Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:8794
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,052 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8794 text/xml public 2026-04-14T17:00:35 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-10 NL26.9151 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8794 text/html public 2026-04-13T10:57:04 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8794 Rechtbank Den Haag , 10-04-2026 / NL26.9151 Dublin Kroatië – interstatelijk vertrouwensbeginsel – artikel 17 Dublinverordening – beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.9151 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer [nummer], eiser (gemachtigde: mr. A. Berends), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.F.H. Pols). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 1.1. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening , op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 4. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 4 september 2025 asiel aangevraagd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De Europese Unie heeft namelijk gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 4 november 2025 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 11 november 2025 aanvaard. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 5. Eiser voert aan dat de minister niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Hiertoe voert eiser aan dat de opvangfaciliteiten niet aan de minimumvereisten voldoen. Zo heeft eiser verklaard dat de Kroatische opvanglocatie onhygiënisch was en het eten slecht was. Daarnaast zijn er meldingen over pushbacks en andere mensenrechtenschendingen door de Kroatische autoriteiten. Eiser verwijst ter onderbouwing naar het AIDA Country Report Croatia (2024 update) (AIDA-rapport) en naar een online artikel “Short overview of the reception system – Croatia van 20 januari 2026”. 5.1. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval. 5.3. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat ten aanzien van Kroatië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is de Afdeling onder meer ingegaan op de onderwerpen (toegang tot de) asielprocedure, pushbacks en opvangvoorzieningen. Het AIDA-rapport, update 2024, waar eiser naar verwijst, laat geen wezenlijk ander beeld zien dan het eerdere AIDA-rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Verder blijkt uit de door eiser genoemde update van 20 januari 2026 niet dat de situatie in Kroatië na het verschijnen van de update 2024 verslechterd is. Het is niet gebleken dat de problemen in Kroatië, ondanks dat er moeilijkheden bestaan en dat deze voortduren, structureel en dermate ernstig zijn dat bij overdracht aan Kroatië op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De minister heeft daarbij, anders dan eiser aanvoert, de gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt in Kroatië meegenomen. Zo heeft de minister in het bestreden besluit onder meer betrokken dat eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat de omstandigheden in Kroatië slecht zijn en de opvanglocaties slecht zijn. Eiser heeft nog aangevoerd dat hij ongeveer een week tot tien dagen in een Kroatische opvanglocatie heeft verbleven. Volgens eiser was het erg vies en kreeg eiser wondjes aan zijn benen. Eiser heeft foto’s overgelegd van zijn benen, het toilet en de douche in de opvanglocatie. Eiser heeft geen enkele medische zorg gekregen, terwijl hij daar wel om heeft gevraagd. Ook heeft eiser geen leefgeld ontvangen, terwijl de Opvangrichtlijn dat wel voorschrijft. Daarmee bevestigt eiser wel deels de inhoud van onder meer het AIDA-rapport, maar hij maakt daarmee niet aannemelijk dat de situatie zo ernstig is dat de Jawo-drempel wel wordt gehaald. 5.4. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd dus geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De beroepsgrond slaagt niet. Onevenredige hardheid 6. Eiser voert verder aan dat de minister eisers asielaanvraag onverplicht aan zich toe moet trekken in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. Hiertoe voert eiser de hiervoor genoemde ervaringen aan en daarnaast dat zijn psychische toestand slecht is. Een kamergenoot van eiser heeft zelfmoord gepleegd. Eiser kan hierdoor ’s nachts niet slapen, omdat hij rare geluiden hoort en beelden ziet en heeft moeite om onder te mensen te zijn. Eiser heeft een gesprek met de POH-GGZ gehad. Op 24 maart 2026 heeft eiser een tweede gesprek. 6.1. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening trekt de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser gestelde omstandigheden in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft die omstandigheden in het bestreden besluit voldoende zorgvuldig en gemotiveerd in zijn beoordeling betrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld in het kader van de vraag of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5 (onder discretionaire bepalingen) van de Vreemdelingencirculaire 2000. 6.3.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8794 text/xml public 2026-04-14T17:00:35 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-10 NL26.9151 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8794 text/html public 2026-04-13T10:57:04 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8794 Rechtbank Den Haag , 10-04-2026 / NL26.9151 Dublin Kroatië – interstatelijk vertrouwensbeginsel – artikel 17 Dublinverordening – beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.9151 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer [nummer], eiser (gemachtigde: mr. A. Berends), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.F.H. Pols). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 1.1. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening , op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 4. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 4 september 2025 asiel aangevraagd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De Europese Unie heeft namelijk gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 4 november 2025 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 11 november 2025 aanvaard. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 5. Eiser voert aan dat de minister niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Hiertoe voert eiser aan dat de opvangfaciliteiten niet aan de minimumvereisten voldoen. Zo heeft eiser verklaard dat de Kroatische opvanglocatie onhygiënisch was en het eten slecht was. Daarnaast zijn er meldingen over pushbacks en andere mensenrechtenschendingen door de Kroatische autoriteiten. Eiser verwijst ter onderbouwing naar het AIDA Country Report Croatia (2024 update) (AIDA-rapport) en naar een online artikel “Short overview of the reception system – Croatia van 20 januari 2026”. 5.1. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval. 5.3. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat ten aanzien van Kroatië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is de Afdeling onder meer ingegaan op de onderwerpen (toegang tot de) asielprocedure, pushbacks en opvangvoorzieningen. Het AIDA-rapport, update 2024, waar eiser naar verwijst, laat geen wezenlijk ander beeld zien dan het eerdere AIDA-rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Verder blijkt uit de door eiser genoemde update van 20 januari 2026 niet dat de situatie in Kroatië na het verschijnen van de update 2024 verslechterd is. Het is niet gebleken dat de problemen in Kroatië, ondanks dat er moeilijkheden bestaan en dat deze voortduren, structureel en dermate ernstig zijn dat bij overdracht aan Kroatië op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De minister heeft daarbij, anders dan eiser aanvoert, de gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt in Kroatië meegenomen. Zo heeft de minister in het bestreden besluit onder meer betrokken dat eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat de omstandigheden in Kroatië slecht zijn en de opvanglocaties slecht zijn. Eiser heeft nog aangevoerd dat hij ongeveer een week tot tien dagen in een Kroatische opvanglocatie heeft verbleven. Volgens eiser was het erg vies en kreeg eiser wondjes aan zijn benen. Eiser heeft foto’s overgelegd van zijn benen, het toilet en de douche in de opvanglocatie. Eiser heeft geen enkele medische zorg gekregen, terwijl hij daar wel om heeft gevraagd. Ook heeft eiser geen leefgeld ontvangen, terwijl de Opvangrichtlijn dat wel voorschrijft. Daarmee bevestigt eiser wel deels de inhoud van onder meer het AIDA-rapport, maar hij maakt daarmee niet aannemelijk dat de situatie zo ernstig is dat de Jawo-drempel wel wordt gehaald. 5.4. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd dus geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De beroepsgrond slaagt niet. Onevenredige hardheid 6. Eiser voert verder aan dat de minister eisers asielaanvraag onverplicht aan zich toe moet trekken in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. Hiertoe voert eiser de hiervoor genoemde ervaringen aan en daarnaast dat zijn psychische toestand slecht is. Een kamergenoot van eiser heeft zelfmoord gepleegd. Eiser kan hierdoor ’s nachts niet slapen, omdat hij rare geluiden hoort en beelden ziet en heeft moeite om onder te mensen te zijn. Eiser heeft een gesprek met de POH-GGZ gehad. Op 24 maart 2026 heeft eiser een tweede gesprek. 6.1. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening trekt de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser gestelde omstandigheden in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft die omstandigheden in het bestreden besluit voldoende zorgvuldig en gemotiveerd in zijn beoordeling betrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld in het kader van de vraag of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5 (onder discretionaire bepalingen) van de Vreemdelingencirculaire 2000. 6.3.