Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-26
ECLI:NL:RBDHA:2026:6915
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,038 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6915 text/xml public 2026-04-09T09:02:49 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-26 25/9051 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6915 text/html public 2026-04-09T09:01:43 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6915 Rechtbank Den Haag , 26-02-2026 / 25/9051 Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster heeft de Commissie Werkelijke Schade (CWS) verzocht om een aanvullende schadevergoeding voor de werkelijk geleden schade. Zij heeft vervolgens verzocht om betaling van een voorschot (€ 12.000,-) op deze aanvullende vergoeding. Verweerder heeft aan verzoekster een voorschot van € 600- toegekend. Verzoekster is het niet eens met de hoogte van het toegewezen voorschot en heeft de voorzieningenrechter hangende de bezwaarprocedure verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken van een dreigende uithuiszetting of een andere dusdanig spoedeisende situatie. Verder is niet gebleken dat het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Verzoek afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9051 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [woonplaats], [land], verzoekster (gemachtigde: mr. C.M.F.M. van Rijckevorsel), en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. F. Tarrahi). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende de bezwaarprocedure over de hoogte van het toegewezen voorschot. 1.1. Verzoekster heeft de Commissie Werkelijke Schade (CWS) verzocht om een aanvullende schadevergoeding voor de werkelijk geleden schade. Zij heeft vervolgens verzocht om betaling van een voorschot (€ 12.000,-) op deze aanvullende vergoeding. 1.2 Verweerder heeft met het besluit van 8 oktober 2025 aan verzoekster een voorschot van € 600,- toegekend. Dit bedrag is meteen uitbetaald. 1.3. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. Verzoekster heeft een aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag gedaan (toeslagjaren 2009 en 2010). Zij heeft volgens verweerder geen recht op compensatie voor het toeslagjaar 2010, maar wel voor toeslagjaar 2009 (compensatie vooringenomenheid). Bij beslissing van 6 november 2024 (UHTDCHO) heeft verweerder de definitieve vergoeding berekend, op een bedrag van € 17.238,-. Deze definitieve vergoeding is lager dan het bedrag van € 30.000,- dat verzoekster al van verweerder heeft gekregen (Catshuisregeling). Zij hoeft het bedrag dat het bedrag van de definitieve vergoeding overstijgt niet terug te betalen (€ 12.762,-). 2.1. Verzoekster heeft vervolgens op 16 april 2025 een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Hierop is nog niet beslist. Verzoekster heeft op 18 september 2025 een voorschot van € 12.000,- gevraagd op de werkelijk geleden schade. Bij besluit van 8 oktober 2025 (UHT-CWS VS) heeft verzoekster een voorschot van € 600,- ontvangen. Volgens verweerder kan er in totaal maximaal € 22.750,- aan immateriële schade worden uitbetaald. Dit maximum bedrag wordt volgens verweerder nu behaald, door de uitbetaling van € 600,-, de eerdere uitbetaling van € 9.442,- aan immateriële schadevergoeding bij de definitieve compensatiebeschikking, en het bedrag van € 12.762,- dat verzoekster eerder al kreeg uitbetaald in het kader van de Catshuisregeling (althans licht overschreden, totaal à € 22.804,-). Verzoekster is het niet eens met het bedrag dat zij aan voorschot heeft ontvangen. Deze zaak gaat over de vraag of haar verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen. Wat vindt verzoekster? 3. Verzoekster stelt dat sprake is van een spoedeisend belang. De behandeling van haar bezwaarschrift zal naar verwachting lang duren, het is voor verzoekster niet mogelijk om deze af te wachten. Zij heeft geldleningen moeten afsluiten om in haar primaire levensbehoeften te kunnen voorzien. Zij heeft twee leenovereenkomsten overgelegd om dit te onderbouwen (lening verstrekt door ACU en door MCB). Zij kan niet aan haar aflossingsverplichtingen voldoen en heeft daarnaast een achterstand op haar huur opgelopen. Ze loopt het risico dat zij uit haar huurhuis wordt gezet en dat er loonbeslag zal worden gelegd. Zij draagt tegelijkertijd bij aan de huur van haar (voorheen dakloze) zoon. Ook heeft zij noodgedwongen kosten moeten maken om naar Nederland te reizen, om de nodige bewijzen te verzamelen voor de beroepsprocedures die op dit moment lopen. Verzoekster voldoet aan de aanvullende voorwaarden voor het verlenen van een voorschot. Het is niet duidelijk waarop verweerder baseert dat een maximaal bedrag van € 22.750,- (immateriële schadevergoeding) zal worden geadviseerd door CWS. Het is niet correct dat er reeds € 9.442,- aan immateriële schadevergoeding is betaald in het kader van de integrale beoordeling. Verzoekster merkt daarbij op dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen de uitkomst van de integrale beoordeling, de hoogte van die vergoeding is nog niet onherroepelijk. Zij verwacht dat het bedrag dat zij in het kader van de Catshuisregeling ‘te veel’ heeft ontvangen, hierdoor ook lager zal uitvallen. Verzoekster doet een beroep op het motiveringsbeginsel, beginsel van zorgvuldige voorbereiding en vraagt om een deugdelijke belangenafweging. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 4.1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van het bezwaar of de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden betaald. Dit is slecht anders als er een onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood, of als er sprake is van een evident onrechtmatig besluit. 4.2. Naast de twee leenovereenkomsten heeft de gemachtigde van verzoekster op zitting nog verschillende stukken overgelegd. Hierbij zitten in aanvulling op de leenovereenkomsten een loonstrook van de maand november 2025, de huurovereenkomst (per 1 maart 2018), en een aanmaning van ACU Credit Union (begin datum einddatum 01/12/2025 31/12/2025) waarin staat vermeld dat er een achterstand op de aflossing van de lening is ontstaan, doordat verzoekster twee maandtermijnen niet heeft betaald. Uit het overzicht dat verzoekster ook heeft overgelegd blijkt dat zij circa € 109,- per maand kan besteden aan primair levensonderhoud en aan benzine, voor woon-werkverkeer. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de overgelegde stukken weliswaar volgt dat verzoekster het financieel lastig heeft, maar dat hieruit nog niet kan worden opgemaakt dat op dit moment sprake is van een dreigende uithuiszetting of een andere dusdanig spoedeisende situatie. 4.3. Verder is niet gebleken dat het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in stand zal blijven. Daar zijn geen aanwijzingen voor. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat in de zaak mee speelt of het bedrag dat is vastgesteld in het kader van de integrale beoordeling correct is. Partijen verschillen hierover van mening. Dit vraagt een meer indringende beoordeling, waarvoor deze voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent.