Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:6491
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,756 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6491 text/xml public 2026-04-08T09:30:21 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-25 NL26.10565 en NL26.10566 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6491 text/html public 2026-04-07T09:27:28 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6491 Rechtbank Den Haag , 25-03-2026 / NL26.10565 en NL26.10566 herhaald en ingelast, interstatelijk vertrouwensbeginsel, art. 3 EVRM, art. 4 Handvest, art. 17 Dvo, refoulement RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.10565 en NL26.10566 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. D. de Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting 2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit. Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser stelt de Kameroense nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2001 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verzoekt om hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser stelt dat ten aanzien van Duitsland niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser vreest gevaar te lopen bij terugkeer naar Duitsland, aangezien hij getraumatiseerd zou zijn. Volgens eiser leidt overdracht op een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarnaast vreest eiser voor refoulement bij overdracht aan Duitsland. Tot slot beroept eiser zich op artikel 17 van de Dublinverordening. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van Duitsland nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder er in beginsel vanuit mag gaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. 6. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024. Uit deze uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor is overwogen kan ten aanzien van Duitsland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op refoulement. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zijn asielverzoek in behandeling had moeten nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat zijn overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Wat betreft de stelling van eiser dat hij is getraumatiseerd door hetgeen wat hij heeft meegemaakt, deze stelling volgt de rechtbank niet. Eiser heeft geen enkele stuk overlegd waaruit blijkt dat hij is getraumatiseerd. Ook heeft eiser niet onderbouwd door welke omstandigheden hij is getraumatiseerd. Het bestreden besluit is naar het oordeel dan ook zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. 8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. 9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. D. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588. Zie de uitspraak van het Hof van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934. Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.