Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:9766
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,927 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9766 text/xml public 2026-05-01T10:14:47 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-06 25/9201 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9766 text/html public 2026-05-01T10:03:40 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9766 Rechtbank Den Haag , 06-02-2026 / 25/9201 Vovo. Met het primaire besluit is de aanvraag van verzoekster om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld. Uit de beschikbare stukken kan echter niet worden afgeleid dat dat geldigheid van haar [land 1] verblijfsvergunning op enigerlei wijze afhankelijk is van de geldigheid van haar Nederlandse paspoort. Ook haar stelling dat zij zonder Nederlands paspoort [land 1] niet kan uitreizen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is sprake van een evident onrechtmatig besluit. Het verzoek is niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9201 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [land 1], verzoekster (gemachtigde: mr. H. de Voer), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. R. Geraedts). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoekster heeft ingediend hangende het door haar ingestelde bezwaar tegen het primaire besluit van 13 november waarmee haar aanvraag om een Nederlands paspoort buiten behandeling is gesteld. 1.1. Verweerder heeft op de voorziening gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoekster. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. Verzoekster is op [geboortedatum] 1965 geboren in [geboorteplaats] en verkreeg via haar Nederlandse vader bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Op enig moment is zij met haar ouders naar [land 2] vertrokken. Bij besluit van 6 mei 1980 hebben de [land 2] autoriteiten verzoekster als minderjarige door voorlopige naturalisatie de [land 2] nationaliteit verleend. Bij besluit van 5 september 1989 is deze naturalisatie definitief geworden. Verzoekster beschikt over een [land 2] paspoort dat is afgegeven op 16 juni 2016 en geldig is tot 15 juni 2026. 2.1. Sinds 8 september 1990 woont verzoekster in [land 1], alwaar zij in het huwelijk is getreden met [de echtgenoot] die beschikt over de [land 1] nationaliteit. Met haar echtgenoot heeft zij vijf kinderen gekregen, te weten [kind 1] (1993), [kind 2] (1994), [kind 3] (2000), [kind 4] (2002) en [kind 5] (2007) (hierna: de kinderen van verzoekster). Alle kinderen van verzoekster verkregen door geboorte de [land 1] nationaliteit en beschikken over een [land 1] paspoort. Verzoekster zelf beschikt over een [land 1] verblijfsvergunning zonder vervaldatum die is afgegeven op 10 oktober 2006. 2.2. Op 9 oktober 2025 heeft verzoekster bij de Nederlandse ambassade in [land 1] een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat verzoekster het Nederlanderschap op 14 september 1989 van rechtswege heeft verloren omdat zij op die datum de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. Met het bestreden besluit van 13 november 2025 heeft verweerder daarom de paspoortaanvraag van verzoekster buiten behandeling gesteld. Wat vindt verzoekster? 3. Verzoekster heeft bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, in casu dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit behoudt, een Nederlands reisdocument aan haar wordt verstrekt en dat haar persoonsgegevens niet in het Register Paspoortsignaleringen zullen worden opgenomen. Zij betoogt allereerst dat het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden en draagt daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. De door verweerder genoemde verliesgrond is hier niet van toepassing omdat verzoekster bij besluit van 6 mei 1980 als minderjarige zelfstandig de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. De [land 2] autoriteiten hebben haar toen ook een [land 2] paspoort en een [land 2] ID-kaart toegekend. Op grond van de [land 2] wetgeving moet een minderjarige, die op deze wijze de [land 2] nationaliteit heeft verkregen, binnen twee jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd bevestigen of hij of zij de [land 2] nationaliteit ook wil behouden. Dat heeft zij op 14 september 1989 gedaan. Dit gaat echter om een herbevestiging en laat onverlet dat verzoekster de [land 2] nationaliteit al op 6 mei 1980 heeft verkregen. Ter ondersteuning van deze opvatting heeft verzoekster een legal opinion van [naam] ingebracht en verwezen naar de landeninformatie in de database VIND Burgerzaken. Voorts geeft verzoekster aan dat het bestreden besluit onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor haar heeft. Tot slot heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door zich bij de besluitvorming slechts te baseren op een niet-vertaalde [land 2] naturalisatieakte. Mocht het aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoekster. Naast het feit dat de persoonsgegevens van haar en die van haar kinderen zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als zij hun Nederlandse ID-kaarten niet tijdig inleveren, geldt dat haar [land 1] verblijfsvergunning is gebaseerd op haar Nederlandse nationaliteit en paspoort. Als zij hiervan verstoken blijft, dan kan zij zichzelf in [land 1] dus niet identificeren, met alle gevolgen van dien. Ook is het hierdoor voor haar onmogelijk geworden om te reizen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. 4.1. De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat uit de beschikbare stukken niet kan worden afgeleid dat de geldigheid van haar [land 1] verblijfsvergunning op enigerlei wijze afhankelijk is van de geldigheid van haar Nederlandse paspoort. Verzoekster heeft weliswaar gesteld dat haar immigratieadvocaat uit [land 1] dit in een e-mail aan haar heeft verklaard, echter wordt deze stelling niet verder onderbouwd. Ook haar stelling dat zij zonder Nederlands paspoort [land 1] niet kan uitreizen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt, nog daargelaten dat uit de beschikbare stukken niet blijkt dat verzoekster op korte termijn [land 1] moet verlaten. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat een spoedeisend belang bij verzoekster ontbreekt. Evident onrechtmatig 5. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. 5.1.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9766 text/xml public 2026-05-01T10:14:47 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-06 25/9201 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9766 text/html public 2026-05-01T10:03:40 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9766 Rechtbank Den Haag , 06-02-2026 / 25/9201 Vovo. Met het primaire besluit is de aanvraag van verzoekster om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld. Uit de beschikbare stukken kan echter niet worden afgeleid dat dat geldigheid van haar [land 1] verblijfsvergunning op enigerlei wijze afhankelijk is van de geldigheid van haar Nederlandse paspoort. Ook haar stelling dat zij zonder Nederlands paspoort [land 1] niet kan uitreizen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is sprake van een evident onrechtmatig besluit. Het verzoek is niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9201 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [land 1], verzoekster (gemachtigde: mr. H. de Voer), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. R. Geraedts). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoekster heeft ingediend hangende het door haar ingestelde bezwaar tegen het primaire besluit van 13 november waarmee haar aanvraag om een Nederlands paspoort buiten behandeling is gesteld. 1.1. Verweerder heeft op de voorziening gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoekster. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. Verzoekster is op [geboortedatum] 1965 geboren in [geboorteplaats] en verkreeg via haar Nederlandse vader bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Op enig moment is zij met haar ouders naar [land 2] vertrokken. Bij besluit van 6 mei 1980 hebben de [land 2] autoriteiten verzoekster als minderjarige door voorlopige naturalisatie de [land 2] nationaliteit verleend. Bij besluit van 5 september 1989 is deze naturalisatie definitief geworden. Verzoekster beschikt over een [land 2] paspoort dat is afgegeven op 16 juni 2016 en geldig is tot 15 juni 2026. 2.1. Sinds 8 september 1990 woont verzoekster in [land 1], alwaar zij in het huwelijk is getreden met [de echtgenoot] die beschikt over de [land 1] nationaliteit. Met haar echtgenoot heeft zij vijf kinderen gekregen, te weten [kind 1] (1993), [kind 2] (1994), [kind 3] (2000), [kind 4] (2002) en [kind 5] (2007) (hierna: de kinderen van verzoekster). Alle kinderen van verzoekster verkregen door geboorte de [land 1] nationaliteit en beschikken over een [land 1] paspoort. Verzoekster zelf beschikt over een [land 1] verblijfsvergunning zonder vervaldatum die is afgegeven op 10 oktober 2006. 2.2. Op 9 oktober 2025 heeft verzoekster bij de Nederlandse ambassade in [land 1] een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat verzoekster het Nederlanderschap op 14 september 1989 van rechtswege heeft verloren omdat zij op die datum de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. Met het bestreden besluit van 13 november 2025 heeft verweerder daarom de paspoortaanvraag van verzoekster buiten behandeling gesteld. Wat vindt verzoekster? 3. Verzoekster heeft bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, in casu dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit behoudt, een Nederlands reisdocument aan haar wordt verstrekt en dat haar persoonsgegevens niet in het Register Paspoortsignaleringen zullen worden opgenomen. Zij betoogt allereerst dat het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden en draagt daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. De door verweerder genoemde verliesgrond is hier niet van toepassing omdat verzoekster bij besluit van 6 mei 1980 als minderjarige zelfstandig de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. De [land 2] autoriteiten hebben haar toen ook een [land 2] paspoort en een [land 2] ID-kaart toegekend. Op grond van de [land 2] wetgeving moet een minderjarige, die op deze wijze de [land 2] nationaliteit heeft verkregen, binnen twee jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd bevestigen of hij of zij de [land 2] nationaliteit ook wil behouden. Dat heeft zij op 14 september 1989 gedaan. Dit gaat echter om een herbevestiging en laat onverlet dat verzoekster de [land 2] nationaliteit al op 6 mei 1980 heeft verkregen. Ter ondersteuning van deze opvatting heeft verzoekster een legal opinion van [naam] ingebracht en verwezen naar de landeninformatie in de database VIND Burgerzaken. Voorts geeft verzoekster aan dat het bestreden besluit onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor haar heeft. Tot slot heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door zich bij de besluitvorming slechts te baseren op een niet-vertaalde [land 2] naturalisatieakte. Mocht het aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoekster. Naast het feit dat de persoonsgegevens van haar en die van haar kinderen zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als zij hun Nederlandse ID-kaarten niet tijdig inleveren, geldt dat haar [land 1] verblijfsvergunning is gebaseerd op haar Nederlandse nationaliteit en paspoort. Als zij hiervan verstoken blijft, dan kan zij zichzelf in [land 1] dus niet identificeren, met alle gevolgen van dien. Ook is het hierdoor voor haar onmogelijk geworden om te reizen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. 4.1. De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat uit de beschikbare stukken niet kan worden afgeleid dat de geldigheid van haar [land 1] verblijfsvergunning op enigerlei wijze afhankelijk is van de geldigheid van haar Nederlandse paspoort. Verzoekster heeft weliswaar gesteld dat haar immigratieadvocaat uit [land 1] dit in een e-mail aan haar heeft verklaard, echter wordt deze stelling niet verder onderbouwd. Ook haar stelling dat zij zonder Nederlands paspoort [land 1] niet kan uitreizen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt, nog daargelaten dat uit de beschikbare stukken niet blijkt dat verzoekster op korte termijn [land 1] moet verlaten. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat een spoedeisend belang bij verzoekster ontbreekt. Evident onrechtmatig 5. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. 5.1.