Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:9212
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,095 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9212 text/xml public 2026-04-17T08:42:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-05 NL25.44526 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9212 text/html public 2026-04-17T08:42:28 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9212 Rechtbank Den Haag , 05-03-2026 / NL25.44526 Verweerder geeft aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Gemachtigde van eiser geeft aan dat hij geen contact heeft kunnen leggen met eiser. Eiser heeft geen procesbelang en het beroep is niet-ontvankelijk met inachtneming van de uitspraak van de ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662. Uitspraak MOB. uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44526 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind), en de minister van Asiel en Migratie. Inleiding In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 20 augustus 2025. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 1. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2. De minister heeft in het bericht van 19 december 2025 aan de rechtbank laten weten dat eiser op 18 december 2025 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. De rechtbank heeft op 20 februari 2026 aan de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of de gemachtigde nog contact onderhoudt met eiser. De gemachtigde van eiser heeft evenwel op 20 februari 2026 laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser. 3. De omstandigheid dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 1 juli 20241 echter overwogen dat de bestuursrechter voorzichtig moet omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een 1. ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662. beroep op basis van een MOB-melding. Er mag vanuit gegaan worden dat een vreemdeling belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure. 4. Gelet op bovengenoemde rechtspraak en het feit dat de gemachtigde heeft aangegeven dat hij na de MOB-melding geen contact meer onderhoudt met eiser over de procedure, neemt de rechtbank aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 05 maart 2026 Mr. G. Schnitzler N. Dayerizadeh Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [Documentcode] Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9212 text/xml public 2026-04-17T08:42:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-05 NL25.44526 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9212 text/html public 2026-04-17T08:42:28 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9212 Rechtbank Den Haag , 05-03-2026 / NL25.44526 Verweerder geeft aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Gemachtigde van eiser geeft aan dat hij geen contact heeft kunnen leggen met eiser. Eiser heeft geen procesbelang en het beroep is niet-ontvankelijk met inachtneming van de uitspraak van de ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662. Uitspraak MOB. uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44526 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind), en de minister van Asiel en Migratie. Inleiding In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 20 augustus 2025. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 1. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2. De minister heeft in het bericht van 19 december 2025 aan de rechtbank laten weten dat eiser op 18 december 2025 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. De rechtbank heeft op 20 februari 2026 aan de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of de gemachtigde nog contact onderhoudt met eiser. De gemachtigde van eiser heeft evenwel op 20 februari 2026 laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser. 3. De omstandigheid dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 1 juli 20241 echter overwogen dat de bestuursrechter voorzichtig moet omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een 1. ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662. beroep op basis van een MOB-melding. Er mag vanuit gegaan worden dat een vreemdeling belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure. 4. Gelet op bovengenoemde rechtspraak en het feit dat de gemachtigde heeft aangegeven dat hij na de MOB-melding geen contact meer onderhoudt met eiser over de procedure, neemt de rechtbank aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 05 maart 2026 Mr. G. Schnitzler N. Dayerizadeh Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [Documentcode] Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.