Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-02
ECLI:NL:RBDHA:2026:9427
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,236 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9427 text/xml public 2026-04-28T13:16:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-02 NL25.24827 T en NL25.25014 T Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Tussenuitspraak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9427 text/html public 2026-04-28T13:15:33 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9427 Rechtbank Den Haag , 02-04-2026 / NL25.24827 T en NL25.25014 T Tussenuitspraak - besluit 1/80 - verblijfsgat - zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek evenredigheidsbeoordeling - gelegenheid om gebreken te herstellen RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.24827 T en NL25.25014 T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M. Erik), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L.F. Ludwig). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen het intrekken van zijn verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ met terugwerkende kracht per 5 juli 2022 (NL25.24827) en het verlenen van een verblijfsvergunning voor het doel ‘arbeid in loondienst’ per 24 april 2023 (NL25.25014). 1.1. Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning voor verblijf bij partner ingetrokken met het besluit van 20 maart 2023 en heeft eisers aanvraag tot het wijzigen van zijn verblijfsdoel met het besluit van 28 maart 2023 afgewezen. Bij afzonderlijke besluiten op bezwaar van 22 februari 2024 zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Eiser had tegen deze besluiten beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft verweerder op 4 juli 2024 de besluiten van 22 februari 2024 ingetrokken en nieuwe besluiten op bezwaar genomen, waarbij de bezwaren alsnog gedeeltelijk gegrond zijn verklaard. 1.2. Bij uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 4 juli 2024 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. 1.3. Op 15 mei 2025 heeft verweerder nieuwe besluiten op bezwaar genomen waarbij de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze besluiten. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Sivridag als tolk, en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Verweerder heeft aan eiser op 23 februari 2019 een verblijfsvergunning met als doel verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] verleend. Verweerder had deze verblijfsvergunning met het besluit van 4 juli 2024 met terugwerkende kracht ingetrokken per 5 juli 2022, omdat de relatie tussen eiser en referente toen is verbroken. Ook heeft eiser een wijziging van zijn oorspronkelijke verblijfsvergunning gevraagd naar een verblijfsvergunning met als doel ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. Deze vergunning had verweerder met het besluit van 4 juli 2024 verleend met als ingangsdatum 24 april 2023. 2.1. In de uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 4 juli 2024 gegrond verklaard op grond van het volgende. Verweerder had onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser zich niet kon beroepen op artikel 7 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: besluit 1/80). De enkele stelling dat de ex-echtgenote van eiser al jaren een Wajong-uitkering ontving, was onvoldoende om vast te stellen dat zij geen Turkse werknemer is. Binnen de groep personen die een Wajong-uitkering ontvangt, kan namelijk niet iedereen als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt worden aangemerkt. Ook had verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat artikel 13 van besluit 1/80 niet op eiser van toepassing was, omdat hij op het moment van de ontwrichting van het huwelijk geen arbeid in loondienst verrichtte. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor toepasselijkheid van artikel 13 van besluit 1/80 niet vereist is dat op het moment van de aanvraag feitelijk arbeid wordt verricht, maar dat dit artikel ook van toepassing kan zijn wanneer een Turkse staatsburger voornemens is om arbeid te verrichten. 2.2. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft verweerder op 15 mei 2025 de bestreden besluiten genomen. De verblijfsvergunning van eiser voor verblijf bij zijn ex-echtgenote wordt met terugwerkende kracht ingetrokken per 5 juli 2022. Verweerder stelt zich opnieuw op het standpunt dat eiser zich niet kan beroepen op artikel 7 van besluit 1/80. In de overgelegde beschikking van het UWV van 11 februari 2022 staat dat de ex-echtgenote van eiser geen arbeidsvermogen heeft en dat het UWV verwacht dat dit in de toekomst niet verandert. Hieruit blijkt volgens verweerder dat zij gedurende de relatie volledig en blijvend arbeidsongeschikt is geraakt. Zij kan daarom niet aangemerkt worden als Turkse werknemer in de zin van artikel 6 van besluit 1/80. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van voortgezet verblijf, omdat hij niet onder artikel 13 van besluit 1/80 valt. Eiser heeft bij zijn aanvraag voor de wijziging van zijn verblijfsvergunning niet aangetoond dat hij voornemens was om reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst te gaan verrichten. Hoewel eiser per 24 april 2023 in loondienst is gaan werken, betekent dit ook niet dat hij onder artikel 13 van besluit 1/80 valt. Eiser is namelijk gaan werken toen er geen sprake was van een stabiel verblijfsrecht zonder betwisting. Verweerder heeft aan eiser een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid in loondienst’ verleend met als ingangsdatum 24 april 2023. In het bestreden besluit dat ziet op de intrekking is aangegeven dat door het verlenen van deze vergunning foutief is aangenomen dat eiser valt onder artikel 13 van besluit 1/80 en dat aan het opgewekte vertrouwen door dit besluit hierom geen gevolgen kunnen worden verbonden. Wat vindt eiser in beroep? 3. Ten eerste heeft verweerder in het intrekkingsbesluit ten onrechte niet ambtshalve getoetst aan voortgezet verblijf. Eiser heeft daarom pas op een later moment een aanvraag ingediend tot wijziging van zijn verblijfsdoel. Verweerder heeft geen rekening gehouden met deze omstandigheden. Ten tweede concludeert verweerder ten onrechte dat eiser geen rechten ontleent aan artikel 7 van besluit 1/80. Uit de stukken blijkt niet dat de ex-echtgenote van eiser blijvend en duurzaam arbeidsongeschikt is verklaard. Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet maakt dat iemand geen werknemer meer is in de zin van artikel 6 van besluit 1/80. Daarnaast is de beoordeling van het UWV onjuist, want eiser heeft met stukken onderbouwd dat zijn ex-echtgenote wel werkzaamheden verricht. Ook als uit de beschikking van het UWV moet worden afgeleid dat de ex-echtgenote van eiser wel volledig arbeidsongeschikt is, is eiser drie jaar lang gezinslid geweest van een Turkse werknemer. Eisers verblijfsrecht begon op 23 februari 2019 en de beschikking van het UWV van 11 februari 2022 is pas onherroepelijk geworden na de bezwaartermijn van zes weken. Zelfs als moet worden aangenomen dat eisers ex-echtgenote sinds februari 2022 geen werknemer meer is, verliest een Turkse werknemer het werknemerschap niet in vier maanden gelet op de redelijke termijn. Ook getuigt het van excessief formalisme dat verweerder stelt dat vanwege de 12 dagen tussen 11 februari 2022 – de dag waarop de UWV-beschikking is genomen – en 23 februari 2022 – de dag waarop eiser drie jaar verblijfsrecht had bij zijn ex-echtgenote – niet wordt voldaan aan artikel 7 van besluit 1/80. Eiser vindt dit onevenredig en doet hierbij ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat verweerder in een vergelijkbare zaak een termijn langer dan een maand niet heeft tegengeworpen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9427 text/xml public 2026-04-28T13:16:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-02 NL25.24827 T en NL25.25014 T Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Tussenuitspraak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9427 text/html public 2026-04-28T13:15:33 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9427 Rechtbank Den Haag , 02-04-2026 / NL25.24827 T en NL25.25014 T Tussenuitspraak - besluit 1/80 - verblijfsgat - zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek evenredigheidsbeoordeling - gelegenheid om gebreken te herstellen RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.24827 T en NL25.25014 T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M. Erik), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L.F. Ludwig). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen het intrekken van zijn verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ met terugwerkende kracht per 5 juli 2022 (NL25.24827) en het verlenen van een verblijfsvergunning voor het doel ‘arbeid in loondienst’ per 24 april 2023 (NL25.25014). 1.1. Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning voor verblijf bij partner ingetrokken met het besluit van 20 maart 2023 en heeft eisers aanvraag tot het wijzigen van zijn verblijfsdoel met het besluit van 28 maart 2023 afgewezen. Bij afzonderlijke besluiten op bezwaar van 22 februari 2024 zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Eiser had tegen deze besluiten beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft verweerder op 4 juli 2024 de besluiten van 22 februari 2024 ingetrokken en nieuwe besluiten op bezwaar genomen, waarbij de bezwaren alsnog gedeeltelijk gegrond zijn verklaard. 1.2. Bij uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 4 juli 2024 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. 1.3. Op 15 mei 2025 heeft verweerder nieuwe besluiten op bezwaar genomen waarbij de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze besluiten. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Sivridag als tolk, en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Verweerder heeft aan eiser op 23 februari 2019 een verblijfsvergunning met als doel verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] verleend. Verweerder had deze verblijfsvergunning met het besluit van 4 juli 2024 met terugwerkende kracht ingetrokken per 5 juli 2022, omdat de relatie tussen eiser en referente toen is verbroken. Ook heeft eiser een wijziging van zijn oorspronkelijke verblijfsvergunning gevraagd naar een verblijfsvergunning met als doel ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. Deze vergunning had verweerder met het besluit van 4 juli 2024 verleend met als ingangsdatum 24 april 2023. 2.1. In de uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 4 juli 2024 gegrond verklaard op grond van het volgende. Verweerder had onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser zich niet kon beroepen op artikel 7 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: besluit 1/80). De enkele stelling dat de ex-echtgenote van eiser al jaren een Wajong-uitkering ontving, was onvoldoende om vast te stellen dat zij geen Turkse werknemer is. Binnen de groep personen die een Wajong-uitkering ontvangt, kan namelijk niet iedereen als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt worden aangemerkt. Ook had verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat artikel 13 van besluit 1/80 niet op eiser van toepassing was, omdat hij op het moment van de ontwrichting van het huwelijk geen arbeid in loondienst verrichtte. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor toepasselijkheid van artikel 13 van besluit 1/80 niet vereist is dat op het moment van de aanvraag feitelijk arbeid wordt verricht, maar dat dit artikel ook van toepassing kan zijn wanneer een Turkse staatsburger voornemens is om arbeid te verrichten. 2.2. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft verweerder op 15 mei 2025 de bestreden besluiten genomen. De verblijfsvergunning van eiser voor verblijf bij zijn ex-echtgenote wordt met terugwerkende kracht ingetrokken per 5 juli 2022. Verweerder stelt zich opnieuw op het standpunt dat eiser zich niet kan beroepen op artikel 7 van besluit 1/80. In de overgelegde beschikking van het UWV van 11 februari 2022 staat dat de ex-echtgenote van eiser geen arbeidsvermogen heeft en dat het UWV verwacht dat dit in de toekomst niet verandert. Hieruit blijkt volgens verweerder dat zij gedurende de relatie volledig en blijvend arbeidsongeschikt is geraakt. Zij kan daarom niet aangemerkt worden als Turkse werknemer in de zin van artikel 6 van besluit 1/80. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van voortgezet verblijf, omdat hij niet onder artikel 13 van besluit 1/80 valt. Eiser heeft bij zijn aanvraag voor de wijziging van zijn verblijfsvergunning niet aangetoond dat hij voornemens was om reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst te gaan verrichten. Hoewel eiser per 24 april 2023 in loondienst is gaan werken, betekent dit ook niet dat hij onder artikel 13 van besluit 1/80 valt. Eiser is namelijk gaan werken toen er geen sprake was van een stabiel verblijfsrecht zonder betwisting. Verweerder heeft aan eiser een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid in loondienst’ verleend met als ingangsdatum 24 april 2023. In het bestreden besluit dat ziet op de intrekking is aangegeven dat door het verlenen van deze vergunning foutief is aangenomen dat eiser valt onder artikel 13 van besluit 1/80 en dat aan het opgewekte vertrouwen door dit besluit hierom geen gevolgen kunnen worden verbonden. Wat vindt eiser in beroep? 3. Ten eerste heeft verweerder in het intrekkingsbesluit ten onrechte niet ambtshalve getoetst aan voortgezet verblijf. Eiser heeft daarom pas op een later moment een aanvraag ingediend tot wijziging van zijn verblijfsdoel. Verweerder heeft geen rekening gehouden met deze omstandigheden. Ten tweede concludeert verweerder ten onrechte dat eiser geen rechten ontleent aan artikel 7 van besluit 1/80. Uit de stukken blijkt niet dat de ex-echtgenote van eiser blijvend en duurzaam arbeidsongeschikt is verklaard. Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet maakt dat iemand geen werknemer meer is in de zin van artikel 6 van besluit 1/80. Daarnaast is de beoordeling van het UWV onjuist, want eiser heeft met stukken onderbouwd dat zijn ex-echtgenote wel werkzaamheden verricht. Ook als uit de beschikking van het UWV moet worden afgeleid dat de ex-echtgenote van eiser wel volledig arbeidsongeschikt is, is eiser drie jaar lang gezinslid geweest van een Turkse werknemer. Eisers verblijfsrecht begon op 23 februari 2019 en de beschikking van het UWV van 11 februari 2022 is pas onherroepelijk geworden na de bezwaartermijn van zes weken. Zelfs als moet worden aangenomen dat eisers ex-echtgenote sinds februari 2022 geen werknemer meer is, verliest een Turkse werknemer het werknemerschap niet in vier maanden gelet op de redelijke termijn. Ook getuigt het van excessief formalisme dat verweerder stelt dat vanwege de 12 dagen tussen 11 februari 2022 – de dag waarop de UWV-beschikking is genomen – en 23 februari 2022 – de dag waarop eiser drie jaar verblijfsrecht had bij zijn ex-echtgenote – niet wordt voldaan aan artikel 7 van besluit 1/80. Eiser vindt dit onevenredig en doet hierbij ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat verweerder in een vergelijkbare zaak een termijn langer dan een maand niet heeft tegengeworpen.
Volledig
Ten derde heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat eiser niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80 valt. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser zijn voornemen om arbeid in loondienst te verrichten niet heeft geuit. Eiser heeft dit zowel bij de hoorzitting als in de correspondentie naar voren gebracht. Dat eiser een beroep heeft gedaan op een zoekjaar, toont ook zijn voornemen aan. Eiser had ook recht op dit zoekjaar, nu hij drie jaar rechtmatig verblijf had. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de toepassing van artikel 3.31b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb), in het besluit tot inwilliging van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel arbeid in loondienst, berust op een ambtelijke misslag. In ieder geval komt eiser gelet hierop een beroep op het vertrouwensbeginsel toe, nu hiermee het vertrouwen is gewekt dat hij een beroep kon doen op artikel 13 van besluit 1/80. Tot slot is ten onrechte een verblijfsgat gecreëerd. Uit het Informatiebericht (hierna: IB) 2022/39 volgt dat het ontstaan van een verblijfsgat zoveel mogelijk wordt voorkomen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. Eisers beroepsgrond dat verweerder ten onrechte niet getoetst heeft aan voortgezet verblijf, slaagt niet. In het primaire besluit tot intrekking van eisers verblijfsvergunning, heeft verweerder dit namelijk wel getoetst. Op de zitting heeft eisers gemachtigde toegelicht dat verweerder bij de verlening van de vergunning voor arbeid in loondienst er rekening mee had moeten houden dat eiser al naar voren had gebracht dat hij een geslaagd beroep kon doen op besluit 1/80. Dit had volgens eiser tot een andere beoordeling geleid met betrekking tot het zoekjaar en er was dan geen verblijfsgat ontstaan. Verweerder heeft er in reactie hierop echter terecht op gewezen dat verweerder zich nog altijd op het standpunt stelt dat eiser geen rechten kan ontlenen aan besluit 1/80. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder zich terecht op dat standpunt stelt. Kan eiser rechten ontlenen aan artikel 7 van besluit 1/80 als (ex-)gezinslid van een Turkse werknemer? 5. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende onderbouwd dat de ex-echtgenote van eiser blijvend niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten. Eisers beroep op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017 slaagt niet, omdat het UWV zich in die zaak op het standpunt had gesteld dat de referent niet duurzaam arbeidsongeschikt was. In onderhavige zaak heeft het UWV zich in de beschikking van 11 februari 2022 echter op het standpunt gesteld dat de ex-echtgenote van eiser geen arbeidsvermogen heeft en het UWV verwacht dat dit in de toekomst niet verandert. Hoewel niet iedereen die een Wajong-uitkering ontvangt als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt, heeft verweerder uit de UWV-beschikking kunnen concluderen dat hier in het geval van de ex-echtgenote van eiser wel sprake van is. Eiser heeft zijn stelling dat zijn ex-echtgenote wel werkzaamheden verricht, en de beoordeling van het UWV daarom onjuist is, onvoldoende onderbouwd. 5.1. Dat de arbeidsongeschiktheid van referente pas na de bezwaartermijn van zes weken na 11 februari 2022 vast stond, en eiser daarom wel een beroep kan doen op artikel 7 van besluit 1/80 omdat hij drie jaar lang gezinslid van een Turkse werknemer is geweest, volgt de rechtbank niet. Arbeidsongeschiktheid is een feitelijke situatie waarvan in ieder geval vanaf 11 februari 2022 sprake was. Met betrekking tot de redelijke termijn heeft verweerder erop kunnen wijzen dat uit het arrest Altun niet blijkt dat een Turkse staatsburger die definitief de arbeidsmarkt heeft verlaten nog een redelijke termijn heeft. 6. Eisers verblijfsrecht bij referente begon op 23 februari 2019. Omdat verweerder heeft kunnen concluderen dat referente in ieder geval vanaf 11 februari 2022 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, is eiser niet gedurende drie jaar gezinslid van een Turkse werknemer geweest. Verweerder heeft gelet hierop terecht geconcludeerd dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van besluit 1/80. Valt eiser onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80? 7. In de uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende gemotiveerd had dat eiser niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80 valt. Verweerder kon niet volstaan met de vaststelling dat eiser op het moment van de ontwrichting van het huwelijk geen arbeid in loondienst verrichtte, omdat artikel 13 ook van toepassing kan zijn op Turkse staatsburgers die voornemens zijn arbeid in loondienst te gaan verrichten. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende deugdelijk gemotiveerd heeft dat eiser niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80 valt, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij voornemens was om reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst te gaan verrichten. Tijdens de hoorzitting heeft eiser verklaard een eigen bedrijf te hebben in de steigerbouw. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt niet dat eiser heeft aangegeven dat hij van plan was om in loondienst te gaan werken. Het enkele aanvinken van het hokje ‘u wilt in Nederland arbeid in loondienst verrichten’ op het aanvraagformulier voor de wijziging van zijn verblijfsdoel is, zonder nadere toelichting van eiser, onvoldoende om van een concreet voornemen te spreken om toe te treden tot de Nederlandse arbeidsmarkt en arbeid te verrichten als werknemer. 8. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De vraag of eiser wel of niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80 valt is declaratoir van aard. Het is niet aan verweerder om dit toe te kennen, maar verweerder toetst slechts of er aan de vereisten is voldaan om onder het toepassingsbereik te vallen. Met een beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet bereikt worden dat verweerder alsnog vaststelt dat eiser onder artikel 13 van besluit 1/80 valt. Evenredigheidsbeginsel met betrekking tot voortgezet verblijf 9. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) handelt verweerder overeenkomstig zijn beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. 9.1. Gelet op wat is overwogen onder 5. t/m 6. voldoet eiser niet aan het beleid voor voortgezet verblijf zoals verweerder dat heeft opgenomen in paragraaf B10/4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc). Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het tegenwerpen van de 12 dagen tussen 11 februari 2022 – de dag waarop de UWV-beschikking is genomen – en 23 februari 2022 – de dag waarop eiser drie jaar verblijfsrecht had bij referente – onevenredig is en verweerder gelet hierop had moeten afwijken van zijn beleid. 9.2. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek bevat, omdat verweerder hierin niet heeft beoordeeld of bij het niet verlenen van voortgezet verblijf, waardoor een verblijfsgat is ontstaan, sprake is van gevolgen die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De rechtbank vindt hierbij van belang dat sinds de primaire besluiten in maart 2023 inmiddels drie jaar is verstreken en verweerder meerdere keren nieuwe besluiten op bezwaar heeft genomen vanwege gebreken in de besluitvorming. Ook lijkt in de huidige besluitvorming niet onderkend te zijn dat eiser op 12 dagen na geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van besluit 1/80 en is niet beoordeeld in hoeverre dit mogelijk een bijzondere omstandigheid is op grond waarvan verweerder aanleiding kan zien om af te wijken van zijn beleid. Op de zitting heeft verweerder aangegeven in de 12 dagen geen reden te zien om af te wijken van zijn beleid, maar zonder nadere toelichting vindt de rechtbank dit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 10. Zoals hiervoor is overwogen onder 9.2.
Volledig
Ten derde heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat eiser niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80 valt. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser zijn voornemen om arbeid in loondienst te verrichten niet heeft geuit. Eiser heeft dit zowel bij de hoorzitting als in de correspondentie naar voren gebracht. Dat eiser een beroep heeft gedaan op een zoekjaar, toont ook zijn voornemen aan. Eiser had ook recht op dit zoekjaar, nu hij drie jaar rechtmatig verblijf had. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de toepassing van artikel 3.31b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb), in het besluit tot inwilliging van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel arbeid in loondienst, berust op een ambtelijke misslag. In ieder geval komt eiser gelet hierop een beroep op het vertrouwensbeginsel toe, nu hiermee het vertrouwen is gewekt dat hij een beroep kon doen op artikel 13 van besluit 1/80. Tot slot is ten onrechte een verblijfsgat gecreëerd. Uit het Informatiebericht (hierna: IB) 2022/39 volgt dat het ontstaan van een verblijfsgat zoveel mogelijk wordt voorkomen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. Eisers beroepsgrond dat verweerder ten onrechte niet getoetst heeft aan voortgezet verblijf, slaagt niet. In het primaire besluit tot intrekking van eisers verblijfsvergunning, heeft verweerder dit namelijk wel getoetst. Op de zitting heeft eisers gemachtigde toegelicht dat verweerder bij de verlening van de vergunning voor arbeid in loondienst er rekening mee had moeten houden dat eiser al naar voren had gebracht dat hij een geslaagd beroep kon doen op besluit 1/80. Dit had volgens eiser tot een andere beoordeling geleid met betrekking tot het zoekjaar en er was dan geen verblijfsgat ontstaan. Verweerder heeft er in reactie hierop echter terecht op gewezen dat verweerder zich nog altijd op het standpunt stelt dat eiser geen rechten kan ontlenen aan besluit 1/80. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder zich terecht op dat standpunt stelt. Kan eiser rechten ontlenen aan artikel 7 van besluit 1/80 als (ex-)gezinslid van een Turkse werknemer? 5. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende onderbouwd dat de ex-echtgenote van eiser blijvend niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten. Eisers beroep op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017 slaagt niet, omdat het UWV zich in die zaak op het standpunt had gesteld dat de referent niet duurzaam arbeidsongeschikt was. In onderhavige zaak heeft het UWV zich in de beschikking van 11 februari 2022 echter op het standpunt gesteld dat de ex-echtgenote van eiser geen arbeidsvermogen heeft en het UWV verwacht dat dit in de toekomst niet verandert. Hoewel niet iedereen die een Wajong-uitkering ontvangt als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt, heeft verweerder uit de UWV-beschikking kunnen concluderen dat hier in het geval van de ex-echtgenote van eiser wel sprake van is. Eiser heeft zijn stelling dat zijn ex-echtgenote wel werkzaamheden verricht, en de beoordeling van het UWV daarom onjuist is, onvoldoende onderbouwd. 5.1. Dat de arbeidsongeschiktheid van referente pas na de bezwaartermijn van zes weken na 11 februari 2022 vast stond, en eiser daarom wel een beroep kan doen op artikel 7 van besluit 1/80 omdat hij drie jaar lang gezinslid van een Turkse werknemer is geweest, volgt de rechtbank niet. Arbeidsongeschiktheid is een feitelijke situatie waarvan in ieder geval vanaf 11 februari 2022 sprake was. Met betrekking tot de redelijke termijn heeft verweerder erop kunnen wijzen dat uit het arrest Altun niet blijkt dat een Turkse staatsburger die definitief de arbeidsmarkt heeft verlaten nog een redelijke termijn heeft. 6. Eisers verblijfsrecht bij referente begon op 23 februari 2019. Omdat verweerder heeft kunnen concluderen dat referente in ieder geval vanaf 11 februari 2022 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, is eiser niet gedurende drie jaar gezinslid van een Turkse werknemer geweest. Verweerder heeft gelet hierop terecht geconcludeerd dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van besluit 1/80. Valt eiser onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80? 7. In de uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende gemotiveerd had dat eiser niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80 valt. Verweerder kon niet volstaan met de vaststelling dat eiser op het moment van de ontwrichting van het huwelijk geen arbeid in loondienst verrichtte, omdat artikel 13 ook van toepassing kan zijn op Turkse staatsburgers die voornemens zijn arbeid in loondienst te gaan verrichten. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende deugdelijk gemotiveerd heeft dat eiser niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80 valt, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij voornemens was om reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst te gaan verrichten. Tijdens de hoorzitting heeft eiser verklaard een eigen bedrijf te hebben in de steigerbouw. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt niet dat eiser heeft aangegeven dat hij van plan was om in loondienst te gaan werken. Het enkele aanvinken van het hokje ‘u wilt in Nederland arbeid in loondienst verrichten’ op het aanvraagformulier voor de wijziging van zijn verblijfsdoel is, zonder nadere toelichting van eiser, onvoldoende om van een concreet voornemen te spreken om toe te treden tot de Nederlandse arbeidsmarkt en arbeid te verrichten als werknemer. 8. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De vraag of eiser wel of niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit 1/80 valt is declaratoir van aard. Het is niet aan verweerder om dit toe te kennen, maar verweerder toetst slechts of er aan de vereisten is voldaan om onder het toepassingsbereik te vallen. Met een beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet bereikt worden dat verweerder alsnog vaststelt dat eiser onder artikel 13 van besluit 1/80 valt. Evenredigheidsbeginsel met betrekking tot voortgezet verblijf 9. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) handelt verweerder overeenkomstig zijn beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. 9.1. Gelet op wat is overwogen onder 5. t/m 6. voldoet eiser niet aan het beleid voor voortgezet verblijf zoals verweerder dat heeft opgenomen in paragraaf B10/4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc). Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het tegenwerpen van de 12 dagen tussen 11 februari 2022 – de dag waarop de UWV-beschikking is genomen – en 23 februari 2022 – de dag waarop eiser drie jaar verblijfsrecht had bij referente – onevenredig is en verweerder gelet hierop had moeten afwijken van zijn beleid. 9.2. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek bevat, omdat verweerder hierin niet heeft beoordeeld of bij het niet verlenen van voortgezet verblijf, waardoor een verblijfsgat is ontstaan, sprake is van gevolgen die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De rechtbank vindt hierbij van belang dat sinds de primaire besluiten in maart 2023 inmiddels drie jaar is verstreken en verweerder meerdere keren nieuwe besluiten op bezwaar heeft genomen vanwege gebreken in de besluitvorming. Ook lijkt in de huidige besluitvorming niet onderkend te zijn dat eiser op 12 dagen na geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van besluit 1/80 en is niet beoordeeld in hoeverre dit mogelijk een bijzondere omstandigheid is op grond waarvan verweerder aanleiding kan zien om af te wijken van zijn beleid. Op de zitting heeft verweerder aangegeven in de 12 dagen geen reden te zien om af te wijken van zijn beleid, maar zonder nadere toelichting vindt de rechtbank dit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 10. Zoals hiervoor is overwogen onder 9.2.
Volledig
is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. 10.1. De rechtbank ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil in dit geval aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet verweerder beoordelen of hij aanleiding ziet om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels op grond van artikel 4:84 van de Awb. Daarbij moet verweerder in ieder geval de omstandigheid betrekken dat inmiddels drie jaar is verstreken sinds de primaire besluiten en verweerder meerdere keren nieuwe besluiten op bezwaar heeft genomen vanwege gebreken in de besluitvorming. Ook moet verweerder de omstandigheid betrekken dat eiser op 12 dagen na geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van besluit 1/80. De rechtbank verzoekt verweerder hierbij ook het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel te betrekken. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak. 10.2. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen twee weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 10.3. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. 10.4. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zaaknummers NL24.7316 en NL24.7351 (niet gepubliceerd). De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3407. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4278. Eiser wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1164. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 18 december 2008, ECLI:EU:C:2008:744. Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2345, bevestigd door de Afdeling in de uitspraak van 21 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1569. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877, r.o. 3.
Volledig
is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. 10.1. De rechtbank ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil in dit geval aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet verweerder beoordelen of hij aanleiding ziet om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels op grond van artikel 4:84 van de Awb. Daarbij moet verweerder in ieder geval de omstandigheid betrekken dat inmiddels drie jaar is verstreken sinds de primaire besluiten en verweerder meerdere keren nieuwe besluiten op bezwaar heeft genomen vanwege gebreken in de besluitvorming. Ook moet verweerder de omstandigheid betrekken dat eiser op 12 dagen na geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van besluit 1/80. De rechtbank verzoekt verweerder hierbij ook het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel te betrekken. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak. 10.2. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen twee weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 10.3. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. 10.4. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zaaknummers NL24.7316 en NL24.7351 (niet gepubliceerd). De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3407. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4278. Eiser wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1164. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 18 december 2008, ECLI:EU:C:2008:744. Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2345, bevestigd door de Afdeling in de uitspraak van 21 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1569. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877, r.o. 3.