Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:6802
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,535 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6802 text/xml public 2026-04-07T15:08:17 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-24 C/09/690207 / FA RK 25-6208 en C/09/700141 / FA RK 26-1844 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6802 text/html public 2026-04-07T15:07:53 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6802 Rechtbank Den Haag , 24-02-2026 / C/09/690207 / FA RK 25-6208 en C/09/700141 / FA RK 26-1844 I. Toewijzing aansluitende machtiging tot het verlenen van verplichte zorg II. Afwijzing verzoek tot beëindiging verplichte zorg RECHTBANK DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaak-/rekestnr.: C/09/690207 / FA RK 25-6208 en C/09/690207 / FA RK 25-6208 Datum beschikking: 24 februari 2026 I. Aansluitende machtiging tot het verlenen van verplichte zorg II. Afwijzing verzoek tot beëindiging verplichte zorg Beschikking naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek (I) tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en het verzoek (II) tot het beëindigen van de zorgmachtiging als bedoeld in artikel 8:19 Wvggz, ten aanzien van: [betrokkene] , hierna te noemen: betrokkene, geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , thans verblijvende in de accommodatie [accommodatie] te [plaats] , advocaat: mr. C.J.M. Dreessen te Sittard. Procesverloop Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 15 augustus 2025 (verzoek I), heeft de officier van justitie verzocht om een aansluitende zorgmachtiging. Bij beschikking van deze rechtbank van 2 september 2025 is het verzoek tot aansluitende zorgmachtiging toegewezen voor de duur van 6 maanden en aangehouden voor het overige teneinde een second opinion op te stellen. Bij verzoekschrift (I) zijn de volgende bijlagen gevoegd: - de beschikking van 2 september 2025 en de daarin genoemde stukken; - een op 30 januari 2026 ondertekende medische verklaring van [naam 1] , psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was; - een zorgplan van 26 januari 2026. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 24 februari 2026 (verzoek II), heeft de officier van justitie verzocht te beslissen op het door de advocaat van betrokkene ingediende verzoek tot beëindiging van de verplichte zorg ex artikel 8:19 Wvggz. Bij verzoekschrift (II) zijn de volgende bijlagen gevoegd: - het verzoekschrift aan de rechtbank om te beslissen ex artikel 8:19 Wvggz van 24 februari 2026; - een op 23 februari 2026 ondertekende medische verklaring van A. Roman, psychiater; - het verzoek tot indiening van een verzoekschrift voor beëindiging van verplichte zorg ex artikel 8:19, eerste lid Wvggz; - het verzoek tot beëindiging van verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging van 20 februari 2026; - e-mailcorrespondentie met betrekking tot het verzoek ex artikel 8:19 Wvggz. De mondelinge behandeling van de (aangehouden) verzoeken heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Daarbij zijn gehoord: - betrokkene, telefonisch bijgestaan door zijn advocaat; - de verslavingsarts, [naam 2] ; - de moeder van betrokkene tevens mentor, [naam 3] (telefonisch). Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord. Standpunten ter zitting De betrokkene heeft naar voren gebracht dat het niet goed gaat met hem, hij is het niet eens met de diagnose die hem nu al zo lang achtervolgt. Volgens betrokkene hoort hij niet thuis op de afdeling waar hij verblijft. Betrokkene geeft aan dat hij de medicatie niet zou innemen als het niet verplicht is. Hij wil graag begeleid wonen met hulp bij praktische zaken maar zonder al te veel bemoeienis. De advocaat van betrokkene bepleit afwijzing van verzoek I en toewijzing van verzoek II. De opmerkingen die zijn neergelegd in verzoek II gelden ook voor verzoek I. Op 25 oktober 2025 is bij Parnassia al verzocht om een second opinion. Betrokkene zit in een uitzichtloze situatie. Het ernstig nadeel vindt in de instelling zelf plaats omdat betrokkene geen behandeling krijgt en hij drugs kan gebruiken. Het uitvoeren van de zorgmachtiging is niet langer doelmatig, er is niet voldaan aan de wettelijke criteria voor een zorgmachtiging. Als betrokkene perspectief heeft, is hij wel bereid om medicatie te nemen. Er wordt te veel gevraagd van betrokkene terwijl de zorgverantwoordelijken hun verantwoordelijkheid niet nemen. De verslavingsarts heeft naar voren gebracht dat er nog geen second opinion is, de betrokkene is daarvoor wel aangemeld bij de polikliniek maar het zal nog enkele weken duren alvorens de second opinion er is. Betrokkene verzet zich tegen de gestelde diagnose. Betrokkene verbleef voorafgaand aan de huidige opname bij de Langdurige Intensieve Behandeling, maar het middelengebruik was een probleem, daarom is betrokkene overgeplaatst naar de huidige afdeling. De vorm van verplichte zorg ‘opnemen in een accommodatie’ dient te worden toegewezen. Momenteel verblijft betrokkene op vrijwillige basis in de accommodatie en het is belangrijk om het verblijf in een verplicht kader voort te kunnen zetten als de noodzaak daartoe blijkt. Op de afdeling wordt een verslechtering van het psychiatrische beeld waargenomen, er kan wegens het aanhoudende middelengebruik geen nadere diagnostiek worden gedaan. Momenteel kan betrokkene niet worden aangemeld bij een andere woonvorm. Het is te prematuur om de zorgmachtiging te beëindigen, betrokkene zou zijn medicatie dan niet meer innemen, hetgeen zou leiden tot ernstig nadeel. Het is daarnaast voor betrokkene essentieel dat hij dagbesteding heeft. De moeder van betrokkene heeft naar voren gebracht dat het spijtig is dat betrokkene voor het eerst sinds drie jaar weer cocaïne gebruikt. Op de huidige afdeling wordt dit gedoogd, betrokkene heeft te veel mogelijkheden daar. Betrokkene heeft geen alternatieven als het gaat om een woonplek. Volgens zijn moeder heeft betrokkene een woonplek met strikt toezicht nodig om hem daadwerkelijk vooruit te helpen. Beoordeling Verzoek tot aansluitende machtiging tot het verlenen van verplichte zorg (verzoek I) Op 2 september 2025 is door de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden tot en met 2 maart 2026, het verzoek is aangehouden voor het overige. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat betrokkene lijdt aan psychische stoornissen, te weten schizofrenie, afhankelijkheid van cannabis en cocaïne, antisociaal gedrag waarschijnlijk toenemend bij craving naar middelen of in episoden van verhoogde symptomatologie en sterke wens tot autonomie. Daarnaast is er bij betrokkene sprake van een licht verstandelijke beperking. Deze stoornissen leiden tot ernstig nadeel, gelegen in: - ernstig lichamelijk letsel; - ernstige psychische schade; - ernstige materiële schade; - ernstige verwaarlozing; - maatschappelijke teloorgang; - de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept. In het verleden heeft betrokkene herhaaldelijk doodsbedreigingen geuit jegens derden waaronder zijn familie. Ook is er herhaaldelijk sprake van bedreiging richting hulpverleners, woonbegeleiders en behandelaren. Tijdens de vorige opname heeft betrokkene met voorwerpen gegooid en is hij over een 5 meter hoog hek geklommen om zich aan de zorg te kunnen onttrekken. Ten tijde van decompensatie is er sprake van afdelingsontwrichtend gedrag. Betrokkene gebruikt sinds kort ook weer regelmatig base-cocaïne wat zorgt voor een toename van de psychotische klachten. Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen zodanig dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig. Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn.
Volledig
Betrokkene geeft aan dat hij al jaren ten onrechte is opgenomen in de GGZ. Hij wil op zichzelf gaan wonen zonder bemoeienissen van de hulpverlening. Betrokkene is ervan overtuigd dat hij geen psychiatrische klachten heeft. Om die reden is verplichte zorg nodig. De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden: - toedienen van medicatie; - verrichten medische controles; - andere medische handelingen en therapeutische maatregelen; - beperken van de bewegingsvrijheid; - insluiten; - uitoefenen van toezicht op betrokkene; - onderzoek aan kleding of lichaam; - onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen; - controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen; - aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen; - opnemen in een accommodatie. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De verplichte zorg is bovendien evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. In de nieuwe medische verklaring zijn de psychische stoornissen wederom vastgesteld door de onafhankelijke psychiater. Er is sprake van onaanvaardbaar risico op ernstig nadeel: betrokkene heeft geen huis, geen dagbesteding en er is sprake van psychische klachten als gevolg van het middelengebruik. Betrokkene verzet zich tegen de geboden zorg en is ambivalent jegens de medicatie. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor betrokkene teleurstellend is dat er nog altijd geen second opinion is, is aan de vereisten voor een zorgmachtiging wel voldaan. Zoals op de zitting toegelicht door de arts zal er binnen afzienbare tijd wel een second opinion zijn. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal daarom voor de resterende duur worden verleend. Verzoek tot beëindiging verplichte zorg (verzoek II) Ten aanzien van het verzoekschrift dat ziet op het beëindigen van de verplichte zorg, stelt de geneesheer-directeur zich op het standpunt dat het verzoek feitelijke grondslag mist omdat betrokkene op dit moment op vrijwillige basis in de instelling verblijft en er op dit moment wat dat betreft geen dwang wordt toegepast De rechtbank volgt het standpunt van de geneesheer-directeur daarin niet. Op dit moment is er een zorgmachtiging die het mogelijk maakt dat betrokkene gedwongen kan worden in een accommodatie te verblijven. Daarvan kan beëindiging worden verzocht. Dat op dit moment geen uitvoering wordt gegeven aan deze vorm van verplichte zorg, maakt dat niet anders. De rechtbank acht beëindiging van de verplichte zorg echter niet aan de orde, omdat de doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz niet zijn behaald. Ook wordt nog steeds voldaan aan de gronden voor de zorgmachtiging zoals hiervoor reeds overwogen. Hoewel betrokkene de diagnose betwist gaat de rechtbank uit van de door de artsen gestelde diagnose, zoals onder meer vermeld in de medische verklaring. Er is voldaan aan de criteria van verplichte zorg en daarom is beëindiging van de lopende zorgmachtiging niet aan de orde. Dat betekent niet dat de rechtbank geen oog voor het feit dat betrokkene zijn situatie als uitzichtloos ervaart. Dat hij dit gevoel heeft is voorstelbaar. De rechtbank heeft echter geen aanleiding om te veronderstellen dat, zoals door de advocaat betoogd, de behandelverantwoordelijken hun verantwoordelijkheden uit de weg gaan of geen aandacht hebben voor de mogelijkheden om betrokkene weer terug te laten keren in de samenleving. De verplichte zorg is op dit moment het enige reële alternatief om het dreigend ernstig nadeel zoveel mogelijk te voorkomen. Verplichte zorg middels een zorgmachtiging is op dit moment de enige reële mogelijkheid gebleken om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen zodanig dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Beslissing De rechtbank: verleent een zorgmachtiging ten aanzien van: [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen: - toedienen van medicatie; - verrichten medische controles; - andere medische handelingen en therapeutische maatregelen; - beperken van de bewegingsvrijheid; - insluiten; - uitoefenen van toezicht op betrokkene; - onderzoek aan kleding of lichaam; - onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen; - controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen; - aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen; - opnemen in een accommodatie; bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 2 september 2026; wijst het verzoek ex artikel 8:19 van de Wvggz af. Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. F.H. Lüchinger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 februari 2026. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 10 maart 2026. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.