeen zij daarover heeft overwogen in r.o. 4.5. Proceskosten, wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring t.a.v. Bewi, [gedaagde 2] en HSM 4.50. Bewi, [gedaagde 2] en HSM zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot zoals hieronder vermeld. Voor wat betreft het salaris advocaat kent de rechtbank 1 punt toe aan de dagvaardingen en ½ punt aan de akte overlegging aanvullende producties, tevens houdende wijziging van eis. De helft van dit puntenaantal komt voor rekening van Bewi, [gedaagde 2] en HSM. Daarnaast kent de rechtbank 1 punt toe aan de mondelinge behandeling, die geheel voor hun rekening komt. Voor wat betreft het liquidatietarief sluit de rechtbank in de proceskostenveroordeling van Bewi, [gedaagde 2] en HSM, gelet op hetgeen jegens hen in zaak 1 wordt toegewezen, aan bij tarief II (zaken van onbepaalde waarde). Ook de helft van het door de Stichting betaalde griffierecht komt voor rekening van Bewi, [gedaagde 2] en HSM en de kosten van de aan hen uitgebrachte dagvaardingsexploten. - dagvaardingen € 224,74 (112,37 + 112,37) - griffierecht € 3.308,50 (6.617 / 2) - salaris advocaat € 1.074,50 (1,75 punten x 614) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.785,74 4.51. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.52. De rechtbank begrijpt het verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring aldus, dat deze betrekking heeft op de gevorderde primaire en subsidiaire hoofdsommen. Deze bedragen worden in dit vonnis niet toegewezen. De rechtbank zal de kostenveroordelingen met daarover de wettelijke rente, zoals gevorderd, wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren. In zaak 2 Aansprakelijkheid [gedaagde zaak 2] 4.53. Artikel 1:102 BW bepaalt onder meer: “Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere gemeenschapsschulden is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden, met dien verstande evenwel dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen, onverminderd de artikelen 190, eerste lid, en 191, eerste lid, van Boek 3.” 4.54. [gedaagde zaak 2] is op 25 februari 2005 in gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde 2] . Op grond van het destijds geldende artikel 1:94 lid 5 BW omvatte de gemeenschap, in beginsel, alle schulden van ieder van de echtgenoten (behoudens hier niet relevante uitzonderingen). De wijziging van het stelsel van de gemeenschap van goederen in 2018 – dus na het ontstaan van de gemeenschap in 2005 – is op de gemeenschap van goederen van [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] niet van toepassing. 4.55. Op 4 november 2024 hebben [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] een verzoek tot echtscheiding ingediend. De discussie tussen partijen over de vraag of de Stichting de huwelijkse voorwaarden die [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] op 7 mei 2024 hebben opgesteld, rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd, kan in het kader van de primaire vordering jegens [gedaagde zaak 2] in het midden blijven. Vaststaat immers dat de schuld van [gedaagde 2] (bestaande uit zijn aansprakelijkheid voor schade van de obligatiehouders I, zie r.o. 4.27) vóór 7 mei 2024 is ontstaan. Op het moment van het ontstaan van de aansprakelijkheid, en daarmee de schuld van [gedaagde 2] , bestond de huwelijksgoederengemeenschap nog. 4.56. Inmiddels is de huwelijksgoederengemeenschap tussen [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] ontbonden door het doen van een echtscheidingsverzoek. Ingevolge artikel 1:102 BW is [gedaagde zaak 2] hoofdelijk met [gedaagde 2] verbonden voor de (hoofdelijke) schuld van [gedaagde 2] jegens de obligatiehouders I (waarvan een deel, de obligatiehouders II, de Stichting ook last heeft gegeven om deze procedure tegen [gedaagde zaak 2] te entameren). 4.57. Voor de volledigheid merkt de rechtbank hierbij het volgende op. Ingevolge de tweede zin van artikel 1:102 BW is een echtgenoot na ontbinding van de huwelijksgemeenschap hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de gemeenschap waarvoor hij voordien niet aansprakelijk was. Het slot van de tweede zin (“met dien verstande…”) beperkt niet de toewijsbaarheid van de vordering tegen die echtgenoot, maar wel de verhaalsmogelijkheden ter zake van die vordering. Met andere woorden: nu de huwelijksgoederengemeenschap tussen [gedaagde 2] en [gedaagde zaak 2] is ontbonden en verdeeld, staat alleen hetgeen [gedaagde zaak 2] toegedeeld heeft gekregen bloot aan verhaal door de Stichting en/of de obligatiehouders II. 4.58. Nu de vordering jegens [gedaagde zaak 2] zal worden toegewezen op basis van de primaire grondslag (petitum sub I), komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de subsidiaire grondslag, te weten de pauliana (artikel 3:45 BW). Schade 4.59. Voor wat betreft de hoogte van de schade waarvoor [gedaagde zaak 2] aansprakelijk is, verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover met betrekking tot [gedaagde 2] is overwogen (zie r.o. 4.29-4.36). Gelet daarop zal ook zaak 2 ter begroting van de omvang van de schade worden verwezen naar de schadestaatprocedure. Daar kan ook het beroep van [gedaagde zaak 2] op matiging aan de orde komen. Buitengerechtelijke kosten en beslagkosten 4.60. De Stichting vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (petitum sub V). De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW. De hoofdvordering in zaak 2 valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. In dat verband stelt de rechtbank vast dat de buitengerechtelijke incassokosten die de Stichting stelt te hebben gemaakt, betrekking hebben op één sommatiebrief en verder geen andere verrichtingen betreffen dan die ter instructie van de zaak of ter voorbereiding van de procedure en/of die waarvoor de in artikel 237 e.v. Rv bedoelde kostenvergoeding een vergoeding pleegt in te sluiten. Dat geldt ook voor de kosten voor het opstellen van het beslagrekest (zie r.o. 4.61). De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal daarom worden afgewezen. 4.61. De Stichting vordert tevens vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt voor het leggen van conservatoir beslag op de voormalig echtelijke woning van [gedaagde 2] en [gedaagde zaak 2] (petitum sub VI). Deze gevorderde verschotten van in totaal € 425,04 zijn voldoende met stukken onderbouwd en zullen worden toegewezen. De gevorderde kosten voor het opstellen van het beslagrekest zullen worden begroot op 1 punt van het toepasselijke liquidatietarief (zie r.o. 4.62). De totale toe te wijzen beslagkosten bedragen daarmee € 1.039,04. Proceskosten en wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring 4.62. [gedaagde zaak 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Volledig
Omdat de Stichting wel voldoende heeft onderbouwd dat de mogelijkheid aannemelijk is dat de obligatiehouders I schade hebben geleden door het onrechtmatig handelen van HSM, zal de rechtbank partijen naar de schadestaatprocedure verwijzen. Daar kan ook het beroep dat HSM heeft gedaan op matiging aan de orde komen. De subsidiair geformuleerde vordering jegens HSM (petitum sub IV) zal, gelet op dit alles, in gewijzigde vorm worden toegewezen. Eigen schuld 4.49. Ook HSM heeft een beroep gedaan op eigen schuld van de obligatiehouders I, gebaseerd op dezelfde redenering als Bewi en [gedaagde 2] . De rechtbank verwerpt dit beroep en verwijst naar hetgeen zij daarover heeft overwogen in r.o. 4.38 en 4.39. Buitengerechtelijke kosten t.a.v. Bewi, [gedaagde 2] en HSM 4.25. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (petitum sub VI) ook ten aanzien van Bewi, [gedaagde 2] en HSM moet worden afgewezen en verwijst naar hetgeen zij daarover heeft overwogen in r.o. 4.5. Proceskosten, wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring t.a.v. Bewi, [gedaagde 2] en HSM 4.50. Bewi, [gedaagde 2] en HSM zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot zoals hieronder vermeld. Voor wat betreft het salaris advocaat kent de rechtbank 1 punt toe aan de dagvaardingen en ½ punt aan de akte overlegging aanvullende producties, tevens houdende wijziging van eis. De helft van dit puntenaantal komt voor rekening van Bewi, [gedaagde 2] en HSM. Daarnaast kent de rechtbank 1 punt toe aan de mondelinge behandeling, die geheel voor hun rekening komt. Voor wat betreft het liquidatietarief sluit de rechtbank in de proceskostenveroordeling van Bewi, [gedaagde 2] en HSM, gelet op hetgeen jegens hen in zaak 1 wordt toegewezen, aan bij tarief II (zaken van onbepaalde waarde). Ook de helft van het door de Stichting betaalde griffierecht komt voor rekening van Bewi, [gedaagde 2] en HSM en de kosten van de aan hen uitgebrachte dagvaardingsexploten. - dagvaardingen € 224,74 (112,37 + 112,37) - griffierecht € 3.308,50 (6.617 / 2) - salaris advocaat € 1.074,50 (1,75 punten x 614) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.785,74 4.51. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.52. De rechtbank begrijpt het verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring aldus, dat deze betrekking heeft op de gevorderde primaire en subsidiaire hoofdsommen. Deze bedragen worden in dit vonnis niet toegewezen. De rechtbank zal de kostenveroordelingen met daarover de wettelijke rente, zoals gevorderd, wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren. In zaak 2 Aansprakelijkheid [gedaagde zaak 2] 4.53. Artikel 1:102 BW bepaalt onder meer: “Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere gemeenschapsschulden is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden, met dien verstande evenwel dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen, onverminderd de artikelen 190, eerste lid, en 191, eerste lid, van Boek 3.” 4.54. [gedaagde zaak 2] is op 25 februari 2005 in gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde 2] . Op grond van het destijds geldende artikel 1:94 lid 5 BW omvatte de gemeenschap, in beginsel, alle schulden van ieder van de echtgenoten (behoudens hier niet relevante uitzonderingen). De wijziging van het stelsel van de gemeenschap van goederen in 2018 – dus na het ontstaan van de gemeenschap in 2005 – is op de gemeenschap van goederen van [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] niet van toepassing. 4.55. Op 4 november 2024 hebben [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] een verzoek tot echtscheiding ingediend. De discussie tussen partijen over de vraag of de Stichting de huwelijkse voorwaarden die [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] op 7 mei 2024 hebben opgesteld, rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd, kan in het kader van de primaire vordering jegens [gedaagde zaak 2] in het midden blijven. Vaststaat immers dat de schuld van [gedaagde 2] (bestaande uit zijn aansprakelijkheid voor schade van de obligatiehouders I, zie r.o. 4.27) vóór 7 mei 2024 is ontstaan. Op het moment van het ontstaan van de aansprakelijkheid, en daarmee de schuld van [gedaagde 2] , bestond de huwelijksgoederengemeenschap nog. 4.56. Inmiddels is de huwelijksgoederengemeenschap tussen [gedaagde zaak 2] en [gedaagde 2] ontbonden door het doen van een echtscheidingsverzoek. Ingevolge artikel 1:102 BW is [gedaagde zaak 2] hoofdelijk met [gedaagde 2] verbonden voor de (hoofdelijke) schuld van [gedaagde 2] jegens de obligatiehouders I (waarvan een deel, de obligatiehouders II, de Stichting ook last heeft gegeven om deze procedure tegen [gedaagde zaak 2] te entameren). 4.57. Voor de volledigheid merkt de rechtbank hierbij het volgende op. Ingevolge de tweede zin van artikel 1:102 BW is een echtgenoot na ontbinding van de huwelijksgemeenschap hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de gemeenschap waarvoor hij voordien niet aansprakelijk was. Het slot van de tweede zin (“met dien verstande…”) beperkt niet de toewijsbaarheid van de vordering tegen die echtgenoot, maar wel de verhaalsmogelijkheden ter zake van die vordering. Met andere woorden: nu de huwelijksgoederengemeenschap tussen [gedaagde 2] en [gedaagde zaak 2] is ontbonden en verdeeld, staat alleen hetgeen [gedaagde zaak 2] toegedeeld heeft gekregen bloot aan verhaal door de Stichting en/of de obligatiehouders II. 4.58. Nu de vordering jegens [gedaagde zaak 2] zal worden toegewezen op basis van de primaire grondslag (petitum sub I), komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de subsidiaire grondslag, te weten de pauliana (artikel 3:45 BW). Schade 4.59. Voor wat betreft de hoogte van de schade waarvoor [gedaagde zaak 2] aansprakelijk is, verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover met betrekking tot [gedaagde 2] is overwogen (zie r.o. 4.29-4.36). Gelet daarop zal ook zaak 2 ter begroting van de omvang van de schade worden verwezen naar de schadestaatprocedure. Daar kan ook het beroep van [gedaagde zaak 2] op matiging aan de orde komen. Buitengerechtelijke kosten en beslagkosten 4.60. De Stichting vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (petitum sub V). De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW. De hoofdvordering in zaak 2 valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. In dat verband stelt de rechtbank vast dat de buitengerechtelijke incassokosten die de Stichting stelt te hebben gemaakt, betrekking hebben op één sommatiebrief en verder geen andere verrichtingen betreffen dan die ter instructie van de zaak of ter voorbereiding van de procedure en/of die waarvoor de in artikel 237 e.v. Rv bedoelde kostenvergoeding een vergoeding pleegt in te sluiten. Dat geldt ook voor de kosten voor het opstellen van het beslagrekest (zie r.o. 4.61). De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal daarom worden afgewezen. 4.61. De Stichting vordert tevens vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt voor het leggen van conservatoir beslag op de voormalig echtelijke woning van [gedaagde 2] en [gedaagde zaak 2] (petitum sub VI). Deze gevorderde verschotten van in totaal € 425,04 zijn voldoende met stukken onderbouwd en zullen worden toegewezen. De gevorderde kosten voor het opstellen van het beslagrekest zullen worden begroot op 1 punt van het toepasselijke liquidatietarief (zie r.o. 4.62). De totale toe te wijzen beslagkosten bedragen daarmee € 1.039,04. Proceskosten en wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring 4.62. [gedaagde zaak 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Volledig
De proceskosten van de Stichting worden begroot zoals hieronder vermeld. Vanwege de grote overlap c.q. gelijkluidendheid van de processtukken zijdens de Stichting in zaak 1 en zaak 2 en de aard van de grondslag van de vordering jegens [gedaagde zaak 2] , kent de rechtbank 1 punt toe aan de dagvaarding en de akte overlegging producties, tevens houdende wijziging van eis en de gronden daarvan, tezamen en 1 punt aan de mondelinge behandeling van zaak 2. Voor wat betreft het liquidatietarief sluit de rechtbank, gelet op hetgeen in zaak 2 wordt toegewezen, aan bij tarief II (zaken van onbepaalde waarde): - dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 6.861,00 - salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten x € 614) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 8.411,47 4.63. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.64. De rechtbank begrijpt het verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring aldus, dat deze betrekking heeft op de gevorderde primaire en subsidiaire hoofdsommen. Deze bedragen worden in dit vonnis niet toegewezen. De rechtbank zal de kosten- en renteveroordelingen, zoals gevorderd, wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 5 De beslissing In zaak 1 Ten aanzien van Jama en [gedaagde 1] 5.1. verklaart voor recht dat Jama en [gedaagde 1] (i) onrechtmatig hebben gehandeld jegens elk van de obligatiehouders I en (ii) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die elk van de obligatiehouders I als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden of nog zal lijden; 5.2. veroordeelt Jama en [gedaagde 1] hoofdelijk tot betaling aan de Stichting van de schade die de obligatiehouders I hebben geleden, bestaande uit: een bedrag van € 5.530.000,00 (zijnde een bedrag gelijk aan de door de obligatiehouders I aan DBS2 Nederland verstrekte, maar niet terugbetaalde obligatieleningen), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de einddata van de obligatieleningen tot aan de dag der algehele voldoening; en een bedrag van € 332.444,12 (zijnde een bedrag gelijk aan de door de obligatiehouders I misgelopen en nog mis te lopen contractuele rente tot aan de overeengekomen einddata van de obligatieleningen), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de contractuele rente uitbetaald had moeten worden volgens de obligatievoorwaarden tot aan de dag der algehele voldoening; 5.3. veroordeelt Jama en [gedaagde 1] hoofdelijk tot vergoeding van de proceskosten, tot op heden begroot op € 6.978,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Jama en [gedaagde 1] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.4. veroordeelt Jama en [gedaagde 1] hoofdelijk in de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; Ten aanzien van Bewi en [gedaagde 2] 5.5. verklaart voor recht dat Bewi en [gedaagde 2] (i) onrechtmatig hebben gehandeld jegens elk van de obligatiehouders I, en (ii) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die elk van de obligatiehouders I als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden of nog zal lijden en veroordeelt Bewi en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan de Stichting van de schade die elk van de obligatiehouders I heeft geleden of nog zal lijden, nader op te maken bij staat; 5.6. veroordeelt Bewi en [gedaagde 2] hoofdelijk tot vergoeding aan de Stichting van de kosten van de gelegde derdenbeslagen van € 1.916,78; Ten aanzien van Jama, [gedaagde 1] , Bewi en [gedaagde 2] 5.7. bepaalt dat, voor zover een van de gedaagden (een deel van) de schade (zoals bedoeld onder 5.1 en 5.5) betaalt aan de Stichting, de andere gedaagden daarvoor zijn gekweten; Ten aanzien van HSM 5.8. verklaart voor recht dat HSM onrechtmatig heeft gehandeld jegens elk van de obligatiehouders I en dat HSM aansprakelijk is voor de schade die elk van de obligatiehouders I als gevolg van het onrechtmatig handelen van HSM heeft geleden of nog zal lijden en veroordeelt HSM tot betaling aan de Stichting van die schade, nader op te maken bij staat; Ten aanzien van Bewi en [gedaagde 2] en HSM 5.9. veroordeelt Bewi, [gedaagde 2] en HSM hoofdelijk tot vergoeding van de proceskosten, tot op heden begroot op € 4.785,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Bewi, [gedaagde 2] en HSM € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.10. veroordeelt Bewi, [gedaagde 2] en HSM hoofdelijk in de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; Ten aanzien van Jama, [gedaagde 1] , Bewi, [gedaagde 2] en HSM 5.11. verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen in 5.2, , 5.3, 5.4, 5.5, 5.6, 5.8, 5.9 en 5.10 uitvoerbaar bij voorraad; 5.12. wijst het meer of anders gevorderde af; In zaak 2 5.13. verklaart voor recht dat [gedaagde zaak 2] op grond van artikel 1:102 BW hoofdelijk met [gedaagde 2] verbonden is voor de schuld van [gedaagde 2] aan elk van de obligatiehouders II, bestaande uit de verplichting tot vergoeding van de schade die elk van hen heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van zijn onrechtmatig handelen jegens elk van hen en veroordeelt [gedaagde zaak 2] tot voldoening van die schuld, door betaling aan de Stichting van het bedrag aan schade dat elk van de obligatiehouders II heeft geleden of nog zal lijden, nader op te maken bij staat; 5.14. veroordeelt [gedaagde zaak 2] tot vergoeding van de kosten van het conservatoire beslag, begroot op € 1.039,04; 5.15. veroordeelt [gedaagde zaak 2] tot vergoeding van de proceskosten, tot op heden begroot op € 8.411,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde zaak 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde zaak 2] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.16. veroordeelt [gedaagde zaak 2] in de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.17. verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen in 5.13, 5.14, 5.15 en 5.16 uitvoerbaar bij voorraad; 5.18. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg, mr. M. Warmerdam en (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026. In het informatiememorandum van de derde tranche zijn de vermelde risico’s iets anders verwoord, maar de tekst heeft dezelfde strekking. Zie over de gevorderde beslagkosten ten aanzien van Jama en [gedaagde 1] r.o. 4.6. Vgl. Hoge Raad 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:675, r.o. 3.5.2. Vgl. Hoge Raad 13 oktober 2023, ECLI: NL:HR:2023:1426 r.o. 3.3. De rechtbank vat het in het petitum van de akte overlegging aanvullende producties, tevens houdende wijziging van eis van de Stichting genoemde bedrag van € 17 3 ,00 op als een kennelijke verschrijving. Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI Financial Services). Hoge Raad 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 (Wilemsen/NOM). Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel). Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen). Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275. Hoge Raad 23 december 2005, LJN AU5682, NJ 2006/33. Hoge Raad 26 januari 2007, NJ 2007/78, ECLI:NL:HR:2007:AZ1084. De rechtbank vat het in het petitum van de akte overlegging aanvullende producties, tevens houdende wijziging van eis ex artikel 130 Rv van de Stichting genoemde bedrag van € 17 3 ,00 op als een kennelijke verschrijving. Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, artikel IV lid 1.
Volledig
De proceskosten van de Stichting worden begroot zoals hieronder vermeld. Vanwege de grote overlap c.q. gelijkluidendheid van de processtukken zijdens de Stichting in zaak 1 en zaak 2 en de aard van de grondslag van de vordering jegens [gedaagde zaak 2] , kent de rechtbank 1 punt toe aan de dagvaarding en de akte overlegging producties, tevens houdende wijziging van eis en de gronden daarvan, tezamen en 1 punt aan de mondelinge behandeling van zaak 2. Voor wat betreft het liquidatietarief sluit de rechtbank, gelet op hetgeen in zaak 2 wordt toegewezen, aan bij tarief II (zaken van onbepaalde waarde): - dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 6.861,00 - salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten x € 614) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 8.411,47 4.63. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.64. De rechtbank begrijpt het verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring aldus, dat deze betrekking heeft op de gevorderde primaire en subsidiaire hoofdsommen. Deze bedragen worden in dit vonnis niet toegewezen. De rechtbank zal de kosten- en renteveroordelingen, zoals gevorderd, wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 5 De beslissing In zaak 1 Ten aanzien van Jama en [gedaagde 1] 5.1. verklaart voor recht dat Jama en [gedaagde 1] (i) onrechtmatig hebben gehandeld jegens elk van de obligatiehouders I en (ii) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die elk van de obligatiehouders I als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden of nog zal lijden; 5.2. veroordeelt Jama en [gedaagde 1] hoofdelijk tot betaling aan de Stichting van de schade die de obligatiehouders I hebben geleden, bestaande uit: een bedrag van € 5.530.000,00 (zijnde een bedrag gelijk aan de door de obligatiehouders I aan DBS2 Nederland verstrekte, maar niet terugbetaalde obligatieleningen), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de einddata van de obligatieleningen tot aan de dag der algehele voldoening; en een bedrag van € 332.444,12 (zijnde een bedrag gelijk aan de door de obligatiehouders I misgelopen en nog mis te lopen contractuele rente tot aan de overeengekomen einddata van de obligatieleningen), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de contractuele rente uitbetaald had moeten worden volgens de obligatievoorwaarden tot aan de dag der algehele voldoening; 5.3. veroordeelt Jama en [gedaagde 1] hoofdelijk tot vergoeding van de proceskosten, tot op heden begroot op € 6.978,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Jama en [gedaagde 1] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.4. veroordeelt Jama en [gedaagde 1] hoofdelijk in de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; Ten aanzien van Bewi en [gedaagde 2] 5.5. verklaart voor recht dat Bewi en [gedaagde 2] (i) onrechtmatig hebben gehandeld jegens elk van de obligatiehouders I, en (ii) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die elk van de obligatiehouders I als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden of nog zal lijden en veroordeelt Bewi en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan de Stichting van de schade die elk van de obligatiehouders I heeft geleden of nog zal lijden, nader op te maken bij staat; 5.6. veroordeelt Bewi en [gedaagde 2] hoofdelijk tot vergoeding aan de Stichting van de kosten van de gelegde derdenbeslagen van € 1.916,78; Ten aanzien van Jama, [gedaagde 1] , Bewi en [gedaagde 2] 5.7. bepaalt dat, voor zover een van de gedaagden (een deel van) de schade (zoals bedoeld onder 5.1 en 5.5) betaalt aan de Stichting, de andere gedaagden daarvoor zijn gekweten; Ten aanzien van HSM 5.8. verklaart voor recht dat HSM onrechtmatig heeft gehandeld jegens elk van de obligatiehouders I en dat HSM aansprakelijk is voor de schade die elk van de obligatiehouders I als gevolg van het onrechtmatig handelen van HSM heeft geleden of nog zal lijden en veroordeelt HSM tot betaling aan de Stichting van die schade, nader op te maken bij staat; Ten aanzien van Bewi en [gedaagde 2] en HSM 5.9. veroordeelt Bewi, [gedaagde 2] en HSM hoofdelijk tot vergoeding van de proceskosten, tot op heden begroot op € 4.785,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Bewi, [gedaagde 2] en HSM € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.10. veroordeelt Bewi, [gedaagde 2] en HSM hoofdelijk in de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; Ten aanzien van Jama, [gedaagde 1] , Bewi, [gedaagde 2] en HSM 5.11. verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen in 5.2, , 5.3, 5.4, 5.5, 5.6, 5.8, 5.9 en 5.10 uitvoerbaar bij voorraad; 5.12. wijst het meer of anders gevorderde af; In zaak 2 5.13. verklaart voor recht dat [gedaagde zaak 2] op grond van artikel 1:102 BW hoofdelijk met [gedaagde 2] verbonden is voor de schuld van [gedaagde 2] aan elk van de obligatiehouders II, bestaande uit de verplichting tot vergoeding van de schade die elk van hen heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van zijn onrechtmatig handelen jegens elk van hen en veroordeelt [gedaagde zaak 2] tot voldoening van die schuld, door betaling aan de Stichting van het bedrag aan schade dat elk van de obligatiehouders II heeft geleden of nog zal lijden, nader op te maken bij staat; 5.14. veroordeelt [gedaagde zaak 2] tot vergoeding van de kosten van het conservatoire beslag, begroot op € 1.039,04; 5.15. veroordeelt [gedaagde zaak 2] tot vergoeding van de proceskosten, tot op heden begroot op € 8.411,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde zaak 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde zaak 2] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.16. veroordeelt [gedaagde zaak 2] in de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.17. verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen in 5.13, 5.14, 5.15 en 5.16 uitvoerbaar bij voorraad; 5.18. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg, mr. M. Warmerdam en (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026. In het informatiememorandum van de derde tranche zijn de vermelde risico’s iets anders verwoord, maar de tekst heeft dezelfde strekking. Zie over de gevorderde beslagkosten ten aanzien van Jama en [gedaagde 1] r.o. 4.6. Vgl. Hoge Raad 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:675, r.o. 3.5.2. Vgl. Hoge Raad 13 oktober 2023, ECLI: NL:HR:2023:1426 r.o. 3.3. De rechtbank vat het in het petitum van de akte overlegging aanvullende producties, tevens houdende wijziging van eis van de Stichting genoemde bedrag van € 17 3 ,00 op als een kennelijke verschrijving. Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI Financial Services). Hoge Raad 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 (Wilemsen/NOM). Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel). Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen). Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275. Hoge Raad 23 december 2005, LJN AU5682, NJ 2006/33. Hoge Raad 26 januari 2007, NJ 2007/78, ECLI:NL:HR:2007:AZ1084. De rechtbank vat het in het petitum van de akte overlegging aanvullende producties, tevens houdende wijziging van eis ex artikel 130 Rv van de Stichting genoemde bedrag van € 17 3 ,00 op als een kennelijke verschrijving. Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, artikel IV lid 1.