Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-30
ECLI:NL:RBDHA:2026:7223
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,457 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7223 text/xml public 2026-04-01T09:00:11 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-30 NL26.10222 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7223 text/html public 2026-03-31T09:10:07 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7223 Rechtbank Den Haag , 30-03-2026 / NL26.10222 Dublin, Duitsland, Jemen, verschil in beleid, artikel 17 Dublinverordening, onevenredige hardheid, beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.10222 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. M.R.F. Berte), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder Procesverloop Bij besluit van 19 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2002 en de Jemenitische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 13 oktober 2025 asiel aangevraagd in Nederland. 2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft 7 november 2025 een overnameverzoek gestuurd aan de Duitse autoriteiten. Deze hebben op 11 november 2025 bericht dat zij akkoord zijn met overname van eiser. 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en hij voert daartoe het volgende aan. Eiser is afkomstig uit Jemen en Duitsland hanteert een ander, minder gunstiger, asielbeleid ten aanzien van asielzoekers uit Jemen dan Nederland. Duitsland stelt zich namelijk op het standpunt dat in Jemen geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser beroept zich op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025 over de veiligheidssituatie in Jemen. Hoewel eiser op de hoogte is van de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 waaruit volgt dat een vreemdeling in Nederland geen beroep meer kan doen op indirect refoulement in een Dublinprocedure, meent eiser dat in zijn geval voorzienbaar is dat eisers asielaanvraag in Duitsland zal worden afgewezen. Hij zal dus moeten terugkeren naar Jemen en dat is in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser meent daarom dat terugkeer naar Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Niet in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Evenmin is in geschil dat ten aanzien van Duitsland uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat desondanks niet van hem verwacht kan worden dat hij terugkeert naar Duitsland, omdat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. 5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er moet dan sprake zijn van een heel bijzondere situatie die maakt dat overdracht leidt tot onevenredige hardheid. In het geval van eiser is daarvan geen sprake. Duitsland heeft namelijk met het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser na overdracht in behandeling zal worden genomen. Het enkele feit dat Duitsland, in ieder geval ten tijde van zijn eerdere asielaanvraag in dat land, een ander beleid voerde ten aanzien van Jemen, maakt nog niet dat overdracht van eiser aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel immers vanuit gaan dat eiser na overdracht aan Duitsland in overeenstemming met het Europese recht zal worden behandeld. In dat kader zijn de Duitse autoriteiten gebonden aan de verplichting om eiser niet uit te zetten als dat strijdig zou zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Die verplichting geldt ook nu eisers eerdere asielaanvraag in Duitsland is afgewezen. 6. Verweerder heeft de asielaanvraag eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Vreemdelingenwet 2000. Verordening (EU) nr. 604/2013. 2011/95/EU. ECLI:NL:RVS8:2025:3153. ECLI:NL:RVS:2024:2359. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.