Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2026:8635
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
16,155 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8635 text/xml public 2026-05-11T09:23:53 2026-04-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-12 C/09/668824 / FA RK 24-4704 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl PFR-Updates.nl 2026-0095 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8635 text/html public 2026-04-20T09:29:34 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8635 Rechtbank Den Haag , 12-03-2026 / C/09/668824 / FA RK 24-4704 draagmoeder. VS. Verklaring voor recht GA VS, waarop verzoekers als ouders worden vermeld in Nederland wordt erkend en vatbaar is voor opneming in het reg. bs. Verklaring voor recht uitspraken VS m.b.t. afstamming. last tot inschrijving geboorteakte Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-4704 Zaaknummer: C/09/668824 Datum beschikking: 12 maart 2026 Beschikking op het op 19 juni 2024 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , gezamenlijk te noemen verzoekers, dan wel de wensouders dan wel afzonderlijk [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. V.W.J.M. Kuit te Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: de ambtenaar van de burgerlijke stand, zetelend te ’s-Gravenhage, hierna: de ambtenaar, Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de brief van 16 juli 2024, met bijlage, van verzoekers; - de brief van 23 september 2024 van de ambtenaar; - een F9-formulier van 22 oktober 2024, met bijlagen, van verzoekers; - een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 11 november 2024; - de brief van 2 december 2024 van de ambtenaar; - de brief van 23 januari 2026 van de ambtenaar. Op 29 januari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekers met hun advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De ambtenaar heeft in zijn brief van 23 januari 2026 de rechtbank bericht niet op de zitting te zullen verschijnen. Feiten De wensouders, beiden van het mannelijk geslacht, zijn op [datum 1] 2010 te [plaats 1] gehuwd. Verzoekers kunnen hun kinderwens niet op eigen kracht realiseren. Zij hebben voor hoogtechnologisch draagmoederschap gekozen. De draagmoeder is [naam 2] . De draagmoeder is Amerikaans staatsburger. Zij is gehuwd met [naam 3] . De draagmoeder woont in de Verenigde Staten van Amerika (VS). De wensouders hebben op 20 oktober 2022 met haar een draagmoederschapsovereenkomst gesloten. Verzoekers hebben [naam 4] , gehuwd met [naam 5] , een nicht van [verzoeker 2] , bereid gevonden als eiceldonatrice op te treden. Met haar is eerst een onderhandse (ongedateerde) overeenkomst gesloten. Later, op 28 februari 2019, is een donorovereenkomst gesloten, getekend op respectievelijk 5 en 6 maart 2019. In het laboratorium van [instelling] te [plaats 2], Canada, zijn embryo’s gemaakt met het semen van [verzoeker 1] en de eicel van de eiceldonatrice. De draagmoeder is na een ivf-behandeling door voornoemde kliniek in verwachting geraakt. Er is daarbij een embryo bij de draagmoeder geplaatst, waarbij gebruik is gemaakt van een zaadcel van [verzoeker 1] en een eicel van een eiceldonatrice. Dit blijkt uit de affidavit of health care provider van de arts, [naam 6] MD van 6 februari 2024. Op [geboortedatum] 2024 is uit de draagmoeder te [geboorteplaats] , VS, [minderjarige] geboren. Op [geboortedatum] 2024 is door de draagmoeder ten overstaan van de 18th. Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division, een Affidavit of Gestational Carrier gegeven, voorzien van apostille, waarin zij verklaart afstand te hebben gedaan van het juridisch ouderschap over [minderjarige] , de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] te hebben overgedragen aan verzoekers en toestemming te hebben gegeven (voor een verklaring voor recht) dat [verzoeker 1] de genetische en juridische vader is en dat [verzoeker 2] de andere juridische vader is. Op [geboortedatum] 2024 is door de echtgenoot van draagmoeder ten overstaan van de 18th. Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division, een Affidavit of Gestational Carrier gegeven, voorzien van apostille, waarin hij verklaart afstand te hebben gedaan van het juridisch ouderschap over [minderjarige] , de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] te hebben overgedragen aan verzoekers en toestemming te hebben gegeven (voor een verklaring voor recht) dat [verzoeker 1] de genetische en juridische vader is en dat [verzoeker 2] de andere juridische vader is. Op 25 februari 2024 heeft de 18th. Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division een ‘Stipulation and judgement determining the parent-child relationship’ en een ‘Stipulation and judgement determining the Parent-and-child relationship’, gegeven, beide voorzien van apostille, waarin onder meer rechtens is vastgesteld dat de draagmoeder niet de natuurlijke ouder is van het kind dat uit haar is geboren, dat zij niet de juridische ouder is en dat zij geen ouderlijk gezag heeft. Verder is vastgesteld dat haar echtgenoot niet de juridische ouder is van het kind en dat hij geen ouderlijk gezag heeft. Vastgesteld is dat [verzoeker 1] de genetische en juridisch ouder is van het kind en dat [verzoeker 2] eveneens de juridische ouder is van het kind. Ook is vastgesteld dat verzoekers het gezamenlijk ouderlijk gezag hebben over [minderjarige] . Op de in Missouri, VS, op 8 maart 2024 opgemaakte geboorteakte van [minderjarige] , voorzien van apostille, staan de draagmoeder en [verzoeker 1] vermeld als ouders. Op de in Missouri, VS, op 13 maart 2024 opgemaakte geboorteakte van [minderjarige] , voorzien van apostille, staan verzoekers vermeld als ouders. [minderjarige] verblijft sinds kort na zijn geboorte bij verzoekers. Uit een overgelegd rapport van DNA-onderzoek van Consanguinitas blijkt dat met een waarschijnlijkheid van 99,99998% is aangetoond dat [verzoeker 1] de biologische vader is van [minderjarige] . De Raad heeft in zijn rapport van 11 november 2024 de rechtbank geadviseerd het subsidiaire verzoek tot adoptie door [verzoeker 2] toe te wijzen. Verzoek en verweer Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank: primair: voor recht verklaart dat de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige] , gedateerd 13 maart 2024, waarop verzoekers als ouders worden vermeld, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage; voor recht verklaart dat de beslissing van de 18th. Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division van 25 februari 2024, waarbij is vastgesteld dat [naam 2] en haar echtgenoot [naam 3] niet de juridische ouders zijn van het kind, en waarbij is vastgesteld dat verzoekers de juridische ouders zijn van het kind die ook zijn belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over het kind, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand; voor zover nodig de geboortegegevens van [minderjarige] vaststelt; e ongewijzigde inschrijving in het register van geboorten van de gemeente ’s-Gravenhage gelast van de Amerikaanse geboorteakte van de door de bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften in Missouri, VS, opgemaakte geboorteakte van [minderjarige] , opgemaakt op 12 maart 2024 met vermelding van verzoekers als ouders; bepaalt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand op de geboorteakte een latere vermelding plaatst van voornoemde Amerikaanse beslissing, welke de verklaring voor recht behelst dat de draagmoeder en haar echtgenoot niet de juridische ouders zijn van [minderjarige] en dat verzoekers de juridische ouders zijn; primair: vaststelt, althans overweegt dat uit de beslissing van de 18th.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8635 text/xml public 2026-05-11T09:23:53 2026-04-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-12 C/09/668824 / FA RK 24-4704 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl PFR-Updates.nl 2026-0095 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8635 text/html public 2026-04-20T09:29:34 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8635 Rechtbank Den Haag , 12-03-2026 / C/09/668824 / FA RK 24-4704 draagmoeder. VS. Verklaring voor recht GA VS, waarop verzoekers als ouders worden vermeld in Nederland wordt erkend en vatbaar is voor opneming in het reg. bs. Verklaring voor recht uitspraken VS m.b.t. afstamming. last tot inschrijving geboorteakte Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-4704 Zaaknummer: C/09/668824 Datum beschikking: 12 maart 2026 Beschikking op het op 19 juni 2024 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , gezamenlijk te noemen verzoekers, dan wel de wensouders dan wel afzonderlijk [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. V.W.J.M. Kuit te Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: de ambtenaar van de burgerlijke stand, zetelend te ’s-Gravenhage, hierna: de ambtenaar, Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de brief van 16 juli 2024, met bijlage, van verzoekers; - de brief van 23 september 2024 van de ambtenaar; - een F9-formulier van 22 oktober 2024, met bijlagen, van verzoekers; - een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 11 november 2024; - de brief van 2 december 2024 van de ambtenaar; - de brief van 23 januari 2026 van de ambtenaar. Op 29 januari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekers met hun advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De ambtenaar heeft in zijn brief van 23 januari 2026 de rechtbank bericht niet op de zitting te zullen verschijnen. Feiten De wensouders, beiden van het mannelijk geslacht, zijn op [datum 1] 2010 te [plaats 1] gehuwd. Verzoekers kunnen hun kinderwens niet op eigen kracht realiseren. Zij hebben voor hoogtechnologisch draagmoederschap gekozen. De draagmoeder is [naam 2] . De draagmoeder is Amerikaans staatsburger. Zij is gehuwd met [naam 3] . De draagmoeder woont in de Verenigde Staten van Amerika (VS). De wensouders hebben op 20 oktober 2022 met haar een draagmoederschapsovereenkomst gesloten. Verzoekers hebben [naam 4] , gehuwd met [naam 5] , een nicht van [verzoeker 2] , bereid gevonden als eiceldonatrice op te treden. Met haar is eerst een onderhandse (ongedateerde) overeenkomst gesloten. Later, op 28 februari 2019, is een donorovereenkomst gesloten, getekend op respectievelijk 5 en 6 maart 2019. In het laboratorium van [instelling] te [plaats 2], Canada, zijn embryo’s gemaakt met het semen van [verzoeker 1] en de eicel van de eiceldonatrice. De draagmoeder is na een ivf-behandeling door voornoemde kliniek in verwachting geraakt. Er is daarbij een embryo bij de draagmoeder geplaatst, waarbij gebruik is gemaakt van een zaadcel van [verzoeker 1] en een eicel van een eiceldonatrice. Dit blijkt uit de affidavit of health care provider van de arts, [naam 6] MD van 6 februari 2024. Op [geboortedatum] 2024 is uit de draagmoeder te [geboorteplaats] , VS, [minderjarige] geboren. Op [geboortedatum] 2024 is door de draagmoeder ten overstaan van de 18th. Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division, een Affidavit of Gestational Carrier gegeven, voorzien van apostille, waarin zij verklaart afstand te hebben gedaan van het juridisch ouderschap over [minderjarige] , de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] te hebben overgedragen aan verzoekers en toestemming te hebben gegeven (voor een verklaring voor recht) dat [verzoeker 1] de genetische en juridische vader is en dat [verzoeker 2] de andere juridische vader is. Op [geboortedatum] 2024 is door de echtgenoot van draagmoeder ten overstaan van de 18th. Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division, een Affidavit of Gestational Carrier gegeven, voorzien van apostille, waarin hij verklaart afstand te hebben gedaan van het juridisch ouderschap over [minderjarige] , de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] te hebben overgedragen aan verzoekers en toestemming te hebben gegeven (voor een verklaring voor recht) dat [verzoeker 1] de genetische en juridische vader is en dat [verzoeker 2] de andere juridische vader is. Op 25 februari 2024 heeft de 18th. Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division een ‘Stipulation and judgement determining the parent-child relationship’ en een ‘Stipulation and judgement determining the Parent-and-child relationship’, gegeven, beide voorzien van apostille, waarin onder meer rechtens is vastgesteld dat de draagmoeder niet de natuurlijke ouder is van het kind dat uit haar is geboren, dat zij niet de juridische ouder is en dat zij geen ouderlijk gezag heeft. Verder is vastgesteld dat haar echtgenoot niet de juridische ouder is van het kind en dat hij geen ouderlijk gezag heeft. Vastgesteld is dat [verzoeker 1] de genetische en juridisch ouder is van het kind en dat [verzoeker 2] eveneens de juridische ouder is van het kind. Ook is vastgesteld dat verzoekers het gezamenlijk ouderlijk gezag hebben over [minderjarige] . Op de in Missouri, VS, op 8 maart 2024 opgemaakte geboorteakte van [minderjarige] , voorzien van apostille, staan de draagmoeder en [verzoeker 1] vermeld als ouders. Op de in Missouri, VS, op 13 maart 2024 opgemaakte geboorteakte van [minderjarige] , voorzien van apostille, staan verzoekers vermeld als ouders. [minderjarige] verblijft sinds kort na zijn geboorte bij verzoekers. Uit een overgelegd rapport van DNA-onderzoek van Consanguinitas blijkt dat met een waarschijnlijkheid van 99,99998% is aangetoond dat [verzoeker 1] de biologische vader is van [minderjarige] . De Raad heeft in zijn rapport van 11 november 2024 de rechtbank geadviseerd het subsidiaire verzoek tot adoptie door [verzoeker 2] toe te wijzen. Verzoek en verweer Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank: primair: voor recht verklaart dat de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige] , gedateerd 13 maart 2024, waarop verzoekers als ouders worden vermeld, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage; voor recht verklaart dat de beslissing van de 18th. Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division van 25 februari 2024, waarbij is vastgesteld dat [naam 2] en haar echtgenoot [naam 3] niet de juridische ouders zijn van het kind, en waarbij is vastgesteld dat verzoekers de juridische ouders zijn van het kind die ook zijn belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over het kind, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand; voor zover nodig de geboortegegevens van [minderjarige] vaststelt; e ongewijzigde inschrijving in het register van geboorten van de gemeente ’s-Gravenhage gelast van de Amerikaanse geboorteakte van de door de bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften in Missouri, VS, opgemaakte geboorteakte van [minderjarige] , opgemaakt op 12 maart 2024 met vermelding van verzoekers als ouders; bepaalt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand op de geboorteakte een latere vermelding plaatst van voornoemde Amerikaanse beslissing, welke de verklaring voor recht behelst dat de draagmoeder en haar echtgenoot niet de juridische ouders zijn van [minderjarige] en dat verzoekers de juridische ouders zijn; primair: vaststelt, althans overweegt dat uit de beslissing van de 18th.
Volledig
Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division van 25 februari 2024 voortvloeit dat verzoekers het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen; subsidiair: verzoekers belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] ; de griffier opdracht geeft aantekening te doen in het gezagsregister dat verzoekers het gezamenlijk gezag uitoefenen; subsidiair: de adoptie van [minderjarige] uitspreekt door [verzoeker 2] met behoud van de familierechtelijke betrekking met [minderjarige] van [verzoeker 1] ; de geboortegegevens van [minderjarige] vaststelt; de ambtenaar van de burgerlijke stand gelast een latere vermelding van de adoptie aan de op te maken geboorteakte toevoegt, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De ambtenaar heeft schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt. Beoordeling Rechtsmacht De rechtbank heeft op grond van artikel 3 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om van de verzoeken kennis te nemen, nu verzoekers hun woonplaats in Nederland hebben. Relatieve bevoegdheid Verzoekers zijn woonachtig binnen het arrondissement van de rechtbank Midden-Nederland, zodat de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Verzoekers hebben hun verzoek ingediend bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank leidt hieruit af dat zij overeenkomstig artikel 270 Rv een forumkeuze voor de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag hebben gedaan en geen verwijzing wensen naar de rechtbank Midden-Nederland omdat verzoekers willen dat de rechtbank Den Haag het verzoek in behandeling neemt. De rechtbank acht zich daarom bevoegd van het verzoek kennis te nemen. De positie van de draagmoeder en haar echtgenoot De draagmoeder en haar echtgenoot kunnen in beginsel als belanghebbende als bedoeld in artikel 798 Rv worden aangemerkt. De rechtbank zal de draagmoeder en haar echtgenoot echter niet als belanghebbende aanmerken. Dit gelet op de hierboven vastgestelde feiten, waaronder de afgelegde verklaring van de draagmoeder en haar echtgenoot waarin zij samengevat hebben verklaard dat zij verzoekers erkennen als de juridische ouders, dat verzoekers het gezag over [minderjarige] hebben en dat zij geen juridisch ouder van [minderjarige] wensen te zijn. De rechtbank zal daarom geen afschrift van de uitspraak aan de draagmoeder en haar echtgenoot toesturen. Verzoeken onder a). en b).: verklaringen voor recht Toepasselijk recht Verzocht wordt om voor recht te verklaren dat de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming tussen [minderjarige] en de wensouders bij geboorte in Amerika zijn vastgesteld en van rechtswege voor erkenning in aanmerking komen en dat de buitenlandse geboorteakte in Nederland kan worden erkend en voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage vatbaar is. De rechtbank zal op dat verzoek het Nederlandse recht toepassen. Erkenning van de in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekking en van de Amerikaanse geboorteakte Verzoekers verzoeken op grond van artikel 10:101 juncto 10:100 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de buitenlandse tot stand gekomen familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de wensouders te erkennen. Het verzoek ten aanzien van de Amerikaanse geboorteakte van 13 maart 2024 strekt ertoe deze in Nederland te erkennen en voor recht te verklaren dat deze vatbaar is voor opneming in het register van geboorten van de gemeente ’s-Gravenhage. Dit verzoek is gegrond op artikel 1:26 BW. Op grond van dit artikel kan een ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft de rechtbank verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand. Het belang van verzoekers is erin gelegen dat zij in Nederland als wettige ouders van [minderjarige] zullen worden erkend en geregistreerd. Dit is een gerechtvaardigd belang zodat aan verzoekers een beroep op artikel 1:26 BW toekomt. De ambtenaar heeft zich ten aanzien van de verzoeken gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor de vraag of de Amerikaanse geboorteakte en de in Amerika ontstane familierechtelijke betrekkingen tussen [minderjarige] en de wensouders in Nederland kunnen worden erkend, zal de rechtbank de in boek 10 BW geplaatste erkenningsregeling (naar analogie) toepassen op de afstammingsrechtelijke gevolgen van draagmoederschap. In artikel 10:101 lid 1 BW is, voor zover hier van belang, de in artikel 10:100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 BW opgenomen erkenningsregeling van overeenkomstige toepassing verklaard op in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte. Hieruit volgt dat een in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte van rechtswege worden erkend, tenzij: - aan de rechtshandeling geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of - de erkenning van de rechtshandeling onverenigbaar is met de openbare orde. Niet in geschil is dat de Amerikaanse geboorteakte is opgemaakt door een bevoegde instantie. Voor de Amerikaanse geboorteakte dient – los van de beoordeling of aan de beslissing kennelijk behoorlijk onderzoek is voorafgegaan – te worden beoordeeld of de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen erkenning van de in de Verenigde Staten tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen zoals bedoeld in artikel 10:100 lid 1 sub c BW. De rechtbank is, gelet op de beslissing van de 18th. Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division van 25 februari 2024 (hierna: de Amerikaanse beslissing) die (uiteindelijk) heeft geleid tot het opmaken van de geboorteakte van 13 maart 2024, van oordeel dat sprake is geweest van behoorlijk onderzoek en behoorlijke rechtspleging. Nu het draagmoederschapstraject in Missouri in de VS heeft plaatsgevonden en de draagmoeder daar woonachtig is, kan niet worden geoordeeld dat er voor de rechtsmacht van de Amerikaanse rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond. Vervolgens is het de vraag of de openbare orde zich verzet tegen erkenning van de in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen tussen de wensouders en [minderjarige] zoals vastgesteld in de Amerikaanse beslissing. Openbare orde exceptie: zorgvuldig draagmoederschapstraject? De rechtbank acht het in het kader van de openbare orde toets van belang om te beoordelen of het in het buitenland gevolgde traject van draagmoederschap zorgvuldig heeft plaatsgevonden, gelet op de ingrijpende gevolgen van draagmoederschap voor de rechten en verplichtingen van zowel het kind, de draagmoeder als de wensouders in kwestie. Hierbij zijn de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap zoals opgenomen in het adviesrapport ‘Kind en ouders in de 21e eeuw’ van 7 december 2016 van belang en de door het kabinet in zijn brief van 12 juli 2019 (kamerstukken TK 2018/2019, 33836, nr. 45) geformuleerde waarborgen om het traject zorgvuldig en transparant te laten verlopen en zoveel mogelijk rechtszekerheid te bieden aan de draagmoeder, de wensouders en het kind. Hieruit volgt dat het voor kinderen van groot belang is om te (kunnen) achterhalen uit wie zij zijn geboren, van wie zij genetisch afstammen en onder welke omstandigheden zij zijn ontstaan en geboren. Het recht van het kind om zijn of haar afstamming te kennen is een mensenrecht dat is opgenomen in artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
Volledig
Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division van 25 februari 2024 voortvloeit dat verzoekers het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen; subsidiair: verzoekers belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] ; de griffier opdracht geeft aantekening te doen in het gezagsregister dat verzoekers het gezamenlijk gezag uitoefenen; subsidiair: de adoptie van [minderjarige] uitspreekt door [verzoeker 2] met behoud van de familierechtelijke betrekking met [minderjarige] van [verzoeker 1] ; de geboortegegevens van [minderjarige] vaststelt; de ambtenaar van de burgerlijke stand gelast een latere vermelding van de adoptie aan de op te maken geboorteakte toevoegt, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De ambtenaar heeft schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt. Beoordeling Rechtsmacht De rechtbank heeft op grond van artikel 3 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om van de verzoeken kennis te nemen, nu verzoekers hun woonplaats in Nederland hebben. Relatieve bevoegdheid Verzoekers zijn woonachtig binnen het arrondissement van de rechtbank Midden-Nederland, zodat de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Verzoekers hebben hun verzoek ingediend bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank leidt hieruit af dat zij overeenkomstig artikel 270 Rv een forumkeuze voor de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag hebben gedaan en geen verwijzing wensen naar de rechtbank Midden-Nederland omdat verzoekers willen dat de rechtbank Den Haag het verzoek in behandeling neemt. De rechtbank acht zich daarom bevoegd van het verzoek kennis te nemen. De positie van de draagmoeder en haar echtgenoot De draagmoeder en haar echtgenoot kunnen in beginsel als belanghebbende als bedoeld in artikel 798 Rv worden aangemerkt. De rechtbank zal de draagmoeder en haar echtgenoot echter niet als belanghebbende aanmerken. Dit gelet op de hierboven vastgestelde feiten, waaronder de afgelegde verklaring van de draagmoeder en haar echtgenoot waarin zij samengevat hebben verklaard dat zij verzoekers erkennen als de juridische ouders, dat verzoekers het gezag over [minderjarige] hebben en dat zij geen juridisch ouder van [minderjarige] wensen te zijn. De rechtbank zal daarom geen afschrift van de uitspraak aan de draagmoeder en haar echtgenoot toesturen. Verzoeken onder a). en b).: verklaringen voor recht Toepasselijk recht Verzocht wordt om voor recht te verklaren dat de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming tussen [minderjarige] en de wensouders bij geboorte in Amerika zijn vastgesteld en van rechtswege voor erkenning in aanmerking komen en dat de buitenlandse geboorteakte in Nederland kan worden erkend en voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage vatbaar is. De rechtbank zal op dat verzoek het Nederlandse recht toepassen. Erkenning van de in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekking en van de Amerikaanse geboorteakte Verzoekers verzoeken op grond van artikel 10:101 juncto 10:100 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de buitenlandse tot stand gekomen familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de wensouders te erkennen. Het verzoek ten aanzien van de Amerikaanse geboorteakte van 13 maart 2024 strekt ertoe deze in Nederland te erkennen en voor recht te verklaren dat deze vatbaar is voor opneming in het register van geboorten van de gemeente ’s-Gravenhage. Dit verzoek is gegrond op artikel 1:26 BW. Op grond van dit artikel kan een ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft de rechtbank verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand. Het belang van verzoekers is erin gelegen dat zij in Nederland als wettige ouders van [minderjarige] zullen worden erkend en geregistreerd. Dit is een gerechtvaardigd belang zodat aan verzoekers een beroep op artikel 1:26 BW toekomt. De ambtenaar heeft zich ten aanzien van de verzoeken gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor de vraag of de Amerikaanse geboorteakte en de in Amerika ontstane familierechtelijke betrekkingen tussen [minderjarige] en de wensouders in Nederland kunnen worden erkend, zal de rechtbank de in boek 10 BW geplaatste erkenningsregeling (naar analogie) toepassen op de afstammingsrechtelijke gevolgen van draagmoederschap. In artikel 10:101 lid 1 BW is, voor zover hier van belang, de in artikel 10:100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 BW opgenomen erkenningsregeling van overeenkomstige toepassing verklaard op in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte. Hieruit volgt dat een in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte van rechtswege worden erkend, tenzij: - aan de rechtshandeling geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of - de erkenning van de rechtshandeling onverenigbaar is met de openbare orde. Niet in geschil is dat de Amerikaanse geboorteakte is opgemaakt door een bevoegde instantie. Voor de Amerikaanse geboorteakte dient – los van de beoordeling of aan de beslissing kennelijk behoorlijk onderzoek is voorafgegaan – te worden beoordeeld of de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen erkenning van de in de Verenigde Staten tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen zoals bedoeld in artikel 10:100 lid 1 sub c BW. De rechtbank is, gelet op de beslissing van de 18th. Judicial Circuit Court in and for the county of Cooper, State of Missouri Family Court Division van 25 februari 2024 (hierna: de Amerikaanse beslissing) die (uiteindelijk) heeft geleid tot het opmaken van de geboorteakte van 13 maart 2024, van oordeel dat sprake is geweest van behoorlijk onderzoek en behoorlijke rechtspleging. Nu het draagmoederschapstraject in Missouri in de VS heeft plaatsgevonden en de draagmoeder daar woonachtig is, kan niet worden geoordeeld dat er voor de rechtsmacht van de Amerikaanse rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond. Vervolgens is het de vraag of de openbare orde zich verzet tegen erkenning van de in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen tussen de wensouders en [minderjarige] zoals vastgesteld in de Amerikaanse beslissing. Openbare orde exceptie: zorgvuldig draagmoederschapstraject? De rechtbank acht het in het kader van de openbare orde toets van belang om te beoordelen of het in het buitenland gevolgde traject van draagmoederschap zorgvuldig heeft plaatsgevonden, gelet op de ingrijpende gevolgen van draagmoederschap voor de rechten en verplichtingen van zowel het kind, de draagmoeder als de wensouders in kwestie. Hierbij zijn de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap zoals opgenomen in het adviesrapport ‘Kind en ouders in de 21e eeuw’ van 7 december 2016 van belang en de door het kabinet in zijn brief van 12 juli 2019 (kamerstukken TK 2018/2019, 33836, nr. 45) geformuleerde waarborgen om het traject zorgvuldig en transparant te laten verlopen en zoveel mogelijk rechtszekerheid te bieden aan de draagmoeder, de wensouders en het kind. Hieruit volgt dat het voor kinderen van groot belang is om te (kunnen) achterhalen uit wie zij zijn geboren, van wie zij genetisch afstammen en onder welke omstandigheden zij zijn ontstaan en geboren. Het recht van het kind om zijn of haar afstamming te kennen is een mensenrecht dat is opgenomen in artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
Volledig
Op grond van de overgelegde stukken komt de rechtbank tot het oordeel dat het draagmoederschapstraject dat de wensouders in de VS hebben doorlopen zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank onder meer dat de naam van de draagmoeder en haar contactgegevens bekend zijn. De draagmoeder en de wensouders hebben bovendien onafhankelijk juridisch advies ontvangen en voor de draagmoeder was medische zorg en psychologische bijstand geregeld. Ook de naam van de eiceldonatrice is bekend en zij heeft eveneens juridisch advies ontvangen. Met haar is een donorovereenkomst gesloten, getekend op 28 februari 2019. Verzoekers hebben nog contact met haar, zij is een nicht van [verzoeker 2] . Hieruit blijkt dat [minderjarige] zijn volledige ontstaansgeschiedenis kan achterhalen. Gebleken is dat het juridisch ouderschap van de wensouders vanaf kort na de geboorte van [minderjarige] is vastgesteld op grond van de Amerikaanse beslissing van 25 februari 2024, zoals vermeld onder de feiten, een en ander in overeenstemming met de Amerikaanse wetgeving. De rechtbank kwalificeert deze Amerikaanse beslissing als een ontkenning van het moederschap van de draagmoeder, een ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder en een vaststelling van het ouderschap van de wensouders. Hoewel de Nederlandse wet ontkenning van het moederschap van de moeder uit wie het kind geboren is niet kent, kent de wet wel de mogelijkheid om de familierechtelijke betrekking met de geboortemoeder te beëindigen, namelijk langs de weg van adoptie. Het enkele feit dat een beslissing van een buitenlandse rechter niet overeenstemt met bepalingen uit het Nederlands recht, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Amerikaanse beslissing van 25 februari 2024 waarbij de familierechtelijke betrekking tussen de wensouders en [minderjarige] is vastgesteld, in Nederland kan worden erkend. Erkenning Amerikaanse geboorteakte Ook voor de vraag of de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige] kan worden erkend, zal de rechtbank de in boek 10 BW geplaatste erkenningsregeling naar analogie toepassen. In artikel 10:101 lid 1 BW is, voor zover hier van belang, de in artikel 10:100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 BW opgenomen erkenningsregeling van overeenkomstige toepassing verklaard op in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte. De rechtbank stelt vast dat voor [minderjarige] een (tweede) geboorteakte is opgemaakt, waarin verzoekers – overeenkomstig de in het buitenland genomen beslissing – als ouders zijn opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is gedaan. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan deze rechtshandelingen geen behoorlijk onderzoek is voorafgegaan. Ook ten aanzien van de Amerikaanse geboorteakte gaat het daarom om de vraag of erkenning van de uit de Amerikaanse geboorteakte voortvloeiende afstammingsrelatie kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 10:100 lid 1 sub c BW. Openbare orde exceptie? De rechtbank stelt het volgende voorop. De uitzondering dat er sprake is van kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde, zoals opgenomen in artikel 10:100 lid 1 sub c BW mag niet snel worden aangenomen. De exceptie van de Nederlandse openbare orde – waaronder kunnen worden verstaan de beginselen van waarden van juridische, sociale of morele aard, die in de eigen rechtsorde fundamenteel worden geacht – mag slechts als ultimum remedium worden ingezet. Met andere woorden: er moet sprake zijn van zulke fundamentele waarden, waarmee dat toepasselijke buitenlands recht strijdig is, dat dit recht niet wordt toegepast. Bij fundamentele waarden en normen uit de Nederlandse rechtsorde moet bijvoorbeeld gedacht worden aan het beginsel van non-discriminatie, de gelijke behandeling van man en vrouw en het recht op bescherming van het privé- en gezinsleven. Daarom wordt alleen in uitzonderlijke gevallen een beroep op strijd met de openbare orde gegrond geacht. De invulling van de vraag of sprake is van strijd met de openbare orde wordt bovendien beïnvloed door ontwikkelingen in de maatschappij en de rechtspraak. Uit de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1995/96, 24649, nr. 3 (hierna: MvT), blijkt dat de wetgever destijds, bij het bepalen van de term “moeder” van het kind ook heeft stilgestaan bij de bijzondere wijzen van voortplanting. De MvT zegt daarover op pagina 7: “ De moeder van het kind is de vrouw die het kind heeft gebaard, ook als het genetische materiaal waaruit het kind is ontstaan, niet van haar afkomstig is. Het gaat mij te ver om, nu er technische mogelijkheden tot embryodonatie zijn voor alle gevallen het vaste uitgangspunt ten aanzien van het moederschap te vervangen door een vermoeden van moederschap dat zonodig door de vrouw die het kind heeft gebaard of het kind en eventueel door de vader kan worden ontkracht. Het gegeven dat de vrouw op deze wijze een kind wilde krijgen, de zwangerschap en de geboorte vormen voor deze opvatting voldoende grondslag. ” Er is destijds, dus al in 1995, door de wetgever nagedacht over een mogelijkheid om het vaste uitgangspunt dat de moeder van het kind altijd de vrouw is uit wie het kind geboren is, te verlaten. Daar is weliswaar vanaf gezien, maar het idee dat de moeder een ander kan zijn, was geaccepteerd. De genetische verbanden en het dragen van een kind zijn, mede vanwege de mogelijkheden tot IVF en de draagmoeder, los van elkaar komen te staan. Het familierecht was en is echter nog steeds voor een groot deel gebaseerd op het idee van een traditioneel gezin. Hierin is met de invoering van de Wet lesbisch ouderschap en de Wet evaluatie openstelling huwelijk en geregistreerd partnerschap in 2014 enige verandering gebracht. In het BW is echter tot op heden nog geen artikel te vinden over het draagmoederschap. Nederland heeft lange tijd een consistent ontmoedigingsbeleid gevoerd ten aanzien van het draagmoederschap. Volgens het kabinet was het draagmoederschap een ongewenst verschijnsel vanwege emotionele problemen voor de draagmoeder door de afstand van het kind, identiteitsproblemen voor het kind, verstoring van het hechtingsproces en het risico dat het kind tussen wal en schip valt, indien wensouders vóór de geboorte terugkomen op hun intentie. Aan de Staatscommissie Herijking Ouderschap is gevraagd om na te denken over de vraag of draagmoederschap meer of anders zou moeten worden geregeld. Dit in reactie op de maatschappelijke en medisch-technologische veranderingen. De Staatscommissie heeft in het eerder genoemde Rapport “Kind en ouders in de 21ste eeuw” hierover een aanbeveling gedaan. De rechtbank toetst op dit moment ook al of de buitenlandse draagmoederschapstrajecten voldoen aan de door de Staatscommissie genoemde voorwaarden. Hoewel destijds is afgezien van het aanpassen van de wet worden wel al stappen gezet om dat later mogelijk alsnog te doen, ingegeven door de toename van het aantal kinderen dat geboren wordt middels hoogtechnologisch draagmoederschap. Op dit moment is er een wetsvoorstel aanhangig, namelijk het “Wetsvoorstel Wet kind, draagmoederschap en afstamming” (36390). De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de Memorie van Toelichting behorende bij dit wetsvoorstel. Hierin wordt een regeling getroffen waarin de wensouders vanaf de geboorte als ouders op de geboorteakte staan vermeld. In de toelichting wordt vermeld dat de Nederlandse openbare orde zich niet langer verzet tegen het niet vermeld staan van een geboortemoeder op de geboorteakte. Wel moet de identiteit van de geboortemoeder op termijn voor het betrokken kind te achterhalen zijn. Dit geldt ook voor de overige gegevens betreffende de genetische afstamming, zoals die van de eiceldonatrice.
Volledig
Op grond van de overgelegde stukken komt de rechtbank tot het oordeel dat het draagmoederschapstraject dat de wensouders in de VS hebben doorlopen zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank onder meer dat de naam van de draagmoeder en haar contactgegevens bekend zijn. De draagmoeder en de wensouders hebben bovendien onafhankelijk juridisch advies ontvangen en voor de draagmoeder was medische zorg en psychologische bijstand geregeld. Ook de naam van de eiceldonatrice is bekend en zij heeft eveneens juridisch advies ontvangen. Met haar is een donorovereenkomst gesloten, getekend op 28 februari 2019. Verzoekers hebben nog contact met haar, zij is een nicht van [verzoeker 2] . Hieruit blijkt dat [minderjarige] zijn volledige ontstaansgeschiedenis kan achterhalen. Gebleken is dat het juridisch ouderschap van de wensouders vanaf kort na de geboorte van [minderjarige] is vastgesteld op grond van de Amerikaanse beslissing van 25 februari 2024, zoals vermeld onder de feiten, een en ander in overeenstemming met de Amerikaanse wetgeving. De rechtbank kwalificeert deze Amerikaanse beslissing als een ontkenning van het moederschap van de draagmoeder, een ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder en een vaststelling van het ouderschap van de wensouders. Hoewel de Nederlandse wet ontkenning van het moederschap van de moeder uit wie het kind geboren is niet kent, kent de wet wel de mogelijkheid om de familierechtelijke betrekking met de geboortemoeder te beëindigen, namelijk langs de weg van adoptie. Het enkele feit dat een beslissing van een buitenlandse rechter niet overeenstemt met bepalingen uit het Nederlands recht, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Amerikaanse beslissing van 25 februari 2024 waarbij de familierechtelijke betrekking tussen de wensouders en [minderjarige] is vastgesteld, in Nederland kan worden erkend. Erkenning Amerikaanse geboorteakte Ook voor de vraag of de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige] kan worden erkend, zal de rechtbank de in boek 10 BW geplaatste erkenningsregeling naar analogie toepassen. In artikel 10:101 lid 1 BW is, voor zover hier van belang, de in artikel 10:100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 BW opgenomen erkenningsregeling van overeenkomstige toepassing verklaard op in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte. De rechtbank stelt vast dat voor [minderjarige] een (tweede) geboorteakte is opgemaakt, waarin verzoekers – overeenkomstig de in het buitenland genomen beslissing – als ouders zijn opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is gedaan. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan deze rechtshandelingen geen behoorlijk onderzoek is voorafgegaan. Ook ten aanzien van de Amerikaanse geboorteakte gaat het daarom om de vraag of erkenning van de uit de Amerikaanse geboorteakte voortvloeiende afstammingsrelatie kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 10:100 lid 1 sub c BW. Openbare orde exceptie? De rechtbank stelt het volgende voorop. De uitzondering dat er sprake is van kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde, zoals opgenomen in artikel 10:100 lid 1 sub c BW mag niet snel worden aangenomen. De exceptie van de Nederlandse openbare orde – waaronder kunnen worden verstaan de beginselen van waarden van juridische, sociale of morele aard, die in de eigen rechtsorde fundamenteel worden geacht – mag slechts als ultimum remedium worden ingezet. Met andere woorden: er moet sprake zijn van zulke fundamentele waarden, waarmee dat toepasselijke buitenlands recht strijdig is, dat dit recht niet wordt toegepast. Bij fundamentele waarden en normen uit de Nederlandse rechtsorde moet bijvoorbeeld gedacht worden aan het beginsel van non-discriminatie, de gelijke behandeling van man en vrouw en het recht op bescherming van het privé- en gezinsleven. Daarom wordt alleen in uitzonderlijke gevallen een beroep op strijd met de openbare orde gegrond geacht. De invulling van de vraag of sprake is van strijd met de openbare orde wordt bovendien beïnvloed door ontwikkelingen in de maatschappij en de rechtspraak. Uit de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1995/96, 24649, nr. 3 (hierna: MvT), blijkt dat de wetgever destijds, bij het bepalen van de term “moeder” van het kind ook heeft stilgestaan bij de bijzondere wijzen van voortplanting. De MvT zegt daarover op pagina 7: “ De moeder van het kind is de vrouw die het kind heeft gebaard, ook als het genetische materiaal waaruit het kind is ontstaan, niet van haar afkomstig is. Het gaat mij te ver om, nu er technische mogelijkheden tot embryodonatie zijn voor alle gevallen het vaste uitgangspunt ten aanzien van het moederschap te vervangen door een vermoeden van moederschap dat zonodig door de vrouw die het kind heeft gebaard of het kind en eventueel door de vader kan worden ontkracht. Het gegeven dat de vrouw op deze wijze een kind wilde krijgen, de zwangerschap en de geboorte vormen voor deze opvatting voldoende grondslag. ” Er is destijds, dus al in 1995, door de wetgever nagedacht over een mogelijkheid om het vaste uitgangspunt dat de moeder van het kind altijd de vrouw is uit wie het kind geboren is, te verlaten. Daar is weliswaar vanaf gezien, maar het idee dat de moeder een ander kan zijn, was geaccepteerd. De genetische verbanden en het dragen van een kind zijn, mede vanwege de mogelijkheden tot IVF en de draagmoeder, los van elkaar komen te staan. Het familierecht was en is echter nog steeds voor een groot deel gebaseerd op het idee van een traditioneel gezin. Hierin is met de invoering van de Wet lesbisch ouderschap en de Wet evaluatie openstelling huwelijk en geregistreerd partnerschap in 2014 enige verandering gebracht. In het BW is echter tot op heden nog geen artikel te vinden over het draagmoederschap. Nederland heeft lange tijd een consistent ontmoedigingsbeleid gevoerd ten aanzien van het draagmoederschap. Volgens het kabinet was het draagmoederschap een ongewenst verschijnsel vanwege emotionele problemen voor de draagmoeder door de afstand van het kind, identiteitsproblemen voor het kind, verstoring van het hechtingsproces en het risico dat het kind tussen wal en schip valt, indien wensouders vóór de geboorte terugkomen op hun intentie. Aan de Staatscommissie Herijking Ouderschap is gevraagd om na te denken over de vraag of draagmoederschap meer of anders zou moeten worden geregeld. Dit in reactie op de maatschappelijke en medisch-technologische veranderingen. De Staatscommissie heeft in het eerder genoemde Rapport “Kind en ouders in de 21ste eeuw” hierover een aanbeveling gedaan. De rechtbank toetst op dit moment ook al of de buitenlandse draagmoederschapstrajecten voldoen aan de door de Staatscommissie genoemde voorwaarden. Hoewel destijds is afgezien van het aanpassen van de wet worden wel al stappen gezet om dat later mogelijk alsnog te doen, ingegeven door de toename van het aantal kinderen dat geboren wordt middels hoogtechnologisch draagmoederschap. Op dit moment is er een wetsvoorstel aanhangig, namelijk het “Wetsvoorstel Wet kind, draagmoederschap en afstamming” (36390). De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de Memorie van Toelichting behorende bij dit wetsvoorstel. Hierin wordt een regeling getroffen waarin de wensouders vanaf de geboorte als ouders op de geboorteakte staan vermeld. In de toelichting wordt vermeld dat de Nederlandse openbare orde zich niet langer verzet tegen het niet vermeld staan van een geboortemoeder op de geboorteakte. Wel moet de identiteit van de geboortemoeder op termijn voor het betrokken kind te achterhalen zijn. Dit geldt ook voor de overige gegevens betreffende de genetische afstamming, zoals die van de eiceldonatrice.
Volledig
Uit het voorgaande blijkt dat ook in Nederland de opvattingen over wie als ouder op een geboorteakte moet worden vermeld zijn veranderd en dat wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat het mogelijk maakt dat – net zoals op de geboorteakte van [minderjarige] – op de geboorteakte geen geboortemoeder staat, maar in haar plaats een wensouder. Dat alleen al is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te oordelen dat een dergelijke geboorteakte niet strijdig is met de Nederlandse openbare orde. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de (tweede) geboorteakte van [minderjarige] , met de daarin vastgelegde familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming, van rechtswege in Nederland kan worden erkend. Amerikaanse geboorteakte vatbaar voor opname in de registers van de burgerlijke stand? Verzoekers verzoeken om voor recht te verklaren dat de geboorteakte waarop zij als wensouders staan geregistreerd, vatbaar is voor opname in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. De ambtenaar heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 29 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6851). Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat bij inschrijving van een buitenlandse geboorteakte alle stappen die zijn gezet binnen het draagmoederschapstraject ook tot uitdrukking komen in de Nederlandse registers, zodat deze stappen voor de kinderen op latere leeftijd kenbaar zijn. Zo wordt melding gemaakt van de buitenlandse beslissingen, maar ook van de onderhavige beslissing van de Nederlandse rechtbank. Deze uitspraken worden ook bewaard door de rechtbank, waarbij de zaken uiteindelijk worden opgenomen in het Nationaal Archief, zodat een kind inzage in de Nederlandse uitspraak kan vragen en zijn afstamming kan achterhalen, ook waar het de eiceldonatrice betreft, dus de persoon van wie het kind daadwerkelijk genetisch afstamt. Uit het voorgaande volgt dat het ontbreken van de geboortemoeder op de akte niet in de weg staat aan inschrijving van de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige] in het register van geboorten van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. Deze akte is naar het oordeel van de rechtbank dan ook vatbaar voor opneming in dit register. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank aan het verzoek zo nodig de geboortegegevens van [minderjarige] vast te stellen, niet toe. Verzoek onder d). en e).: het gelasten van de ambtenaar Toepasselijk recht Nu wordt verzocht de ambtenaar te gelasten de Amerikaanse geboorteakte en de Amerikaanse beslissing in te schrijven in het Nederlandse register van geboorten, zal de rechtbank het Nederlandse recht toepassen. De Amerikaanse geboorteakte Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat de Amerikaanse geboorteakte vatbaar is voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. De rechtbank zal dan ook de ambtenaar op grond van artikel 1:26b BW in samenhang met artikel 1:25 BW gelasten deze geboorteakte van [minderjarige] in te schrijven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De Amerikaanse beslissing Voor wat betreft de inschrijving van de Amerikaanse beslissing bepaalt artikel 1:20b BW – voor zover hier van belang – dat op verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve van akten en uitspraken die buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking hebben als de akten en rechterlijke uitspraken, bedoeld in artikel 1:20 BW, door de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding wordt toegevoegd aan de desbetreffende in de registers van de burgerlijke stand hier te lande voorkomende geboorteakte, tenzij de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet. De in de VS genomen beslissing komt overeen met een Nederlandse rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 1:20 BW. Nu deze beslissing van rechtswege in Nederland kan worden erkend, dient dan ook een latere vermelding op de nog in te schrijven geboorteakte van [minderjarige] te worden gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de ambtenaar niet heeft betwist dat de Amerikaanse beslissing vatbaar is voor opneming in het register van geboorten van de burgerlijke stand. Uit de uitlatingen van de ambtenaar maakt de rechtbank op dat deze beslissingen als latere vermelding kunnen worden toegevoegd aan de geboorteakte. De rechtbank zal dan ook in die zin de ambtenaar gelasten een latere vermelding te plaatsen op de geboorteakte van [minderjarige] . Voor wat betreft de wijze van vermelding van deze beslissingen laat de rechtbank dit aan de ambtenaar om te bepalen. Door de beslissing op de geboorteakte van [minderjarige] te vermelden, komt de akte daarmee in lijn met de wijze van het tot stand komen van de afstamming van [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] is daarmee ook gediend. Verzoeken onder f). en g).: het gezag Verzoekers verzoeken de rechtbank vast te stellen althans te overwegen dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] en om een aantekening te gelasten in het gezagsregister waaruit blijkt dat verzoekers zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Dit verzoek impliceert een verzoek van verzoekers om de Amerikaanse beslissing ten aanzien van het gezag eveneens in Nederland te erkennen. Toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, zal de rechtbank naar Nederlands recht beslissen op het verzoek ten aanzien van het gezag. De rechtbank stelt voorop dat zij de Amerikaanse beslissing – zoals hiervoor al is overwogen – kwalificeert als een beslissing waarin het ouderschap van de draagmoeder en haar echtgenoot is ontkend en het ouderschap van verzoekers is bevestigd en is bepaald dat verzoekers beiden zijn belast met gezagsrechten. De rechtbank zal beoordelen of de beslissing ten aanzien van de gezagsrechten eveneens voor erkenning in aanmerking komt. Erkenning buitenlandse beslissing ten aanzien van gezag Juridisch kader Nu de beslissing(en) niet in een EU-lidstaat zijn gegeven en evenmin in een staat die partij is bij het HKBV 1996 noch de verordening Brussel IIter noch het HKBV 1961, dient de rechtbank eerst vast te stellen welk recht van toepassing is op de vraag of de Amerikaanse gezagsbeslissing voor erkenning in aanmerking komt. In dit geval dient te worden teruggevallen op het nationale internationaal privaatrecht om de erkenningsvraag te beantwoorden. De regel omtrent de erkenning is in het Nederlandse recht ongeschreven. Zij houdt in dat een beslissing in Nederland voor erkenning in aanmerking komt indien voldaan is aan vier cumulatieve vereisten: 1. de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is (waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de bevoegdheidsgronden uit de verordening Brussel IIter of het HKBV 1996); 2. de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM); 3. de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde; 4. de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is. De rechtbank is van oordeel dat de Amerikaanse beslissing aan alle vier de vereisten voldoet. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het draagmoederschapstraject in de VS plaatsgevonden en woont de draagmoeder in de VS. De bevoegdheid van de Amerikaanse rechtbank om te beslissen over het gezag, berust derhalve op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.
Volledig
Uit het voorgaande blijkt dat ook in Nederland de opvattingen over wie als ouder op een geboorteakte moet worden vermeld zijn veranderd en dat wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat het mogelijk maakt dat – net zoals op de geboorteakte van [minderjarige] – op de geboorteakte geen geboortemoeder staat, maar in haar plaats een wensouder. Dat alleen al is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te oordelen dat een dergelijke geboorteakte niet strijdig is met de Nederlandse openbare orde. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de (tweede) geboorteakte van [minderjarige] , met de daarin vastgelegde familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming, van rechtswege in Nederland kan worden erkend. Amerikaanse geboorteakte vatbaar voor opname in de registers van de burgerlijke stand? Verzoekers verzoeken om voor recht te verklaren dat de geboorteakte waarop zij als wensouders staan geregistreerd, vatbaar is voor opname in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. De ambtenaar heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 29 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6851). Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat bij inschrijving van een buitenlandse geboorteakte alle stappen die zijn gezet binnen het draagmoederschapstraject ook tot uitdrukking komen in de Nederlandse registers, zodat deze stappen voor de kinderen op latere leeftijd kenbaar zijn. Zo wordt melding gemaakt van de buitenlandse beslissingen, maar ook van de onderhavige beslissing van de Nederlandse rechtbank. Deze uitspraken worden ook bewaard door de rechtbank, waarbij de zaken uiteindelijk worden opgenomen in het Nationaal Archief, zodat een kind inzage in de Nederlandse uitspraak kan vragen en zijn afstamming kan achterhalen, ook waar het de eiceldonatrice betreft, dus de persoon van wie het kind daadwerkelijk genetisch afstamt. Uit het voorgaande volgt dat het ontbreken van de geboortemoeder op de akte niet in de weg staat aan inschrijving van de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige] in het register van geboorten van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. Deze akte is naar het oordeel van de rechtbank dan ook vatbaar voor opneming in dit register. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank aan het verzoek zo nodig de geboortegegevens van [minderjarige] vast te stellen, niet toe. Verzoek onder d). en e).: het gelasten van de ambtenaar Toepasselijk recht Nu wordt verzocht de ambtenaar te gelasten de Amerikaanse geboorteakte en de Amerikaanse beslissing in te schrijven in het Nederlandse register van geboorten, zal de rechtbank het Nederlandse recht toepassen. De Amerikaanse geboorteakte Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat de Amerikaanse geboorteakte vatbaar is voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. De rechtbank zal dan ook de ambtenaar op grond van artikel 1:26b BW in samenhang met artikel 1:25 BW gelasten deze geboorteakte van [minderjarige] in te schrijven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De Amerikaanse beslissing Voor wat betreft de inschrijving van de Amerikaanse beslissing bepaalt artikel 1:20b BW – voor zover hier van belang – dat op verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve van akten en uitspraken die buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking hebben als de akten en rechterlijke uitspraken, bedoeld in artikel 1:20 BW, door de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding wordt toegevoegd aan de desbetreffende in de registers van de burgerlijke stand hier te lande voorkomende geboorteakte, tenzij de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet. De in de VS genomen beslissing komt overeen met een Nederlandse rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 1:20 BW. Nu deze beslissing van rechtswege in Nederland kan worden erkend, dient dan ook een latere vermelding op de nog in te schrijven geboorteakte van [minderjarige] te worden gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de ambtenaar niet heeft betwist dat de Amerikaanse beslissing vatbaar is voor opneming in het register van geboorten van de burgerlijke stand. Uit de uitlatingen van de ambtenaar maakt de rechtbank op dat deze beslissingen als latere vermelding kunnen worden toegevoegd aan de geboorteakte. De rechtbank zal dan ook in die zin de ambtenaar gelasten een latere vermelding te plaatsen op de geboorteakte van [minderjarige] . Voor wat betreft de wijze van vermelding van deze beslissingen laat de rechtbank dit aan de ambtenaar om te bepalen. Door de beslissing op de geboorteakte van [minderjarige] te vermelden, komt de akte daarmee in lijn met de wijze van het tot stand komen van de afstamming van [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] is daarmee ook gediend. Verzoeken onder f). en g).: het gezag Verzoekers verzoeken de rechtbank vast te stellen althans te overwegen dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] en om een aantekening te gelasten in het gezagsregister waaruit blijkt dat verzoekers zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Dit verzoek impliceert een verzoek van verzoekers om de Amerikaanse beslissing ten aanzien van het gezag eveneens in Nederland te erkennen. Toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, zal de rechtbank naar Nederlands recht beslissen op het verzoek ten aanzien van het gezag. De rechtbank stelt voorop dat zij de Amerikaanse beslissing – zoals hiervoor al is overwogen – kwalificeert als een beslissing waarin het ouderschap van de draagmoeder en haar echtgenoot is ontkend en het ouderschap van verzoekers is bevestigd en is bepaald dat verzoekers beiden zijn belast met gezagsrechten. De rechtbank zal beoordelen of de beslissing ten aanzien van de gezagsrechten eveneens voor erkenning in aanmerking komt. Erkenning buitenlandse beslissing ten aanzien van gezag Juridisch kader Nu de beslissing(en) niet in een EU-lidstaat zijn gegeven en evenmin in een staat die partij is bij het HKBV 1996 noch de verordening Brussel IIter noch het HKBV 1961, dient de rechtbank eerst vast te stellen welk recht van toepassing is op de vraag of de Amerikaanse gezagsbeslissing voor erkenning in aanmerking komt. In dit geval dient te worden teruggevallen op het nationale internationaal privaatrecht om de erkenningsvraag te beantwoorden. De regel omtrent de erkenning is in het Nederlandse recht ongeschreven. Zij houdt in dat een beslissing in Nederland voor erkenning in aanmerking komt indien voldaan is aan vier cumulatieve vereisten: 1. de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is (waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de bevoegdheidsgronden uit de verordening Brussel IIter of het HKBV 1996); 2. de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM); 3. de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde; 4. de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is. De rechtbank is van oordeel dat de Amerikaanse beslissing aan alle vier de vereisten voldoet. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het draagmoederschapstraject in de VS plaatsgevonden en woont de draagmoeder in de VS. De bevoegdheid van de Amerikaanse rechtbank om te beslissen over het gezag, berust derhalve op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.