Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:7226
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
3,185 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7226 text/xml public 2026-04-02T11:35:28 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-17 NL25.44096 en NL25.44097 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7226 text/html public 2026-03-31T09:24:30 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7226 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / NL25.44096 en NL25.44097 Asiel China, artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn verplicht de minister om een integrale beoordeling te maken van de asielaanvraag. De minister heeft eisers verklaringen over Falun Gong niet enkel ongeloofwaardig kunnen achten vanwege het late indienen van zijn asielaanvraag en zijn algehele geloofwaardigheid. Eisers verklaringen hadden bij de beoordeling kenbaar betrokken moeten worden. Het beroep is gegrond." RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.44096 (beroep) NL25.44097 (voorlopige voorziening) [V-Nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser en verzoeker, hierna eiser (gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. N. van der Gouw). Inleiding 1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Su als tolk in de taal Mandarijn en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij stelt van Chinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1979. In 2004 is eiser mishandeld en vernederd door de maffia in China, omdat hij geen geld kon geven van zijn verkoop van vis. Bij een terugkeer naar China vreest eiser dat de maffia hem aan de politie overhandigd die eiser dan zullen arresteren omdat hij [spirituele beweging] beoefent. Daarbij stelt eiser nu vijf jaar Katholiek te zijn. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; bekering naar het katholicisme; de maffia die opzoek is naar eiser vanwege problemen met de maffia en; en het beoefenen van [spirituele beweging] en de problemen die eiser daardoor zou ondervinden bij terugkeer. 3.1. De minister heeft eiser zijn nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, maar zijn identiteit niet. De minister stelt zich hierover – kort gezegd – op het standpunt dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en hier geen goede verklaring voor heeft gegeven. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij is bekeerd tot het Katholicisme. Ook zijn eisers verklaringen over de problemen met de maffia onvoldoende concreet en niet geloofwaardig. Met betrekking tot de het beoefenen van [spirituele beweging] en de problemen die daaruit zouden voortvloeien stelt de minister zich op het standpunt dat ook dit asielmotief niet geloofwaardig wordt geacht. De minister heeft bij de beoordeling van alle asielmotieven betrokken dat eiser pas asiel heeft aangevraagd nadat hij is aangehouden op 2 augustus 2025, terwijl hij al sinds 2014 in Nederland is. Eiser heeft bij zijn aanhouding ook vals bevonden documenten overgelegd, waardoor eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De geloofwaardigheidsbeoordeling 4. Eiser voert aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister toepast problematisch is en in strijd is met het Unierecht. Hiertoe verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025. 4.1. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de in WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht of het EVRM strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. Wel zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak kan leiden tot een geloofwaardigheidsbeoordeling die in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn . De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7.1 van de uitspraak van deze rechtbank, en zittingsplaats van 24 november 2025 , waarin zij al eerder tot dit oordeel kwam. Uit deze uitspraak volgt dat per individuele zaak moet worden beoordeeld of de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in lijn met het (Unie)recht is. De beroepsgrond slaagt niet. 4.2. De minister is wel gehouden om in overeenstemming met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, na de toetsing van de vijf cumulatieve voorwaarden, alle omstandigheden in samenhang te beoordelen om eerst dan tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De rechtbank zal verder beoordelen aan de hand van de overige beroepsgronden of de minister dat voldoende kenbaar heeft gedaan. Identiteit 5. Eiser voert aan dat hij consequent en gedetailleerd heeft verklaard over het innemen van zijn paspoort door de smokkelaars en over het gebruik van de valse Slowaakse identiteitsdocumenten. Ook heeft hij consequent en plausibel verklaard over het feit dat hij jarenlang werkte om te overleven in Nederland en zich niet in de positie voelde om asiel aan te vragen. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij geen poging heeft gedaan om zijn identiteit verder te onderbouwen. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser al sinds mei 2004 op Europees grondgebied is en dat eiser eerst na een aanhouding door de politie asiel heeft aangevraagd. De verklaring van eiser dat hij zich niet in de positie voelde om asiel aan te vragen is onvoldoende verklaring voor de lange duur die eiser al in Europa verblijft. De minister heeft ook mogen betrekken dat eiser eerder valse Slowaakse identiteitsdocumenten heeft overgelegd en niet gelijk heeft aangegeven wie hij werkelijk is. De minister heeft de identiteit van eiser dan ook ongeloofwaardig kunnen vinden. De beroepsgrond slaagt niet. Bekering naar Katholicisme 6. Eiser voert aan dat de minister zich enkel heeft gebaseerd op kennisvragen en een oppervlakkige interpretatie en daarmee een onjuiste toets heeft toegepast. Eiser heeft verklaard over de bekering die voortkomt uit innerlijke overtuiging en persoonlijke ervaring. De minister had de nadruk moet leggen op het motief en het proces van de bekering. Ter zitting heeft eiser nog verklaard dat zijn bekering tot het Katholicisme niet leidt tot vrees voor vervolging bij terugkeer in zijn land van herkomst. Hij heeft zijn bekering enkel genoemd om daarmee aan te tonen dat hij geloofwaardig is. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze van eiser. Hierbij is betrokken dat eiser alles overziend niet aannemelijk heeft gemaakt bekeerd te zijn tot het katholicisme. Eiser stelt al vijf jaar katholiek te zijn en verwacht mag worden dat hij meer kan verklaren over dat proces. Het is aan eiser om concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze niet juist of ontoereikend is. De enkele herhaling is onvoldoende. De beroepsgrond draagt daarom, anders dan eiser stelt, niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas en slaagt dan ook niet. Problemen met de maffia 7. Eiser voert verder aan dat hij consequent en concreet heeft verklaard over de mishandeling door de maffia in het verleden en de relaties tussen de politie en de maffia. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende gemotiveerd is ingegaan op eisers verklaring met betrekking tot de gestelde problemen met de maffia. Niet is gevolgd dat de maffia na twintig jaar nog op zoek zou zijn naar eiser. Ook is niet gebleken dat er een link is tussen de autoriteiten en de maffia.
Volledig
De beroepsgrond slaagt niet. [spirituele beweging] 8. Eiser voert tot slot aan dat er geen inhoudelijke tegenstrijdigheden in de verklaringen over [spirituele beweging] zijn aangewezen. Eiser heeft gedetailleerd verklaard over de betekenis en praktijk van [spirituele beweging] , alsmede over zijn deelname aan demonstraties in Nederland. De minister had daarnaast de koerswijziging tussen het eerste en het tweede voornemen moeten motiveren. Zo een motivering ontbreekt. 8.1. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er geen rechtsregel is die met zich meebrengt dat de minister nader dient te motiveren waarom hij tot een ander inzicht is gekomen in het nieuwe voornemen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven en op alle elementen van het nieuwe voornemen te reageren. Het betoog op dit punt slaagt dan ook niet. 8.2. Met betrekking tot de beoordeling van het relaas over het beoefenen van [spirituele beweging] , is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte eisers verklaringen hierover niet kenbaar heeft beoordeeld. In het bestreden besluit is door de minister enkel ingegaan op voorwaarde d en e van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Anders dan de minister heeft gesteld ter zitting, verplicht artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn , zoals ook is overwogen onder 4.1 en 4.2, de minister om een integrale beoordeling te maken van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft eisers verklaringen over [spirituele beweging] niet enkel ongeloofwaardig kunnen achten vanwege het late indienen van zijn asielaanvraag en zijn algehele geloofwaardigheid. Eisers verklaringen over [spirituele beweging] hadden bij de beoordeling kenbaar betrokken moeten worden. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 9. De minister heeft het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. 10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden . 11. Nu het beroep gegrond is bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af. Beslissing De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.44096: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.44097: - wijst het verzoek af. De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken: - veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef, en onder c, e en h, van de Vw. ECLI:NL:RBDHA:2025:139. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Richtlijn 2011/95/EU. ECLI:NL:RBDHA:2025:27281, onder 7.1. Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4449, 13 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4116, en 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3350. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.