Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:6936
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,146 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6936 text/xml public 2026-04-09T09:34:23 2026-03-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-25 C/09/697202 / FA RK 26-108 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6936 text/html public 2026-04-09T09:34:06 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6936 Rechtbank Den Haag , 25-02-2026 / C/09/697202 / FA RK 26-108 Voorlopige voorzieningen: toevertrouwing kind, uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en kinderalimentatie Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 26-108 Zaaknummer: C/09/697202 Datum beschikking: 25 februari 2026 Voorlopige voorzieningen Beschikking op het op 5 januari 2026 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. Bagci-Çiçek in ’s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.K. van der Brugge in ’s-Gravenhage. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man; het aanvullend verzoekschrift van de vrouw van 10 februari 2026; het bericht met bijlagen van 10 februari 2026 van de man. De minderjarige [de minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter zijn mening gegeven. Op 11 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de man bijgestaan door zijn advocaat. Feiten Partijen zijn met elkaar getrouwd op [datum] 1995 op het Marokkaanse Consulaat in Rotterdam. Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] . Daarnaast zijn zij de ouders van de volgende (jong)meerderjarige kinderen : [de meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1996 in [geboorteplaats] , [de meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1999 in [geboorteplaats] , [de meerderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2005 in [geboorteplaats] . De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit over [de minderjarige] . De vrouw heeft op 16 december 2025 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank, bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/696327 / FA RK 25-9582. Verzoek en verweer De vrouw verzoekt, na aanvulling: te bepalen dat de minderjarige [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd; te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met inbegrip van de tot die woning behorende inboedel en dat de man bevolen wordt de echtelijke woning te verlaten en deze verder niet meer te betreden; te bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een voorlopige kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 354,- per maand moet voldoen; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken . Daarnaast verzoekt hij zelfstandig: - te bepalen dat de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met inbegrip van de tot die woning behorende inboedel en dat de vrouw bevolen wordt de echtelijke woning te verlaten en deze verder niet meer te betreden; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Beoordeling Toevertrouwing van [de minderjarige] De man heeft op de zitting ingestemd met het verzoek van de vrouw om [de minderjarige] aan haar toe te vertrouwen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw als niet weersproken en in het belang van [de minderjarige] toewijzen. Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning Beide partijen hebben de rechtbank verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hen toe te kennen. De vrouw voert daartoe het volgende aan. Sinds de beslissing van de vrouw om te gaan scheiden zijn de gemoederen hoog opgelopen. Zo had de man de woning verlaten maar is onaangekondigd op 29 december 2026 weer teruggekomen. De man heeft daarna ruzie gekregen met [de minderjarige] omdat de man [de minderjarige] beschuldigde van het stelen van wiet van de man. Omdat de vrouw vreesde dat de man en [de minderjarige] met elkaar gingen vechten is zij tussen beiden gesprongen, met als gevolg dat de vrouw klappen heeft gekregen. Daarnaast is de man kleinerend naar zowel de vrouw als naar [de minderjarige] (en de andere meerderjarige kinderen) en worden zij regelmatig uitgescholden. Door alle spanningen gaat het niet goed met [de minderjarige] op school terwijl hij in het laatste jaar van de middelbare school zit. De docenten hebben aangegeven [de minderjarige] niet meer te herkennen, en als het zo doorgaat moet [de minderjarige] van school af zonder diploma. Volgens de vrouw is er dus sprake van een onhoudbare situatie thuis waardoor haar verzoek toegewezen moet worden. De man is van mening dat, hoewel de situatie niet ideaal is, er geen sprake is van een onhoudbare situatie. Daarnaast betwist de man problemen te hebben met [de minderjarige] . De huidige situatie speelt al langere tijd dus volgens de man bestaat er geen dringende reden waarom hij (of de vrouw) de woning op korte termijn moet verlaten. Mocht de rechtbank besluiten dat iemand wel de woning uit moet gaan, dan is de man van mening dat dit de vrouw moet zijn. De vrouw zou terecht immers kunnen bij haar moeder samen met [de minderjarige] , terwijl de man deze mogelijkheid van alternatieve woonruimte niet heeft. De rechtbank stelt allereerst dat voorlopige voorzieningen het karakter hebben van een ordemaatregel van voorlopige aard in het kader van de echtscheidingsprocedure. Het uitgangspunt daarbij is dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is het de rechtbank duidelijk geworden dat de ouders niet samen kunnen blijven in de echtelijke woning. De rechtbank zal daarom een belangenafweging moeten maken, en beoordelen wie op dit moment het meeste belang heeft bij verblijf in de woning. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Door de spanningen tussen de gezinsleden is de situatie al vaker geëscaleerd. Dit is niet wenselijk en levert een onhoudbare situatie op. De rechtbank is daarom van oordeel dat het belangrijk is voor alle betrokkenen dat er rust komt, en dit kan alleen als de ouders niet meer samen in de woning verblijven. In het kindgesprek heeft [de minderjarige] ook aangegeven behoefte te hebben aan rust. De rechtbank acht het verder van belang dat [de minderjarige] zich kan concentreren op het afronden van de middelbare school. Nu de conflicten zich (voornamelijk) voordoen met de man, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw samen met [de minderjarige] in de echtelijke woning mag blijven en de man de woning moet verlaten. Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen. Voorlopige kinderalimentatie Behoefte van [de minderjarige] De vrouw heeft de behoefte van [de minderjarige] in het aanvullend verzoekschrift van 10 februari 2026 berekend en gesteld op € 354,- per maand. Namens de man is op de zitting erkend dat de behoefte van [de minderjarige] juist is. De rechtbank zal in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure daarom de behoefte van [de minderjarige] bepalen op € 354,- per maand in 2026. Draagkracht vrouw Tussen de ouders is in geschil of de vrouw wel of geen inkomen heeft. De vrouw stelt dat zij nog altijd geen inkomen heeft, net als tijdens het huwelijk.
Volledig
Zij gaat een bijstandsuitkering aanvragen maar dit is nu nog niet mogelijk omdat de man nog ingeschreven staat op het adres van de echtelijke woning. De man stelt dat de vrouw wel werkt als schoonmaakster en dit contant betaald krijgt. De rechtbank overweegt dat de man zijn stellingen niet heeft onderbouwd. De vrouw had tijdens het huwelijk geen inkomen en is voornemens een bijstandsuitkering aan te vragen, maar dat is op dit moment nog niet gebeurd. De rechtbank zal daarom alleen rekening houden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het huidige NBI op € 580,- per maand. De draagkracht van de vrouw is € 25,- per maand. Draagkracht man Tussen de ouders bestaat discussie of de man een (aanvullende) WW-uitkering ontvangt. Volgens de vrouw bedraagt deze aanvulling € 500,- bruto per maand. De man erkent dat hij een uitkering heeft gehad maar dat deze inmiddels weer is gestopt. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de loonstrook van december 2025 volgt dat de man 36 uur per week werkt, zoals hij ook heeft bevestigd op de zitting. De standpunten van beiden zijn niet onderbouwd met stukken. De rechtbank gaat daarom in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure ervan uit dat de man geen recht heeft op een WW-uitkering. Het is aan de ouders om in de bodemprocedure hier nader op in te gaan en de stellingen te onderbouwen. Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een cumulatief loon van € 26.741,- bruto per jaar in 2025, gebaseerd op de salarisspecificatie van december 2025. De rechtbank houdt daarnaast rekening met een Individueel Keuze Budget (IKB) van € 4.915,- per jaar. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vrouw dat daarnaast nog rekening moet worden gehouden met vakantietoeslag, nu de vakantietoeslag verwerkt zit in het IKB. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende premies: de pensioenpremie van € 1.819,- per jaar; de bijdrage PAWW van € 32,- per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingen: de algemene heffingskorting; de arbeidskorting. Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.303,- per maand en de draagkracht op € 173,- per maand. Zorgkorting Omdat er geen contact is tussen de man en [de minderjarige] zal de rechtbank geen rekening houden met een zorgkorting. Gezamenlijke draagkracht De draagkracht van de ouders bedraagt (25 + 173 =) € 198,- per maand. Dit is onvoldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 156,- per maand. Omdat er sprake is van een tekort van € 156,- en de man geen recht heeft op een zorgkorting, zullen de ouders maximaal, naar hun draagkracht moeten bijdragen in de behoefte van [de minderjarige] . Dit betekent dat de man aan de vrouw een kinderalimentatie van € 173,- per maand moet betalen. Ingangsdatum De rechtbank zal als ingangsdatum van de kinderalimentatie, de datum van de beschikking hanteren, nu vanaf dat moment het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw wordt toegekend en de man de woning moet verlaten. Conclusie De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie van € 173,- per maand voor [de minderjarige] moet betalen. Aanhechten beschikking De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van de ouders. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit. Beslissing De rechtbank: * bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] , aan de vrouw zal worden toevertrouwd; * bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden; * bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel: mede verzorgt en opvoedt) van € 173,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; * verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; * wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A., (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 februari 2026.