Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:9152
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,063 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9152 text/xml public 2026-04-15T13:26:49 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-09 NL26.4759 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9152 text/html public 2026-04-15T13:21:41 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9152 Rechtbank Den Haag , 09-03-2026 / NL26.4759 Dublin, Duitsland, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4759 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.G. Wiebes), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar). Procesverloop In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.4760) te treffen. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 4 maart 2026 op zitting behandeld . Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1.1. Eiser heeft een onbekende nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 4 oktober 2025 ingediend. 1.2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 13 januari 2025 en op 29 augustus 2025 in Duitsland verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend. Op 20 november 2025 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) . Duitsland heeft dit verzoek op 25 november 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening. Het bestreden besluit 2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen. Beroepsgrond 3. Eiser voert aan dat verweerder gebruik had moeten maken van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser is doodsbang voor indirect refoulement. Hij vreest door Duitsland uitgezet te worden naar zijn land van herkomst. Verweerder dient om humanitaire redenen de asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen. Het bestreden besluit kan daarom niet standhouden. Beoordeling door de rechtbank Interstatelijk vertrouwensbeginsel 4.1. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588 en 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4770, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. 4.2. Het voorgaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over (bijvoorbeeld) de werking van het asielsysteem en over de opvangvoorzieningen in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asielsysteem en de opvangvoorzieningen in Duitsland. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in het geval dat eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt om terecht te komen in een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Hij heeft geen landeninformatie overgelegd over het asielsysteem en de opvangvoorzieningen in Duitsland. Verder heeft hij ook niet aan de hand van zijn verklaringen over zijn eigen ervaringen in Duitsland aannemelijk gemaakt dat voor Dublinclaimanten in Duitsland sprake is van een situatie zoals bedoeld in het Jawo-arrest. 4.4. Nu verweerder gelet op het voorgaande terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Duitsland op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar zijn land van herkomst, moet Duitsland zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen. Als eiser vindt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, dan ligt het op eisers weg om daarover in Duitsland te klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk is of dat klagen bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet. Onevenredige hardheid 5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9152 text/xml public 2026-04-15T13:26:49 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-09 NL26.4759 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9152 text/html public 2026-04-15T13:21:41 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9152 Rechtbank Den Haag , 09-03-2026 / NL26.4759 Dublin, Duitsland, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4759 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.G. Wiebes), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar). Procesverloop In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.4760) te treffen. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 4 maart 2026 op zitting behandeld . Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1.1. Eiser heeft een onbekende nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 4 oktober 2025 ingediend. 1.2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 13 januari 2025 en op 29 augustus 2025 in Duitsland verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend. Op 20 november 2025 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) . Duitsland heeft dit verzoek op 25 november 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening. Het bestreden besluit 2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen. Beroepsgrond 3. Eiser voert aan dat verweerder gebruik had moeten maken van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser is doodsbang voor indirect refoulement. Hij vreest door Duitsland uitgezet te worden naar zijn land van herkomst. Verweerder dient om humanitaire redenen de asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen. Het bestreden besluit kan daarom niet standhouden. Beoordeling door de rechtbank Interstatelijk vertrouwensbeginsel 4.1. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588 en 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4770, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. 4.2. Het voorgaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over (bijvoorbeeld) de werking van het asielsysteem en over de opvangvoorzieningen in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asielsysteem en de opvangvoorzieningen in Duitsland. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in het geval dat eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt om terecht te komen in een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Hij heeft geen landeninformatie overgelegd over het asielsysteem en de opvangvoorzieningen in Duitsland. Verder heeft hij ook niet aan de hand van zijn verklaringen over zijn eigen ervaringen in Duitsland aannemelijk gemaakt dat voor Dublinclaimanten in Duitsland sprake is van een situatie zoals bedoeld in het Jawo-arrest. 4.4. Nu verweerder gelet op het voorgaande terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Duitsland op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar zijn land van herkomst, moet Duitsland zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen. Als eiser vindt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, dan ligt het op eisers weg om daarover in Duitsland te klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk is of dat klagen bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet. Onevenredige hardheid 5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.