Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:7968
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,079 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7968 text/xml public 2026-04-16T08:31:50 2026-04-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-06 C/09/678367 / FA RK 25-181 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7968 text/html public 2026-04-16T08:31:28 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7968 Rechtbank Den Haag , 06-03-2026 / C/09/678367 / FA RK 25-181 verzoek bijzondere curator erechtelijke vaststelling ouderschap toegewezen. Gezamenlijk gezag toegewezen. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-181 Zaaknummer: C/09/678367 Datum beschikking: 6 maart 2026 Vervangende toestemming erkenning c.q. gerechtelijke vaststelling vaderschap en gezag Beschikking op het op 2 januari 2025 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw dan wel de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. B. Beekman te Noordwijk, [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] , de minderjarige, hierna: [de minderjarige] , in rechte vertegenwoordigd door A.A.G Balkenende, advocaat te Katwijk, in de hoedanigheid van bijzondere curator. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verslag van 11 maart 2025, van de bijzondere curator. het e-mailbericht met de brief van 20 maart 2025, van de vrouw. het F9-formulier van 8 april 2025, van de man. Op 6 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan haar advocaat en tolk K. Ghanmi; de bijzondere curator; [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming. Op de zitting zijn door de bijzondere curator nadere stukken overgelegd. Feiten De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Uit de vrouw is [de minderjarige] geboren. De vrouw was ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] getrouwd met [naam 2] . [de minderjarige] is niet erkend. De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . De vrouw en [de minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit. Bij beschikking van deze rechtbank van 22 december 2023 is – onder andere – gegrond verklaard het verzoek van de bijzondere curator namens [de minderjarige] tot ontkenning van het vaderschap van [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats 2] , [land] . Bij beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2025 is mr. A.A.G. Balkenende voornoemd, wederom benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijke Wetboek (BW) te vertegenwoordigen. Verzoek en verweer De man verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –: hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [de minderjarige] ; de man naast de vrouw gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] te belasten. De vrouw stemt in met de verzoeken. De bijzondere curator verzoekt primair om het vaderschap van de man gerechtelijk vast te stellen, en subsidiair om het verzoek van de man hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen, toe te wijzen. Beoordeling Vervangende toestemming erkenning Rechtsmacht en toepasselijk recht Op grond van artikel 3 sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu de vrouw, [de minderjarige] en de man hun woonplaats in Nederland hebben. Op grond van artikel 10:95 lid 1 BW wordt de vraag of erkenning door de man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor erkenning, bepaald door het recht van de nationaliteit van de man. Indien volgens dat recht erkenning niet (meer) mogelijk is, is het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bepalend. Is de erkenning ook volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is bepalend het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit, zodat Nederlands recht zal worden toegepast op de erkenning door de man. Op grond van artikel 10:95 lid 3 BW is op de toestemming tot erkenning van de moeder, onderscheidenlijk het kind, het recht van de staat van toepassing waarvan de moeder, onderscheidenlijk het kind, de nationaliteit bezit. Indien het toepasselijk recht de erkenning niet kent, is toepasselijk het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de moeder, onderscheidenlijk het kind. Het op de toestemming toepasselijk recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. Op grond van artikel 73 van het Poolse Familie- en Voogdijwetboek moet de man die het kind erkent (in beginsel) de biologische vader van het kind zijn. Toestemming van de moeder is noodzakelijk voor erkenning. Het Poolse recht kent geen vervangende toestemming tot erkenning. Het voorgaande houdt in dat de man geen rechtsingang zou hebben voor zijn verzoek. Met de bijzondere curator is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling in het Poolse recht als strijdig met de Nederlandse openbare orde terzijde moet worden geschoven. Indien dit anders zou zijn zou dat betekenen dat als een moeder daaraan niet meewerkt de biologische werkelijkheid niet in overeenstemming kan worden gebracht met de juridische. Dit is in strijd is met artikel 8 EVRM, nu dit het recht op bescherming van zijn ‘private life’ raakt en tot gevolg heeft dat er geen familierechtelijke betrekkingen tot stand kunnen komen tussen de biologische vader en een kind. Op grond van artikel 10:6 BW wordt het toepasselijke Poolse recht daarom buiten beschouwing gelaten en wordt het verzoek vervangende toestemming erkenning beoordeeld naar Nederlands recht. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. De man verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te mogen erkennen. De vrouw stemt er echter mee in om samen met de man gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen. De toestemming van de vrouw hoeft dus niet vervangen te worden door die van de rechtbank. Ook is voldoende aannemelijk dat de vrouw haar medewerking wenst te verlenen aan de erkenning van [de minderjarige] door de man. De man en de vrouw zijn om dit te bewerkstelligen naar de gemeente gegaan. Echter, partijen ondervinden bij het formaliseren van de erkenning problemen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, omdat de vrouw de vereiste echtscheidingsakte uit Polen niet kan overleggen. Dat heeft tot gevolg dat zij de erkenning van [de minderjarige] door de man niet kunnen bewerkstelligen. Vervangende toestemming van de rechtbank lost dat probleem echter niet op. Indien de rechtbank vervangende toestemming aan de man zou verlenen om [de minderjarige] te erkennen, is te voorzien dat partijen er opnieuw tegenaan zullen lopen dat de Poolse echtscheidingsakte ontbreekt. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen bij gebrek aan belang. Gerechtelijke vaststelling ouderschap Rechtsmacht en toepasselijk recht Op grond van artikel 3 sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu de vrouw, [de minderjarige] en de man hun woonplaats in Nederland hebben. Op grond van artikel 10:97 lid 1 BW wordt de vraag of en onder welke voorwaarden ouderschap van de biologische vader gerechtelijk kan worden vastgesteld bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de biologische vader en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de biologische vader en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Bezitten de biologische vader en de moeder meer dan een gemeenschappelijke nationaliteit, dan worden zij geacht geen gemeenschappelijke nationaliteit te bezitten. Bepalend is het tijdstip van de indiening van het verzoek.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7968 text/xml public 2026-04-16T08:31:50 2026-04-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-06 C/09/678367 / FA RK 25-181 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7968 text/html public 2026-04-16T08:31:28 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7968 Rechtbank Den Haag , 06-03-2026 / C/09/678367 / FA RK 25-181 verzoek bijzondere curator erechtelijke vaststelling ouderschap toegewezen. Gezamenlijk gezag toegewezen. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-181 Zaaknummer: C/09/678367 Datum beschikking: 6 maart 2026 Vervangende toestemming erkenning c.q. gerechtelijke vaststelling vaderschap en gezag Beschikking op het op 2 januari 2025 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw dan wel de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. B. Beekman te Noordwijk, [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] , de minderjarige, hierna: [de minderjarige] , in rechte vertegenwoordigd door A.A.G Balkenende, advocaat te Katwijk, in de hoedanigheid van bijzondere curator. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verslag van 11 maart 2025, van de bijzondere curator. het e-mailbericht met de brief van 20 maart 2025, van de vrouw. het F9-formulier van 8 april 2025, van de man. Op 6 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan haar advocaat en tolk K. Ghanmi; de bijzondere curator; [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming. Op de zitting zijn door de bijzondere curator nadere stukken overgelegd. Feiten De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Uit de vrouw is [de minderjarige] geboren. De vrouw was ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] getrouwd met [naam 2] . [de minderjarige] is niet erkend. De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . De vrouw en [de minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit. Bij beschikking van deze rechtbank van 22 december 2023 is – onder andere – gegrond verklaard het verzoek van de bijzondere curator namens [de minderjarige] tot ontkenning van het vaderschap van [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats 2] , [land] . Bij beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2025 is mr. A.A.G. Balkenende voornoemd, wederom benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijke Wetboek (BW) te vertegenwoordigen. Verzoek en verweer De man verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –: hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [de minderjarige] ; de man naast de vrouw gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] te belasten. De vrouw stemt in met de verzoeken. De bijzondere curator verzoekt primair om het vaderschap van de man gerechtelijk vast te stellen, en subsidiair om het verzoek van de man hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen, toe te wijzen. Beoordeling Vervangende toestemming erkenning Rechtsmacht en toepasselijk recht Op grond van artikel 3 sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu de vrouw, [de minderjarige] en de man hun woonplaats in Nederland hebben. Op grond van artikel 10:95 lid 1 BW wordt de vraag of erkenning door de man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor erkenning, bepaald door het recht van de nationaliteit van de man. Indien volgens dat recht erkenning niet (meer) mogelijk is, is het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bepalend. Is de erkenning ook volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is bepalend het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit, zodat Nederlands recht zal worden toegepast op de erkenning door de man. Op grond van artikel 10:95 lid 3 BW is op de toestemming tot erkenning van de moeder, onderscheidenlijk het kind, het recht van de staat van toepassing waarvan de moeder, onderscheidenlijk het kind, de nationaliteit bezit. Indien het toepasselijk recht de erkenning niet kent, is toepasselijk het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de moeder, onderscheidenlijk het kind. Het op de toestemming toepasselijk recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. Op grond van artikel 73 van het Poolse Familie- en Voogdijwetboek moet de man die het kind erkent (in beginsel) de biologische vader van het kind zijn. Toestemming van de moeder is noodzakelijk voor erkenning. Het Poolse recht kent geen vervangende toestemming tot erkenning. Het voorgaande houdt in dat de man geen rechtsingang zou hebben voor zijn verzoek. Met de bijzondere curator is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling in het Poolse recht als strijdig met de Nederlandse openbare orde terzijde moet worden geschoven. Indien dit anders zou zijn zou dat betekenen dat als een moeder daaraan niet meewerkt de biologische werkelijkheid niet in overeenstemming kan worden gebracht met de juridische. Dit is in strijd is met artikel 8 EVRM, nu dit het recht op bescherming van zijn ‘private life’ raakt en tot gevolg heeft dat er geen familierechtelijke betrekkingen tot stand kunnen komen tussen de biologische vader en een kind. Op grond van artikel 10:6 BW wordt het toepasselijke Poolse recht daarom buiten beschouwing gelaten en wordt het verzoek vervangende toestemming erkenning beoordeeld naar Nederlands recht. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. De man verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te mogen erkennen. De vrouw stemt er echter mee in om samen met de man gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen. De toestemming van de vrouw hoeft dus niet vervangen te worden door die van de rechtbank. Ook is voldoende aannemelijk dat de vrouw haar medewerking wenst te verlenen aan de erkenning van [de minderjarige] door de man. De man en de vrouw zijn om dit te bewerkstelligen naar de gemeente gegaan. Echter, partijen ondervinden bij het formaliseren van de erkenning problemen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, omdat de vrouw de vereiste echtscheidingsakte uit Polen niet kan overleggen. Dat heeft tot gevolg dat zij de erkenning van [de minderjarige] door de man niet kunnen bewerkstelligen. Vervangende toestemming van de rechtbank lost dat probleem echter niet op. Indien de rechtbank vervangende toestemming aan de man zou verlenen om [de minderjarige] te erkennen, is te voorzien dat partijen er opnieuw tegenaan zullen lopen dat de Poolse echtscheidingsakte ontbreekt. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen bij gebrek aan belang. Gerechtelijke vaststelling ouderschap Rechtsmacht en toepasselijk recht Op grond van artikel 3 sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu de vrouw, [de minderjarige] en de man hun woonplaats in Nederland hebben. Op grond van artikel 10:97 lid 1 BW wordt de vraag of en onder welke voorwaarden ouderschap van de biologische vader gerechtelijk kan worden vastgesteld bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de biologische vader en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de biologische vader en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Bezitten de biologische vader en de moeder meer dan een gemeenschappelijke nationaliteit, dan worden zij geacht geen gemeenschappelijke nationaliteit te bezitten. Bepalend is het tijdstip van de indiening van het verzoek.