Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:8354
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,039 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:8354 text/xml public 2026-04-09T10:13:19 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-24 NL26.12909 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8354 text/html public 2026-04-09T10:11:51 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8354 Rechtbank Den Haag , 24-03-2026 / NL26.12909 Bewaring, Verlengde ophouding, Gebrek in het voortraject, gronden niet betwist, proceskostenvergoeding, ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12909 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. B. Patiatta). Procesverloop Bij besluit van 7 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft op de zitting het onderzoek aangehouden omdat aan verweerder is verzocht aanvullende informatie te verstrekken. Verweerder heeft op 18 maart 2026 stukken aan het dossier toegevoegd. Eiser heeft op 19 maart 2026 gereageerd. Nadat partijen over en weer nogmaals hebben gereageerd, heeft de rechtbank met toestemming van partijen op 20 maart 2026 het onderzoek gesloten. Overwegingen De verlenging van de ophouding 1. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft besloten de ophouding voorafgaand aan zijn inbewaringstelling te verlengen. Volgens eiser was er geen grond voor verlenging. Bovendien is er in de periode tussen de verlenging en de inbewaringstelling geen nieuwe informatie aan het dossier toegevoegd die niet al eerder bekend was, zodat de verlenging geen doel heeft gediend. 1.1. Op grond van artikel 50, vierde lid, van de Vw kan, indien nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft, de in het tweede en derde lid bepaalde termijn in het belang van het onderzoek met ten hoogste acht en veertig uren worden verlengd. In paragraaf A2/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat de verlenging van de ophouding, als bedoeld in artikel 50, vierde lid, Vw, mogelijk is als het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van de opgehouden persoon nog niet is afgerond. Op het moment van de verlenging van de termijn van ophouding moet duidelijk zijn welk onderzoek naar het rechtmatig verblijf nog moet plaatsvinden en waarom dit onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden. Verder staat hierin vermeld dat de verlenging van de ophouding kenbaar wordt gemaakt zodra duidelijk is dat de termijn van zes uur naar verwachting wordt overschreden en dat dit kan meebrengen dat de verlenging (ruim) voor het verstrijken van de zes uur kenbaar wordt gemaakt aan de opgehouden persoon. 1.2. Eiser is op 7 maart 2026 om 11:40 uur opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. Bij besluit van diezelfde datum heeft verweerder om 13:14 uur de termijn van de ophouding op grond van artikel 50, vierde lid, van de Vw verlengd met achtenveertig uren. Uit dat besluit blijkt dat verweerder de verlenging noodzakelijk heeft gevonden, omdat er nog grond bestond voor het vermoeden dat eiser geen rechtmatig verblijf had en nader onderzoek nodig was naar de identiteit en de verblijfsrechtelijke positie van eiser. 1.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om de termijn van ophouding te verlengen. Eiser had in zijn verhoor verklaard dat hij verblijfsrecht heeft in Duitsland, maar hij had geen documenten verstrekt om dit te onderbouwen. Verweerder stelt dan ook terecht dat nader onderzoek nodig was naar de verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de door verweerder verstrekte informatie blijkt dat op 7 maart 2026 om 12:49 uur het Nationaal Coördinatiecentrum EUROSUR (NCC) om informatie over eisers verblijfsstatus in Duitsland is verzocht. Ten tijde van de verlenging van de ophouding liep dit onderzoek nog. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder op dat moment de ophouding verlengen, waarbij ook in aanmerking wordt genomen dat verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld dat het in de praktijk geruime tijd kan duren voordat een NCC-uitvraag beantwoord wordt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder het onderzoek bij het NCC niet heeft afgewacht alvorens eiser in bewaring te stellen en dat de verlenging daarom geen doel heeft gediend. Uit de door verweerder verstrekte gegevens blijkt namelijk dat het NCC op 7 maart 2026 om 13:43 uur, dus voorafgaand aan de inbewaringstelling die plaatsvond om 16:55 uur informatie heeft verstrekt waarmee duidelijk werd dat eisers verblijfsrecht in Duitsland op 14 januari 2026 is ingetrokken. Er is geen reden om aan te nemen dat verweerder hiervan eerder al op de hoogte was. Ook bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de Duitse autoriteiten verweerder niet zouden hebben ingelicht over de recente verblijfsstatus van eiser. De beroepsgrond slaagt niet. De vertaling van de verlengingsbeschikking 2. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een vertaling van de verlengingsbeschikking aan hem te verstrekken, waardoor eiser ook niet is geattendeerd op de rechtsmiddelen die hij tegen de verlenging van zijn ophouding kon aanwenden. Eiser verwijst in dit verband naar artikel 12, tweede lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn). 2.1. Artikel 12, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn heeft betrekking op vertalingen van terugkeerbesluiten, inreisverboden of verwijderingsbesluiten, en mist daarom toepassing in dit geval. De rechtbank ziet, gelet op de verplichting om op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen, wel aanleiding om te toetsen aan artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ingevolge artikel 5.3, eerste lid, tweede zin, van het Vb wordt aan de vreemdeling die in bewaring wordt gesteld, onmiddellijk een afschrift van de maatregel van bewaring uitgereikt. Ingevolge artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb moet de vreemdeling daarbij schriftelijk, in een taal die de vreemdeling verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat, op de hoogte worden gebracht van de redenen van de bewaring en van de in het nationale recht vastgestelde procedures om het bevel tot bewaring aan te vechten, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, uiteengezet dat uit artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb volgt dat de informatie genoemd in die bepaling schriftelijk in een taal die de vreemdeling verstaat moet worden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 4.19, tweede lid, van het Vb dat het voorgaande ook geldt voor de beschikking tot verlenging van de ophouding. 2.2. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser bij de uitreiking van de beschikking waarbij zijn ophouding is verlengd, schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte is gebracht van de reden van de verlenging van de ophouding, van de procedures om dit besluit aan te vechten en van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand aan te vragen. Dit levert een gebrek op in het voortraject. Volgens vaste jurisprudentie maakt een onrechtmatigheid in het voortraject de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.