Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-14
ECLI:NL:RBDHA:2026:9306
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,783 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9306 text/xml public 2026-04-17T10:21:19 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-14 NL26.16468 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9306 text/html public 2026-04-17T10:16:42 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9306 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.16468 Dublin Zwitserland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.16468 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 25 januari 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 4 december 2024 illegaal via Italië het grondgebied van de lidstaten is ingereisd en op 22 april 2025 in Zwitserland een asielaanvraag heeft ingediend. Om die reden heeft verweerder op 2 maart 2026 de Zwitserse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Zwitserse autoriteiten hebben dit verzoek op 4 maart 2026 aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Zwitserland vanaf die datum vaststaat. 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Nu verweerder de informatie uit het in de zienswijze aangehaalde AIDA-rapport uit 2025 niet inhoudelijk betwist, mag worden uitgegaan van bijzonder slechte leefomstandigheden in de tijdelijke asielcentra. Deze omstandigheden leiden tot een leidt tot een verhoogd risico op geweldsuitbarstingen en schendingen van mensenrechten. Eiser loopt bij overdracht aan Zwitserland dan ook een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De problemen in de asielopvang zijn structureel, nu de Zwitserse autoriteiten geen of onvoldoende actie ondernemen. Onder deze omstandigheden is het op voorhand zinloos om bescherming te vragen of te klagen bij de Zwitserse autoriteiten. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Niet in geschil is dat Zwitserland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In zijn algemeenheid mag verweerder ten aanzien van Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit onder meer bevestigd in de uitspraken van 24 januari 2025 en 10 oktober 2025. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. 5. Eiser is hierin niet geslaagd. De enkele verwijzing van eiser naar het AIDA-rapport is onvoldoende om aan te nemen dat er ten aanzien van Zwitserland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen zoals bedoeld in het arrest Jawo. Het AIDA-rapport geeft geen wezenlijk ander beeld van de opvangsituatie in Zwitserland dan uit eerdere rapporten volgt. Niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang en dat de Zwitserse autoriteiten onverschillig staan tegenover deze problemen. Daarbij komt dat de Zwitserse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat ze eisers aanvraag in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen. Het ligt op de weg van eiser om in Zwitserland te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties, als hij vindt dat Zwitserland zijn verplichtingen niet nakomt. Niet is gebleken dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is. 6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 14 april 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Algemene wet bestuursrecht. Vreemdelingenwet 2000. Verordening (EU) 604/2013. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2025:265. ECLI:NL:RVS:2025:4864. ECLI:EU:C:2019:218.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9306 text/xml public 2026-04-17T10:21:19 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-14 NL26.16468 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9306 text/html public 2026-04-17T10:16:42 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9306 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.16468 Dublin Zwitserland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.16468 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 25 januari 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 4 december 2024 illegaal via Italië het grondgebied van de lidstaten is ingereisd en op 22 april 2025 in Zwitserland een asielaanvraag heeft ingediend. Om die reden heeft verweerder op 2 maart 2026 de Zwitserse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Zwitserse autoriteiten hebben dit verzoek op 4 maart 2026 aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Zwitserland vanaf die datum vaststaat. 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Nu verweerder de informatie uit het in de zienswijze aangehaalde AIDA-rapport uit 2025 niet inhoudelijk betwist, mag worden uitgegaan van bijzonder slechte leefomstandigheden in de tijdelijke asielcentra. Deze omstandigheden leiden tot een leidt tot een verhoogd risico op geweldsuitbarstingen en schendingen van mensenrechten. Eiser loopt bij overdracht aan Zwitserland dan ook een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De problemen in de asielopvang zijn structureel, nu de Zwitserse autoriteiten geen of onvoldoende actie ondernemen. Onder deze omstandigheden is het op voorhand zinloos om bescherming te vragen of te klagen bij de Zwitserse autoriteiten. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Niet in geschil is dat Zwitserland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In zijn algemeenheid mag verweerder ten aanzien van Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit onder meer bevestigd in de uitspraken van 24 januari 2025 en 10 oktober 2025. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. 5. Eiser is hierin niet geslaagd. De enkele verwijzing van eiser naar het AIDA-rapport is onvoldoende om aan te nemen dat er ten aanzien van Zwitserland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen zoals bedoeld in het arrest Jawo. Het AIDA-rapport geeft geen wezenlijk ander beeld van de opvangsituatie in Zwitserland dan uit eerdere rapporten volgt. Niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang en dat de Zwitserse autoriteiten onverschillig staan tegenover deze problemen. Daarbij komt dat de Zwitserse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat ze eisers aanvraag in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen. Het ligt op de weg van eiser om in Zwitserland te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties, als hij vindt dat Zwitserland zijn verplichtingen niet nakomt. Niet is gebleken dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is. 6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 14 april 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Algemene wet bestuursrecht. Vreemdelingenwet 2000. Verordening (EU) 604/2013. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2025:265. ECLI:NL:RVS:2025:4864. ECLI:EU:C:2019:218.