Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:8174
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,313 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8174 text/xml public 2026-04-16T11:45:51 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-05 NL26.18907 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8174 text/html public 2026-04-16T11:41:07 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8174 Rechtbank Den Haag , 05-04-2026 / NL26.18907 Voorlopige voorziening omdat verzoeker wil voorkomen dat de minister een aanvraag voor een laissez passer indient bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. Het verzoek is afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.18907 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker], verzoeker, [V-nummer] (gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. Ch.R Vink). Procesverloop 1. De minister heeft op 31 maart 2026 kenbaar gemaakt dat hij op 7 april 2026 een aanvraag voor een laissez passer zal indienen bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. 1.1. Verzoeker heeft op 3 april 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag (zaaknummer NL26.15191). Verzoeker wil de indiening van de lp-aanvraag op 7 april 2026 voorkomen. De minister heeft een verweerschrift ingediend op het verzoek. 1.2. De voorzieningenrechter heeft verzoeker op 4 april 2026 verzocht om een stuk waar hij in zijn gronden naar verwijst over te leggen. Verzoeker heeft het stuk en daarbij een reactie op het verweerschrift ingediend. De minister heeft vervolgens een reactie ingediend. 1.3. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten. De beslissing is telefonisch aan partijen medegedeeld op 5 april 2026. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat de zaak over? 2. Verzoeker heeft op 25 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft dezelfde dag verzoeker een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Zijn asielaanvraag is op 11 maart 2026 afgewezen. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen die afwijzing. De minister heeft op 31 maart 2026 kenbaar gemaakt dat hij – nog tijdens de beroepsprocedure – voornemens is om op 7 april 2026 een aanvraag voor een laissez passer in te dienen bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. Verzoeker wil dit voorkomen en verzoekt de voorzieningenrechter daarom de indiening te verbieden. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad ook uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd voor een zitting. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechter in de bodemprocedure niet. Spoedeisend belang 4. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen, omdat de indiening van de lp-aanvraag op 7 april 2026 zal plaatsvinden. Toetsingskader 5. De minister mag voorbereidende handelingen verrichten die zijn gericht op de terugkeer van verzoeker nog voordat de rechter heeft beslist op zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Het indienen van een lp-aanvraag bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker is zo’n voorbereidende handeling. De minister moet wel waarborgen dat deze handeling niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement, door geen persoonsgegevens te verstrekken die asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2025 volgt dat verzoeker een rechtsmiddel kan instellen om te voorkomen dat de minister de lp-aanvraag indient bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst. Standpunten van partijen 6. Verzoeker voert aan dat indiening van de lp-aanvraag in strijd is met het beginsel van non-refoulement, omdat hij door het verstrekken van zijn persoonsgegevens aan het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker in de problemen zal komen. Hij heeft een oproeping van de politie uit 2013 overgelegd. Verzoeker heeft niet voldaan aan de oproep, wat volgens hem een strafbaar feit is. De autoriteiten kunnen deze strafzaak koppelen aan zijn personalia. 7. Volgens de minister zijn de gebruikte persoonsgegevens in het geval van verzoeker niet asielgerelateerd en hebben ook anderszins geen schadelijke strekking. Oordeel 8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Het is in beginsel toegestaan dat de minister hangende beroep in het kader van een lp-aanvraag persoonsgegevens van een vreemdeling verstrekt aan de autoriteiten van zijn vermoedelijke land van herkomst om hen in staat te stellen de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de persoonsgegevens die de minister wil verstrekken aan de autoriteiten asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben. Dat de autoriteiten verzoeker kunnen koppelen aan de (gestelde) lopende strafzaak uit 2013, wat hier verder ook van zij, is daartoe onvoldoende. De minister heeft verzoeker bovendien in de gelegenheid gesteld om de lp-aanvraag samen in te vullen, waardoor verzoeker van te voren heeft kunnen controleren welke gegevens met de autoriteiten wordt gedeeld. Dat verzoeker heeft geweigerd samen de aanvraag in te vullen doet daar niets aan af. De voorzieningenrechter benadrukt dat verzoeker nog steeds de status heeft van een persoon die verzoekt om internationale bescherming. 8.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De beslissing is telefonisch aan partijen medegedeeld op 5 april 2026. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Een oproep uit 2013 van de politie van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:83, vierde lid, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2025:5548.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8174 text/xml public 2026-04-16T11:45:51 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-05 NL26.18907 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8174 text/html public 2026-04-16T11:41:07 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8174 Rechtbank Den Haag , 05-04-2026 / NL26.18907 Voorlopige voorziening omdat verzoeker wil voorkomen dat de minister een aanvraag voor een laissez passer indient bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. Het verzoek is afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.18907 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker], verzoeker, [V-nummer] (gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. Ch.R Vink). Procesverloop 1. De minister heeft op 31 maart 2026 kenbaar gemaakt dat hij op 7 april 2026 een aanvraag voor een laissez passer zal indienen bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. 1.1. Verzoeker heeft op 3 april 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag (zaaknummer NL26.15191). Verzoeker wil de indiening van de lp-aanvraag op 7 april 2026 voorkomen. De minister heeft een verweerschrift ingediend op het verzoek. 1.2. De voorzieningenrechter heeft verzoeker op 4 april 2026 verzocht om een stuk waar hij in zijn gronden naar verwijst over te leggen. Verzoeker heeft het stuk en daarbij een reactie op het verweerschrift ingediend. De minister heeft vervolgens een reactie ingediend. 1.3. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten. De beslissing is telefonisch aan partijen medegedeeld op 5 april 2026. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat de zaak over? 2. Verzoeker heeft op 25 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft dezelfde dag verzoeker een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Zijn asielaanvraag is op 11 maart 2026 afgewezen. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen die afwijzing. De minister heeft op 31 maart 2026 kenbaar gemaakt dat hij – nog tijdens de beroepsprocedure – voornemens is om op 7 april 2026 een aanvraag voor een laissez passer in te dienen bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. Verzoeker wil dit voorkomen en verzoekt de voorzieningenrechter daarom de indiening te verbieden. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad ook uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd voor een zitting. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechter in de bodemprocedure niet. Spoedeisend belang 4. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen, omdat de indiening van de lp-aanvraag op 7 april 2026 zal plaatsvinden. Toetsingskader 5. De minister mag voorbereidende handelingen verrichten die zijn gericht op de terugkeer van verzoeker nog voordat de rechter heeft beslist op zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Het indienen van een lp-aanvraag bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker is zo’n voorbereidende handeling. De minister moet wel waarborgen dat deze handeling niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement, door geen persoonsgegevens te verstrekken die asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2025 volgt dat verzoeker een rechtsmiddel kan instellen om te voorkomen dat de minister de lp-aanvraag indient bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst. Standpunten van partijen 6. Verzoeker voert aan dat indiening van de lp-aanvraag in strijd is met het beginsel van non-refoulement, omdat hij door het verstrekken van zijn persoonsgegevens aan het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker in de problemen zal komen. Hij heeft een oproeping van de politie uit 2013 overgelegd. Verzoeker heeft niet voldaan aan de oproep, wat volgens hem een strafbaar feit is. De autoriteiten kunnen deze strafzaak koppelen aan zijn personalia. 7. Volgens de minister zijn de gebruikte persoonsgegevens in het geval van verzoeker niet asielgerelateerd en hebben ook anderszins geen schadelijke strekking. Oordeel 8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Het is in beginsel toegestaan dat de minister hangende beroep in het kader van een lp-aanvraag persoonsgegevens van een vreemdeling verstrekt aan de autoriteiten van zijn vermoedelijke land van herkomst om hen in staat te stellen de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de persoonsgegevens die de minister wil verstrekken aan de autoriteiten asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben. Dat de autoriteiten verzoeker kunnen koppelen aan de (gestelde) lopende strafzaak uit 2013, wat hier verder ook van zij, is daartoe onvoldoende. De minister heeft verzoeker bovendien in de gelegenheid gesteld om de lp-aanvraag samen in te vullen, waardoor verzoeker van te voren heeft kunnen controleren welke gegevens met de autoriteiten wordt gedeeld. Dat verzoeker heeft geweigerd samen de aanvraag in te vullen doet daar niets aan af. De voorzieningenrechter benadrukt dat verzoeker nog steeds de status heeft van een persoon die verzoekt om internationale bescherming. 8.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De beslissing is telefonisch aan partijen medegedeeld op 5 april 2026. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Een oproep uit 2013 van de politie van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:83, vierde lid, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2025:5548.