Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:6632
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,035 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6632 text/xml public 2026-04-02T10:04:15 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-11 NL24.44116 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6632 text/html public 2026-03-26T11:44:20 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6632 Rechtbank Den Haag , 11-03-2026 / NL24.44116 Samenvatting: Eiseres heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning op basis van artikel 8 van het EVRM ingediend. De minister heeft vervolgens aan eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning voor ‘medische behandeling’ verleend en zich op het standpunt gesteld dat omdat eiseres in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor medische behandeling, verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM niet meer aan de orde is. De rechtbank volgt eiseres dat de toetsingsvolgorde die de minister heeft aangehouden niet in lijn is met de toetsingssystematiek van het Vb. Verder kan het ook niet zo zijn dat de minister de inhoudelijke beoordeling van de specifieke aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM kan omzeilen door verlening van een tijdelijke medische verblijfsvergunning. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.44116 [v nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1940 en van Russische nationaliteit, eiseres, (gemachtigde: mr. N. Vreede) en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. R.R. Scholtens en R.I. Schreinemachers). Procesverloop 1. Eiseres heeft op 21 april 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij mevrouw [referente] (hierna: referente)’. Met het primaire besluit van 27 november 2022 is die aanvraag afgewezen. 1.1. Met het bestreden besluit van 13 oktober 2024 is het bezwaar, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM , ongegrond verklaard. Ambtshalve is aan eiseres een vergunning voor medische behandeling verleend, geldig van 19 juni 2024 tot 19 juni 2025. Met het besluit van 19 mei 2025 is deze verblijfsvergunning verlengd, geldig van 19 juni 2025 tot 19 juni 2026. 1.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, referente en de gemachtigden van partijen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de beroepsgronden die zij heeft aangevoerd. 3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hieronder zal verder worden toegelicht hoe de rechtbank tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen dat oordeel heeft. Het bestreden besluit 4. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor ‘medische behandeling’. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de minister dat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met dit artikel, ook los van de vraag of er sprake is van familieleven tussen eiseres en referent en haar gezin op grond van artikel 8 van het EVRM. Bij de beoordeling van artikel 8 van het EVRM dienen de daadwerkelijke feiten en omstandigheden te worden betrokken. Omdat eiseres in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor medische behandeling, is verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM niet meer aan de orde. Het verlenen van een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel ‘familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’ in Nederland is namelijk pas aan de orde als haar uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Voor zover sprake zou zijn van familie- of privéleven, is er in deze situatie geen inmenging in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Eiseres hoeft namelijk niet naar Rusland terug te keren en kan in Nederland blijven, haar medische behandeling blijven verkrijgen en contact met haar familieleden houden. Aangezien aan eiseres een verblijfsvergunning is verleend, beoordeelt de minister de schrijnendheid of de weging van de bijzondere omstandigheden van het individuele geval niet. Had de minister inhoudelijk artikel 8 van het EVRM moeten toetsen? 5. Eiseres stelt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM omdat hij ambtshalve een medische vergunning heeft verleend. Daarmee is de minister ten onrechte niet inhoudelijk ingegaan op de gronden van bezwaar van eiseres over het bestaan van beschermenswaardig familieleven. Een vreemdeling kan namelijk een aanvraag indienen op grond van 8 van het EVRM en deze op de inhoud laten toetsen, ook als er geen uitzettingsdreiging is of als er op dat moment al een andere verblijfsvergunning is verleend. De beoordeling is immers of een eventuele uitzetting (ongeacht of die dreigt of niet) tot een ongerechtvaardigde inbreuk op iemands privéleven of gezinsleven zou leiden. De minister dient eerst te motiveren waarom de vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM wordt afgewezen. Daarna pas toetst de minister ambtshalve door aan de opgesomde vergunningen in artikel 3.6, eerste lid, van het Vb . Artikel 8 van het EVRM is ook als zelfstandige mvv -vrijstellingsgrond toegevoegd aan artikel 3.71, tweede lid, van het Vb en daarmee is artikel 8 van het EVRM als grond voor vergunningverlening opgenomen. Eiseres verwijst verder naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 juli 2024. In die zaak had de vreemdeling eveneens ambtshalve een verblijfsrecht op medische gronden gekregen die enkel en alleen het gevolg was van de afwijzing van een vergunning op basis van artikel 8 van het EVRM. Ook in die zaak verwijst de minister naar de ambtshalve verleende verblijfsvergunning als motivering dat artikel 8 van het EVRM niet geschonden wordt en dat er geen inhoudelijke reactie op de gronden van bezwaar noodzakelijk is. De rechtbank ging daar niet in mee. Ten slotte is het vaste gedragspraktijk dat een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op basis van artikel 8 van het EVRM inhoudelijk wordt getoetst (en verleend) indien artikel 8 van het EVRM in de weg zou staan aan (hypothetische) uitzetting ook wanneer een vreemdeling al in het bezit is van een verblijfsvergunning. 6. De rechtbank overweegt als volgt. 6.1. Uit artikel 3.6, eerste lid, van het Vb volgt – kort gezegd – dat bij de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alsnog ambtshalve een (andere) verblijfsvergunning kan worden verleend. De systematiek van de wet wijst er derhalve op dat pas als (definitief) is afgekaart dat de aanvraag van eiseres op basis van artikel 8 van het EVRM niet slaagt, ambtshalve verlening van een medische vergunning aan de orde is. Eiseres heeft er daarom belang bij dat haar aanvraag in de bezwaar en in de beroepsfase wordt getoetst aan artikel 8 van het EVRM. 6.2. Eiseres heeft een aanvraag voor een vergunning op basis van artikel 8 van het EVRM ingediend en geen aanvraag voor een medische vergunning. Het betreft hier een wezenlijk andere situatie dan wanneer een vreemdeling een vergunning heeft en vervolgens een aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM indient. De minister heeft de bezwaargronden tegen de afwijzing van de gevraagde vergunning inhoudelijk niet beoordeeld en de afwijzing gehandhaafd, omdat ambtshalve een andere vergunning wordt verleend. De toetsingsvolgorde die de minister heeft aangehouden is niet in lijn met de toetsingssystematiek van het Vb. De minister is gehouden om de aangevraagde vergunning te toetsen. 6.3. De enkele omstandigheid dat de minister in de primaire fase meent dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergunning op basis van artikel 8 van het EVRM is geen reden in de bezwaarfase niet te toetsen of eiseres voor de aangevraagde vergunning in aanmerking komt.