Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:6447
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,038 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6447 text/xml public 2026-04-03T14:44:43 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-19 NL26.12382 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6447 text/html public 2026-04-03T14:44:08 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6447 Rechtbank Den Haag , 19-03-2026 / NL26.12382 Artikel 59 / TKB rechtmatig / schending artikel 28 Wbtv (gebrek) / deels gronden niet bestreden / voldoende voortvarend / voldaan adrar toets / ongegrond + pkv RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12382 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.I. Vennik), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. J.A. Herlaar). Procesverloop Bij besluit van 28 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen V. Sharma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt de Indiase nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1973. 2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3. De gemachtigde van eiser voert aan dat een rechtmatig terugkeerbesluit ten grondslag moet worden gelegd aan de maatregel. In het terugkeerbesluit heeft verweerder ook geen motivering opgenomen omtrent eisers privé- en gezinsleven. In het proces-verbaal van gehoor is opgenomen dat eiser is gehoord met een beëdigde tolk Hindi, maar in het M110 gehoor is geen gebruik gemaakt van een beëdigde tolk Hindi. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom er tijdens dit gehoor geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk. Hiermee heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). Verder worden de zware en lichte gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel betwist. Tot slot blijkt uit het dossier niet welke uitzettingshandelingen verweerder heeft verricht. Niet gecontroleerd kan worden of verweerder voldoende voortvarend handelt. 4. De rechtbank overweegt het volgende. 5. De bewaringsrechter die niet ook terugkeerbesluitrechter is, mag niet over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit oordelen. Alleen de vraag of er een terugkeerbesluit voorligt waarop de maatregel kan worden gebaseerd, mag de bewaringsrechter bij de beoordeling van het beroep tegen de bewaringsmaatregel betrekken. Dit komt erop neer dat de bewaringsrechter controleert of het terugkeerbesluit voldoet aan de specifieke eisen die hiervoor worden gesteld . De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit - dat aan eiser is uitgereikt - aan de daarvoor gestelde eisen voldoet en dat de maatregel (en de voortduring daarvan) daarop kon worden gebaseerd. Eventuele gronden tegen het terugkeerbesluit kan eiser naar voren brengen in de procedure tegen het terugkeerbesluit. 6. Op grond van artikel 28 van de Wbtv maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid kan, in afwijking van het eerste lid, gebruik worden gemaakt van een tolk die niet beëdigd is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is óf indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld. 6.1. Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 19 februari 2014 en 29 april 2019 volgt dat artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv wat betreft de motivering geen andere eis stelt dan dat verweerder de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze redenen één van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Verweerder moet dan toelichten waarom geen beëdigde tolk beschikbaar was, zodat de rechtbank desgewenst kan nagaan of hij zich heeft gehouden aan de in artikel 28 van de Wbtv voor die situatie geldende voorwaarde. 6.2. Verweerder heeft in het opgemaakte proces-verbaal van gehoor noch in het besluit van 28 februari 2026 nader toegelicht waarom in dit geval geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk. Het voorgaande betekent dat aan de maatregel van inbewaringstelling een gebrek kleeft. Dit betekent echter niet zonder meer dat de maatregel van bewaring daarom onrechtmatig is. De maatregel is pas onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. Dat oordeel motiveert de rechtbank als volgt. 6.3. Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel blijkt niet dat eiser de tolk niet goed heeft verstaan of begrepen, of dat hij zijn verklaringen niet goed naar voren heeft kunnen brengen. Niet blijkt dat sprake is geweest van communicatieproblemen tussen eiser en de tolk. De antwoorden van eiser geven er ook geen blijk van dat hem als gevolg daarvan de mogelijkheid is ontnomen om zijn zienswijze te geven op de maatregel van bewaring. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser ook niet nader onderbouwd wat eiser eventueel nog meer had willen aanvoeren in het gehoor. Daarnaast is van belang dat er meerdere gronden zijn die door verweerder terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd waarmee het risico op onttrekking aan het toezicht is onderbouwd. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de met de maatregel gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek. 7. De rechtbank stelt vast dat de zware grond onder 3b, en de lichte gronden onder 4a en 4d niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. Gelet hierop hoeven de overige door eiser bestreden gronden geen bespreking meer. 8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat op 5 maart 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden, op 6 maart 2026 is de laissez-passer-aanvraag afgerond en op 9 maart 2026 is de aanvraag per post naar de autoriteiten van India gestuurd. 9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest of op dit moment onrechtmatig voortduurt. 10. Desgevraagd heeft verweerder meegedeeld dat er voldoende gevolg is gegeven aan de Adrar-toets .