Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-16
ECLI:NL:RBDHA:2026:7162
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,010 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7162 text/xml public 2026-03-30T15:02:23 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-16 NL26.11582 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7162 text/html public 2026-03-30T15:00:19 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7162 Rechtbank Den Haag , 16-03-2026 / NL26.11582 Bewaring, beroep, onduidelijkheid tijdstip beëindiging strafrechtelijke detentie, ontbreken tolkennummer ophouding, consulaire bijstand, bewaringsgronden, lichter middel voldoende gemotiveerd?, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.11582 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F. Boone), en verweerder van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. B. Pattiata). Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Koc. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Onduidelijkheid tijdstip beëindiging strafrechtelijke detentie 1. Eiser voert aan dat uit het dossier niet op te maken is op welk tijdstip zijn strafrechtelijke detentie op 24 februari 2026 is geëindigd. Hierdoor is het onduidelijk of de vreemdelingendetentie hier aansluitend op heeft plaatsgevonden. Eiser voert daartoe aan dat een strafrechtelijke detentie vaak eindigt om 08:00 uur, waardoor hij mogelijk enige tijd zonder titel gedetineerd heeft gezeten, en geconcludeerd dient te worden dat de vreemdelingrechtelijke ophouding langer heeft geduurd dan 6 uur. 2. Op zich is juist dat uit het dossier niet volgt wanneer de strafrechtelijke detentie is geëindigd, zoals verweerder ook heeft erkend. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt echter dat de vreemdelingrechtelijke ophouding op 24 februari 2026 om 14:20 uur is aangevangen. Op het moment van ophouding is de strafrechtelijke detentie feitelijk beëindigd. Voor zover eiser – hetgeen verder niet is gebleken – voorafgaand aan de ophouding enige tijd zonder titel gedetineerd heeft gezeten is dit dus in het kader van het strafrecht geweest. Daarover kan de bewaringsrechter volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2400) niet oordelen. Het gaat namelijk om de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 toegekende bevoegdheden. Alleen als de onrechtmatigheid van de aanwending van deze bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Daarvan is in dit geval geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ontbreken tolkennummer ophouding 3. Eiser voert verder aan dat niet gecontroleerd kan worden of met hem gesproken is met behulp van een beëdigde Turkse tolk, omdat er in het proces-verbaal van ophouding en onderzoek geen tolkennummer is opgenomen. Ook dit is een gebrek volgens eiser. 4. Als bij de ophouding gebruik wordt gemaakt van een tolk, moet deze in beginsel beëdigd zijn (zie artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers). Het is aan verweerder om zich hiervan te vergewissen. In het proces-verbaal van ophouding en onderzoek staat dat gebruik is gemaakt van beëdigde tolk. Dit is een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal en eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die de rechtbank doen twijfelen aan de juistheid ervan. Dat geen naam of tolkennummer is vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen gebrek. De beroepsgrond slaagt niet. Consulaire bijstand 5. Eiser voert ook aan dat uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat hij te kennen heeft gegeven consulaire bijstand te willen, maar niet gebleken is dat hij in de gelegenheid is gesteld om contact op te nemen. Eiser verwijst in dit kader naar artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en artikel 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen. 6. In het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 14.20 uur staat aangekruist dat eiser erop is gewezen dat hij contact kon opnemen met diverse personen en instanties (waaronder de diplomatieke vertegenwoordiging van Turkije), tegen de maatregel beroep kan instellen en in geval van verhoor recht heeft op een advocaat en beëdigd tolk. Aangekruist is vervolgens dat hij te kennen gaf daarvan gebruik te willen maken. Uit het proces-verbaal van gehoor (M110) van diezelfde dag om 15.45 uur blijkt dat eiser is gevraagd of hij gebruik wil maken van zijn recht op consulaire bijstand en dat hij ontkennend heeft geantwoord. Hieruit heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen opmaken dat eiser hieraan geen behoefte (meer) had. Verweerder heeft er daarnaast terecht op gewezen dat het eiser altijd vrij staat dit alsnog te doen. De beroepsgrond slaagt niet. Bewaringsgronden 7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. 8. Verweerder heeft de lichte grond 4e ter zitting laten vallen. Deze grond ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring. 9. Eiser betwist lichte grond 4d. Hiertoe voert hij aan dat hij beschikt over €1.000,-, wat voldoende is om terug te reizen naar Frankrijk. 10. Eiser heeft de zware gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden 3a en 3b, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bewaringsgronden kunnen daarom onbesproken blijven. Lichter middel voldoende gemotiveerd? 11. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in zijn geval niet kan worden volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hoewel eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft opgemerkt dat hij in vrijheid wil leven, heeft eiser in de maatregel een kruisje gezet bij de regel dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen dan wel voortzetten van een minder dwingende maatregel. 12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.