Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-07
ECLI:NL:RBDHA:2026:8183
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,093 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8183 text/xml public 2026-04-16T12:35:50 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-07 C/09/700301 KG ZA 26-207 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8183 text/html public 2026-04-16T12:35:27 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8183 Rechtbank Den Haag , 07-04-2026 / C/09/700301 KG ZA 26-207 Voorlopig uitsluitend gebruik huurwoning. Partijen hebben dezelfde bewindvoerder. Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/700301 KG ZA 26-207 Vonnis in kort geding van 7 april 2026 in de zaak van [de bewindvoerder] B.V. te [vestigingsplaats] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [de vrouw] te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. L. Rijsdam, tegen: 1 [de man] te [woonplaats] , gedaagde, advocaat: mr. C. Car, 2. [de bewindvoerder] B.V. te [vestigingsplaats] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [de man] te [woonplaats] , gedaagde, in persoon. Eiseres wordt hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’, gedaagde sub 1 als ‘de man’ en gedaagde sub 2 als ‘de bewindvoerder’. Gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 worden gezamenlijk aangeduid als: ‘gedaagden’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de op naam van [de vrouw] uitgebrachte dagvaarding van gedaagde sub 1 van 2 maart 2026 met productie 1; - de conclusie van antwoord met eis in reconventie van de man; - de correspondentie tussen de rechtbank, mr. Rijsdam en mr. Car van 25 maart 2026; - de op 26 maart gehouden mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de zaak is aangehouden teneinde ook de man te laten dagvaarden; - de dagvaarding van gedaagde sub 2 van 26 maart 2026; - de door de vrouw overgelegde productie 2; - de door de man overgelegde productie 1; - de op 2 april 2026 gehouden mondelinge behandeling. 1.2. Tijdens de zitting van 2 april 2026 is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. De man en de vrouw, beiden onder bewind gesteld, huren de woning aan het [adres] [plaats 2] (hierna: de woning). 2.2. De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad, waaruit een dochter is geboren. De dochter is thans zeven jaar oud. De vrouw heeft het gezag over de dochter. Sinds halverwege januari 2026 is de affectieve relatie geëindigd. 2.3. Op 22 januari 2026 heeft het [instantie 1] de woning van partijen bezocht. Het [instantie 1] heeft de vrouw en de dochter vervolgens in een hotel ondergebracht. Na enkele dagen zijn de vrouw en de dochter overgeplaatst naar een vakantiewoning op kosten van de [gemeente] . De gemeente heeft aan de vrouw medegedeeld dat de vrouw en de dochter uiterlijk tot en met 10 april 2026 in de vakantiewoning kunnen verblijven. 2.4. Op 23 maart 2026 heeft [instantie 2] de advocaat van de vrouw als volgt bericht: “ […] Hierbij ons verslag gezin [naam] . Het gezin is al een aantal jaren bij ons in begeleiding. Er zijn veel zorgen en diverse instanties zijn betrokken. Zoals het jeugdteam, gemeente, bewindvoering, [instantie 2] . Dhr. Is bekend met verslavingsproblematiek, erkent dit niet altijd, waardoor hulp niet van de grond komt, zoals [zorginstantie]. Begeleidingsafspraken worden vaak niet nagekomen door meneer. Er is een dochter van 7 jaar betrokken. Sinds ruim 2 maanden verblijven moeder en dochter voor hun veiligheid in een vakantiehuis. Deze kan na 28 maart niet meer verlengd worden. Het is dan voor moeder met lichamelijke beperkingen en dochter met vermoeden van ASS belangrijk dat zij terug keren naar de eigen woning.” 3 Het geschil in conventie 3.1. De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de man veroordeelt tot het verlaten en niet meer betreden van de woning, met onmiddellijke ingang, totdat er in een bodemprocedure is beslist aan welke partij het huurrecht van de woning toekomt, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man weigert om de woning te verlaten en/of de woning betreedt zonder toestemming van de vrouw, met veroordeling van de man in de proceskosten. 3.2. Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De relatie tussen partijen was al langere tijd problematisch. Bij het gezin zijn het [instantie 1] , [instantie 2] , bewindvoering en het jeugdteam betrokken. De man kampt met een drugsverslaving en vertoont explosief gedrag. Partijen kunnen niet meer samen in de woning verblijven omdat dat voor de vrouw en het kind niet veilig is. De vrouw kan geen andere woning vinden en moet de vakantiewoning waar zij nu tijdelijk met de dochter van partijen verblijft op korte termijn verlaten. De vrouw en de dochter komen dan op straat te staan, terwijl de vrouw en met name de dochter zijn gebaat bij continuïteit en stabiliteit in de woon- en opvoedsituatie. Daarnaast gaat de dochter naar een basisschool in [plaats 1] , vlakbij de woning. Het belang van de vrouw en de dochter bij het voorlopige uitsluitende gebruik van de woning weegt daarom zwaarder dan het belang van de man bij voortzetting van het gebruik van de woning. 3.3. De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. in reconventie 3.4. De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt dat de man het huurrecht toebedeeld krijgt van de woning, met uitzondering van de vrouw en dat de vrouw geen huurrecht meer heeft en dat zij niet langer huurder is van de woning, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. 3.5. Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Het belang van de man bij het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning weegt zwaarder dan het belang van de vrouw. De man beschikt niet over alternatieve woonruimte en wordt dakloos als hij de woning moet verlaten. De man heeft namelijk geen familie of vrienden waar hij terecht kan. Daarnaast heeft de man de woning nodig omdat zijn werk in de omgeving van de woning is. Bij verlies van de woning is de kans groot dat hij zijn werk verliest. Ook heeft de man last van maagklachten, zodat rust en structuur in de woning belangrijk voor hem is. 3.6. De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen. Belangenafweging 4.2. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw en de man niet meer met hun kind in de woning kunnen samenwonen vanwege de spanningen die dat oplevert. Uit de door de vrouw overgelegde e-mail van [instantie 2] blijkt dat al een aantal jaren verschillende instanties bij het gezin betrokken zijn geweest, dat de man met verslavingsproblematiek te maken heeft gehad en mogelijk nog heeft (het laatste is door de man ter zitting ontkend) en dat de vrouw en de dochter momenteel voor hun veiligheid in een vakantiewoning verblijven. Tegelijkertijd staat vast dat de man en vrouw beiden medehuurder zijn van de woning, zodat zij in beginsel evenveel recht hebben op het gebruik van de woning. De vraag of het uitsluitend gebruik van de woning in afwachting van een beslissing van de bodemrechter over de toekenning van het huurrecht aan de vrouw of de man moet worden toegekend, dient aan de hand van een belangenafweging te worden beantwoord. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de vordering van de vrouw moet worden toegewezen en die van de man moet worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend. 4.3. Gedaagden hebben niet weersproken dat de vrouw en de dochter op zeer korte termijn dakloos dreigen te worden omdat zij niet langer in de door de gemeente betaalde vakantiewoning kunnen verblijven en de vrouw geen ander onderdak heeft kunnen vinden. Op haar beurt heeft de vrouw niet betwist dat de man niet over alternatieve woonruimte beschikt en dat daar op korte termijn geen verandering in komt. Voor beide partijen geldt dus dat zij op korte termijn geen zicht hebben op een andere woning.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8183 text/xml public 2026-04-16T12:35:50 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-07 C/09/700301 KG ZA 26-207 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8183 text/html public 2026-04-16T12:35:27 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8183 Rechtbank Den Haag , 07-04-2026 / C/09/700301 KG ZA 26-207 Voorlopig uitsluitend gebruik huurwoning. Partijen hebben dezelfde bewindvoerder. Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/700301 KG ZA 26-207 Vonnis in kort geding van 7 april 2026 in de zaak van [de bewindvoerder] B.V. te [vestigingsplaats] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [de vrouw] te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. L. Rijsdam, tegen: 1 [de man] te [woonplaats] , gedaagde, advocaat: mr. C. Car, 2. [de bewindvoerder] B.V. te [vestigingsplaats] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [de man] te [woonplaats] , gedaagde, in persoon. Eiseres wordt hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’, gedaagde sub 1 als ‘de man’ en gedaagde sub 2 als ‘de bewindvoerder’. Gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 worden gezamenlijk aangeduid als: ‘gedaagden’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de op naam van [de vrouw] uitgebrachte dagvaarding van gedaagde sub 1 van 2 maart 2026 met productie 1; - de conclusie van antwoord met eis in reconventie van de man; - de correspondentie tussen de rechtbank, mr. Rijsdam en mr. Car van 25 maart 2026; - de op 26 maart gehouden mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de zaak is aangehouden teneinde ook de man te laten dagvaarden; - de dagvaarding van gedaagde sub 2 van 26 maart 2026; - de door de vrouw overgelegde productie 2; - de door de man overgelegde productie 1; - de op 2 april 2026 gehouden mondelinge behandeling. 1.2. Tijdens de zitting van 2 april 2026 is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. De man en de vrouw, beiden onder bewind gesteld, huren de woning aan het [adres] [plaats 2] (hierna: de woning). 2.2. De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad, waaruit een dochter is geboren. De dochter is thans zeven jaar oud. De vrouw heeft het gezag over de dochter. Sinds halverwege januari 2026 is de affectieve relatie geëindigd. 2.3. Op 22 januari 2026 heeft het [instantie 1] de woning van partijen bezocht. Het [instantie 1] heeft de vrouw en de dochter vervolgens in een hotel ondergebracht. Na enkele dagen zijn de vrouw en de dochter overgeplaatst naar een vakantiewoning op kosten van de [gemeente] . De gemeente heeft aan de vrouw medegedeeld dat de vrouw en de dochter uiterlijk tot en met 10 april 2026 in de vakantiewoning kunnen verblijven. 2.4. Op 23 maart 2026 heeft [instantie 2] de advocaat van de vrouw als volgt bericht: “ […] Hierbij ons verslag gezin [naam] . Het gezin is al een aantal jaren bij ons in begeleiding. Er zijn veel zorgen en diverse instanties zijn betrokken. Zoals het jeugdteam, gemeente, bewindvoering, [instantie 2] . Dhr. Is bekend met verslavingsproblematiek, erkent dit niet altijd, waardoor hulp niet van de grond komt, zoals [zorginstantie]. Begeleidingsafspraken worden vaak niet nagekomen door meneer. Er is een dochter van 7 jaar betrokken. Sinds ruim 2 maanden verblijven moeder en dochter voor hun veiligheid in een vakantiehuis. Deze kan na 28 maart niet meer verlengd worden. Het is dan voor moeder met lichamelijke beperkingen en dochter met vermoeden van ASS belangrijk dat zij terug keren naar de eigen woning.” 3 Het geschil in conventie 3.1. De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de man veroordeelt tot het verlaten en niet meer betreden van de woning, met onmiddellijke ingang, totdat er in een bodemprocedure is beslist aan welke partij het huurrecht van de woning toekomt, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man weigert om de woning te verlaten en/of de woning betreedt zonder toestemming van de vrouw, met veroordeling van de man in de proceskosten. 3.2. Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De relatie tussen partijen was al langere tijd problematisch. Bij het gezin zijn het [instantie 1] , [instantie 2] , bewindvoering en het jeugdteam betrokken. De man kampt met een drugsverslaving en vertoont explosief gedrag. Partijen kunnen niet meer samen in de woning verblijven omdat dat voor de vrouw en het kind niet veilig is. De vrouw kan geen andere woning vinden en moet de vakantiewoning waar zij nu tijdelijk met de dochter van partijen verblijft op korte termijn verlaten. De vrouw en de dochter komen dan op straat te staan, terwijl de vrouw en met name de dochter zijn gebaat bij continuïteit en stabiliteit in de woon- en opvoedsituatie. Daarnaast gaat de dochter naar een basisschool in [plaats 1] , vlakbij de woning. Het belang van de vrouw en de dochter bij het voorlopige uitsluitende gebruik van de woning weegt daarom zwaarder dan het belang van de man bij voortzetting van het gebruik van de woning. 3.3. De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. in reconventie 3.4. De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt dat de man het huurrecht toebedeeld krijgt van de woning, met uitzondering van de vrouw en dat de vrouw geen huurrecht meer heeft en dat zij niet langer huurder is van de woning, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. 3.5. Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Het belang van de man bij het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning weegt zwaarder dan het belang van de vrouw. De man beschikt niet over alternatieve woonruimte en wordt dakloos als hij de woning moet verlaten. De man heeft namelijk geen familie of vrienden waar hij terecht kan. Daarnaast heeft de man de woning nodig omdat zijn werk in de omgeving van de woning is. Bij verlies van de woning is de kans groot dat hij zijn werk verliest. Ook heeft de man last van maagklachten, zodat rust en structuur in de woning belangrijk voor hem is. 3.6. De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen. Belangenafweging 4.2. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw en de man niet meer met hun kind in de woning kunnen samenwonen vanwege de spanningen die dat oplevert. Uit de door de vrouw overgelegde e-mail van [instantie 2] blijkt dat al een aantal jaren verschillende instanties bij het gezin betrokken zijn geweest, dat de man met verslavingsproblematiek te maken heeft gehad en mogelijk nog heeft (het laatste is door de man ter zitting ontkend) en dat de vrouw en de dochter momenteel voor hun veiligheid in een vakantiewoning verblijven. Tegelijkertijd staat vast dat de man en vrouw beiden medehuurder zijn van de woning, zodat zij in beginsel evenveel recht hebben op het gebruik van de woning. De vraag of het uitsluitend gebruik van de woning in afwachting van een beslissing van de bodemrechter over de toekenning van het huurrecht aan de vrouw of de man moet worden toegekend, dient aan de hand van een belangenafweging te worden beantwoord. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de vordering van de vrouw moet worden toegewezen en die van de man moet worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend. 4.3. Gedaagden hebben niet weersproken dat de vrouw en de dochter op zeer korte termijn dakloos dreigen te worden omdat zij niet langer in de door de gemeente betaalde vakantiewoning kunnen verblijven en de vrouw geen ander onderdak heeft kunnen vinden. Op haar beurt heeft de vrouw niet betwist dat de man niet over alternatieve woonruimte beschikt en dat daar op korte termijn geen verandering in komt. Voor beide partijen geldt dus dat zij op korte termijn geen zicht hebben op een andere woning.