Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-15
ECLI:NL:RBDHA:2026:945
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,071 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:945 text/xml public 2026-03-06T12:19:08 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-15 SGR 24/4153 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:945 text/html public 2026-03-06T12:19:00 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:945 Rechtbank Den Haag , 15-01-2026 / SGR 24/4153 Wet WOZ. Art. 8:54. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 24/4153 en SGR 24/4159 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, (gemachtigde: D.A.N. Bartels) en de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn, verweerder. Procesverloop Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen uitspraken op bezwaar van verweerder van 13 april 2024. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. 2. Verweerder heeft voor de jaren 2022 en 2023, met respectievelijk waardepeildatum 1 januari 2021 en 1 januari 2022, de volgende WOZ-waarden vastgesteld voor de onroerende zaak met adres [adres] : Zaaknummer Belastingjaar Adres WOZ-waarde SGR 24/4153 2023 [adres] € 1.061.000 SGR 24/4159 2022 [adres] € 984.000 3. De waarden zijn door verweerder in de uitspraken op bezwaar gemotiveerd gehandhaafd. 4. De rechtbank acht, in het licht van wat partijen hebben aangevoerd, aannemelijk dat de WOZ-waarden niet onjuist zijn vastgesteld. 5. De gemachtigde van belanghebbende heeft als beroepschrift volstaan met een standaardtekst die hij reeds in zeer veel zaken heeft ingediend. Alleen al bij deze rechtbank brengt hij op deze wijze jaarlijks honderden zaken aan. De standaardteksten bevatten slechts algemene, niet op de zaak toegesneden punten, laat staan dat wordt ingegaan op de in de uitspraak op bezwaar gegeven motivering van de onderhavige waarde. 6. In de door de gemachtigde ingediende stukken wordt niet concreet ingegaan op (de waarde van) de onderhavige onroerende zaak of uitspraken op bezwaar. De rechtbank heeft gemachtigde hierop gewezen bij brief van 20 november 2025 en daarbij een termijn gegeven van 4 weken voor het indienen van concreet op de zaak toegespitste gronden. Daarbij heeft de rechtbank vermeld dat bij niet-voldoening hieraan het onderzoek zal worden gesloten en uitspraak wordt gedaan zonder zitting. 7. In zijn reactie – onder meer bestaande uit een kopie van een algemene brief gericht aan rechtbank Midden-Nederland, met pen gewijzigd in Den Haag – is de gemachtigde wederom niet concreet ingegaan op de onderhavige zaken. De gemachtigde miskent dat het aan hem is om in beroep specifiek aan te voeren wat er volgens hem schort aan de (in de uitspraak op bezwaar gegeven motivering van de) waarde van de onroerende zaak (vgl. Hoge Raad ECLI:NL:HR:2024:571). 8. De gemachtigde heeft aldus niets aangevoerd wat kan leiden tot een gegrond beroep. Verder geldt dat de standaard werkwijze van de gemachtigde om eerst ter zitting een begin te maken met het formuleren van concrete beroepsgronden, in strijd is met de goede procesorde (vgl. gerechtshof Den Haag ECLI:NL:GHDHA:2025:104 en gerechtshof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2025:150). 9. Gelet op het voorgaande, zijn de beroepen kennelijk ongegrond. 10. Aangezien van termijnoverschrijding geen sprake is, bestaat geen aanleiding voor de gevraagde immateriële schadevergoeding. 11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van J.C.W. Wahls, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is aan partijen verzonden op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.