Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:7101
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,385 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7101 text/xml public 2026-03-30T13:54:32 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-25 NL25.32101-V Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7101 text/html public 2026-03-30T09:51:20 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7101 Rechtbank Den Haag , 25-03-2026 / NL25.32101-V Verzet, opposant heeft verzet ingediend omdat eiser eerder niet-ontvankelijk is verklaard, ongegrond. uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.32101-V uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [opposant] , opposant, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. K. Yousef). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzet dat opposant heeft ingediend tegen het de uitspraak van 29 augustus 2025 in de zaak NL25.32101. In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser de minister op 25 juni 2025 in gebreke heeft gesteld. De minister dient pas uiterlijk op 27 januari 2026 te beslissen op de aanvraag. Opposant tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 29 augustus 2025 niet juist, omdat de ingebrekestelling van opposant geldig en tijdig was. Opposant voert hierbij aan dat de beslistermijn aanvangt bij ontvangst van de asielaanvraag, thans 5 december 2023. Hiernaast voert opposant aan dat de opname in nationale procedure niet zorgt voor een andere ‘wettelijke ankerdatum’. De rechtbank volgt opposant niet in zijn standpunt. De reden is als volgt. Artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening bepaalt dat als er geen overdracht plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden (de overdrachtstermijn), de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen, komt te vervallen. Hierbij gaat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag over op de verzoekende lidstaat. 5. De minister heeft de aanvraag op 5 december 2023 ontvangen. Vervolgens heeft de minister op 26 januari 2024 een claimverzoek ingediend bij de Oostenrijkse autoriteiten om opposant terug te nemen. Het claimverzoek is diezelfde dag, dus op 26 januari 2024, geaccepteerd door de Oostenrijkse autoriteiten. Omdat opposant niet binnen de overdrachtstermijn is overgedragen aan de Oostenrijkse Autoriteiten, is de verzoekende lidstaat de dag na de onderhavige termijn verantwoordelijk. De aanvraag dient vanaf die datum onder de nationale procedure verder behandelt te worden. De minister is daarom per 27 juli 2024 verantwoordelijk geworden voor de aanvraag. Dat is ook de datum waarop de beslistermijn begint te lopen. De rechtbank volgt niet het betoog van opposant dat de beslistermijn al zou zijn aangevangen op 5 december 2023. De minister is immers pas vanaf 27 juli 2024 verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. Ander dan opposant betoogt, kan de beslistermijn dus niet al zijn gestart op 5 december 2023 omdat de minister toen nog niet verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag. 6. Opposant komt uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium. Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden. 7. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium. De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium. 8. De minister dient uiterlijk op 27 januari 2026 te beslissen op de aanvraag (te weten: zes maanden beslistermijn na 27 juli 2024 (de datum waarop de minister verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag), en een verlenging van één jaar van de beslistermijn op grond van het besluitmoratorium). Eiser heeft de minister op 25 juni 2025 in gebreke gesteld en heeft op 16 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Aangezien de beslistermijn toen nog niet was verstreken, heeft eiser zijn ingebrekestelling en beroep prematuur ingesteld. 9. In wat opposant aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan is gedaan in de uitspraak van 29 augustus 2025. Conclusie 10. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van NL25.32101 in stand blijft. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier . De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 25 maart 2026 Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep. Documentcode: [Documentcode]