Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:7378
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Proces-verbaal
966 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7378 text/xml public 2026-04-01T11:33:01 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-11 NL26.9646 Uitspraak Proces-verbaal NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7378 text/html public 2026-04-01T11:32:08 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7378 Rechtbank Den Haag , 11-03-2026 / NL26.9646 Dublin, mondelinge uitspraak. Beroep niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.9646 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Latul). Procesverloop Bij besluit van 19 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en meteen uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen 1. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Dit is ingegeven door de aan de rechtbank gestuurde brief van verweerder van 9 maart 2026, waarin wordt verwezen naar een bijlage met daarin een melding van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Uit deze melding blijkt dat eiser op 1 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 9 maart 2026 verzocht om aan te geven of hij nog contact onderhoudt met eiser en of hij weet waar eiser verblijft. De gemachtigde heeft op 10 maart 2026 bericht geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft. 1.1. Uit vaste rechtspraak volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de mob-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding. 1.2. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. 2. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van dit proces-verbaal.