Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2026:8436
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,031 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:8436 text/xml public 2026-04-09T15:05:51 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-27 NL26.14009 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8436 text/html public 2026-04-09T15:05:15 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8436 Rechtbank Den Haag , 27-03-2026 / NL26.14009 bewaring, eerste beroep, ophouding, grondslag van de bewaring, non-refoulement, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14009 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. F. Boone), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Juriaans). Procesverloop Bij besluit van 11 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Ophouding Eiser voert aan dat de grondslag van de ophouding onjuist is. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw maar stelt dat dit artikel 50, derde lid, van de Vw had moeten zijn omdat voor aanvang van de ophouding al bekend was wat zijn identiteit was. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank overweegt dat de ophouding na strafrechtelijke aanhouding op de juiste grondslag heeft plaatsgevonden, omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Uit het proces-verbaal van aanhouding verdachte en uit het proces-verbaal van ophouding (M105-A) blijkt immers dat eiser geen identificerende documenten bij zich had en zijn identiteit toen dus niet onmiddellijk kon worden vastgesteld, zodat eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 is opgehouden. Verweerder mag de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit tot uitgangspunt nemen, maar is hiertoe niet verplicht. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een gebrek in de ophouding. Grondslag van de bewaring 3. Eiser voert aan dat de grondslag van de bewaring onjuist is, omdat hij rechtmatig verblijf heeft als unieburger. Nadat zijn verblijfsrecht is ingetrokken op 8 februari 2024 heeft hij Nederland langere tijd verlaten en de banden met Nederland effectief verbroken. 4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:506, FS tegen Nederland, het FS-arrest) volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen. 5. De rechtbank overweegt dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 8 februari 2024. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser op 21 februari 2025 gedwongen is uitgezet, maar op 11 juni 2025 weer in aanraking is gekomen met de politie in Nederland. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat uit het proces-verbaal van verhoor van 10 maart 2026 blijkt dat eiser nog altijd stelt in Nederland werk te willen vinden en hier een leven wil opbouwen. Eiser heeft daarnaast in het geheel niet nader onderbouwd dat hij het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar Litouwen (of een andere lidstaat) heeft overgebracht. Dat eiser bij zijn moeder heeft verbleven en haar heeft geholpen met het opknappen van haar huis volgt de rechtbank niet. Eiser heeft dit namelijk niet nader onderbouwd. Gelet hierop en omdat de periode van verblijf van eiser buiten Nederland relatief kort is, heeft verweerder mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bewaringsgronden 6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden de maatregel van bewaring dragen. Non-refoulement 8. Eiser stelt in beroep verder dat in de maatregel van bewaring ten onrechte geen kenbare motivering ten aanzien van het beginsel van non-refoulement is opgenomen. In dit verband wijst hij op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 10 maart 2026. 9. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het Unierecht volgt en zoals het Hof dit in het arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar heeft verduidelijkt, dat de bewaringsrechter, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de uitvoering van het terugkeerbesluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is in de uitspraak van 12 februari 2026 ingegaan op de gevolgen van het arrest Adrar voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet. 10. De rechtbank stelt vast dat zowel het arrest Adrar als hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 betrekking hebben op de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu eiser Unieburger is. Daarmee is de situatie bij de rechtbank Den Haag van 10 maart 2026, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, niet vergelijkbaar is met onderhavige zaak. Verweerder was dan ook niet gehouden om de maatregel van bewaring te toetsen aan het beginsel van non-refoulement. De beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toetsing 11.