Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:9228
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,050 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9228 text/xml public 2026-04-16T13:41:20 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-10 NL25.62107 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9228 text/html public 2026-04-16T13:40:50 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9228 Rechtbank Den Haag , 10-04-2026 / NL25.62107 Asiel, met onbekende bestemming vertrokken, beroep niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.62107 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.W. IJland), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.J.F. van Raak). Procesverloop 1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. Partijen hebben op voorhand toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 van de Awb de zaak buiten zitting af te doen, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten. Beoordeling door de rechtbank Heeft eiser procesbelang? 2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. 2.1. De minister heeft op 17 maart 2026 meegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 13 januari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 17 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser. 2.2. Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. 2.3. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen 3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 april 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Algemene wet bestuursrecht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9228 text/xml public 2026-04-16T13:41:20 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-10 NL25.62107 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9228 text/html public 2026-04-16T13:40:50 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9228 Rechtbank Den Haag , 10-04-2026 / NL25.62107 Asiel, met onbekende bestemming vertrokken, beroep niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.62107 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.W. IJland), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.J.F. van Raak). Procesverloop 1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. Partijen hebben op voorhand toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 van de Awb de zaak buiten zitting af te doen, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten. Beoordeling door de rechtbank Heeft eiser procesbelang? 2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. 2.1. De minister heeft op 17 maart 2026 meegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 13 januari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 17 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser. 2.2. Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. 2.3. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen 3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 april 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Algemene wet bestuursrecht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.