Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:6925
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,811 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6925 text/xml public 2026-04-09T10:50:19 2026-03-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-25 C/09/682344 / FA RK 25-2185 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6925 text/html public 2026-04-09T10:49:47 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6925 Rechtbank Den Haag , 25-02-2026 / C/09/682344 / FA RK 25-2185 Vaststelling kinderalimentatie voor biologische vader. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-2185 Zaaknummer: C/09/682344 Datum beschikking: 25 februari 2026 Alimentatie Beschikking op het op 24 maart 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.N. Baldew te ’s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het digitale bericht van de vrouw van 24 april 2025. Op 28 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de man. Verzoek Het verzoek van de vrouw luidt om met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de kinderalimentatie op € 150,- per kind per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Feiten - Partijen hebben een affectieve relatie gehad. - De vrouw is de moeder van: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ; [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] ; - De kinderen zijn niet erkend. - De vrouw is van rechtswege belast met het gezag over de kinderen. - Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. Beoordeling Ontvankelijkheid De vrouw verzoekt om de vaststelling van een door de man te betalen bijdrage aan kinderalimentatie. Uit artikel 1:392 BW, in samenhang met artikel 1:394 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat naast een (juridisch) ouder, ook de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, verplicht is om te voorzien in de kosten van de verzorging en opvoeding van het kind. De man heeft op de zitting erkend dat hij de (biologische) vader van de kinderen is, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek. Inhoudelijke beoordeling Ingangsdatum Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van de beschikking. Behoefte Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is door partijen niet berekend. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Omdat partijen nooit in gezinsverband hebben samengewoond, moet de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] worden bepaald aan de hand van het gemiddelde van de behoefte bij iedere ouder. Dit wordt dus berekend door de behoefte op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ene ouder (inclusief het door haar ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de andere ouder (inclusief het fictief te ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen. Het gemiddelde hiervan is uiteindelijk de behoefte. Daarbij neemt de rechtbank het jaar 2019 als uitgangspunt, zijnde het jaar waarin [de minderjarige 2] is geboren. Voor het bepalen van het behoefte van de kinderen bij de vrouw, moet allereerst haar NBI worden berekend. Ten tijde van de geboorte van [de minderjarige 2] ontving de vrouw een bijstandsuitkering. Haar NBI, inclusief kindgebonden budget bedraagt dan € 1.471,- per maand. De behoefte van de kinderen bedraagt dan € 258,- per maand. In 2019 ontving de man eveneens een bijstandsuitkering, zodat het NBI van de man, inclusief (fictief) kindgebonden budget, gelijk is aan dat van de vrouw en ook de behoefte van de kinderen bij de man gelijk is. De behoefte van de kinderen bedroeg dus in 2019 (gemiddeld) € 258,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] € 340,- per maand. De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld. Draagkracht vrouw De vrouw ontvangt nog altijd een bijstandsuitkering en is de ouder bij wie de kinderen staan ingeschreven. Conform het Rapport Alimentatienormen zal de rechtbank daarom haar draagkracht op nihil stellen. Draagkracht man Door de man is op de zitting inzage gegeven in zijn loonstrook van 2 december 2025. Hieruit volgt dat de man een brutoloon ontvangt van € 742,- per week, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank houdt verder rekening met de premies, inclusief pensioen, van in totaal € 21,- per maand en een premie WGA van netto € 2,- per maand. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 2.877,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.877 – (863 + 1.365)] = € 454,- per maand. Dit bedrag overstijgt de hier berekende behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 340,- per maand. Nu de vrouw geen draagkracht heeft, is het aandeel van de man in de kosten van de kinderen gelijk aan de behoefte van de kinderen van € 340,- per maand. Zorgkorting Tussen de man en de kinderen geldt geen vaste zorgregeling. De man ziet [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] af en toe. De rechtbank zal daarom rekening houden met een zorgkorting van 5%. Deze zorgkorting bedraagt dan € 17,- per maand. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man. Conclusie De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 323,- per maand. Nu het verzoek van de vrouw zich beperkt tot een bijdrage van in totaal € 300,- per maand, zal de rechtbank het verzochte bedrag vaststellen. Beslissing De rechtbank: bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ; [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] ; van € 150,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 februari 2026.