Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:6424
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,177 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6424 text/xml public 2026-04-03T14:11:10 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-06 C/09/693066 / KG ZA 25-1011 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6424 text/html public 2026-04-03T14:10:30 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6424 Rechtbank Den Haag , 06-01-2026 / C/09/693066 / KG ZA 25-1011 Kort geding. Contactverbod. Na echtscheiding ouders is contact tussen vader en zoon verbroken. Vader wil contact met inmiddels meerderjarige zoon herstellen, zoon wil dat niet. Contactpogingen vader hebben negatief effect op zoon. Door in deze omstandigheden contact op te blijven nemen met de zoon, handelt vader onrechtmatig jegens de zoon. Contactverbod voor de duur van een jaar. Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/693066 / KG ZA 25-1011 Vonnis in kort geding van 6 januari 2026 in de zaak van [de zoon] wonend op een geheim adres, eiser, advocaat mr. J.A.M. de Kerf te Goes, tegen: [de vader] te [woonplaats], [gemeente], gedaagde, advocaat mr. R.P. Adema te Harderwijk. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de zoon’ en ‘de vader’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met daarbij en daarna overgelegde producties 1 tot en met 14; - de door de vader overgelegde conclusie van antwoord. 1.2. Op 20 november 2025 is de mondelinge behandeling gehouden. Hierbij zijn door de zoon pleitnotities overgelegd. In de pleitnotities heeft de zoon een wijziging van eis opgenomen. De vader heeft zich tegen deze eiswijziging niet verzet, zodat deze in aanmerking wordt genomen. 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling is de zaak pro forma aangehouden tot 13 december 2025 om partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in onderling overleg te beëindigen. Bij brief van 9 december 2025 heeft de zoon laten weten dat een regeling niet tot de mogelijkheden behoord en gevraagd vonnis te wijzen. Bij bericht van 22 december 2025 heeft de vader bevestigd dat geen regeling is getroffen en zich neergelegd bij het verzoek om vonnis te wijzen. Vonnis is daarna bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. De vader is getrouwd geweest met de moeder van de zoon (hierna: de moeder). De ouders zijn in januari 2018 uit elkaar gegaan. De zoon is geboren op [geboortedatum] 2004 en was toen zijn ouders uit elkaar gingen 13 jaar oud. Inmiddels is de zoon 21 jaar oud. De vader en de moeder hebben nog twee kinderen, die momenteel 14 jaar en 11 jaar oud zijn. 2.2. De zoon en de andere twee kinderen zijn na het uiteengaan van de ouders bij de moeder blijven wonen. De vader en de zoon hebben elkaar in oktober 2018 voor het laatst gezien. Daarna hebben zij geen contact meer met elkaar gehad. Ook tussen de andere twee kinderen van de ouders en de vader heeft al geruime tijd geen contact plaatsgevonden. Hierover is tussen de vader en de moeder nog een procedure bij de rechtbank Gelderland aanhangig. 2.3. In april en mei 2024 heeft de vader verzoeken ingediend om de zoon te kunnen volgen via Snapchat en Instagram. De zoon heeft dit geweigerd. 2.4. Op 20 april 2024 heeft de vader een e-mail gestuurd naar het e-mailadres van de studentenvereniging van de zoon. Per sms van 14 mei 2024 heeft de vader gevraagd of de zoon de e-mail had gelezen. 2.5. Op 9 september 2024, 10 oktober 2024 en 7 november 2024 heeft de vader e-mails gestuurd aan het e-mailadres van de studentenvereniging van de zoon en aan het e-mailadres van de zoon zelf. De strekking van de e-mails is dat de vader laat weten dat hij de zoon mist en dat hij graag weer contact wil hebben. 2.6. In oktober 2024 heeft de vader een verjaardagskaart aan de zoon gestuurd. 2.7. Bij brief van 11 december 2024 heeft de advocaat van de zoon als volgt bericht aan de vader, voor zover van belang: “Ik schrijf u deze brief op verzoek van uw zoon [de zoon]. U probeert reeds geruime tijd en op diverse manieren (o.a. via derden) in contact te komen met hem. [de zoon] is hier echter helemaal niet van gediend. Hij wil nl. op geen enkele manier meer contact met u. Daarvoor is in het verleden teveel gebeurd. En daarom ook heeft hij niet meer op uw contactverzoeken gereageerd. Ik besef dat dit vervelend en pijnlijk voor u is. Echter, nu dit de uitdrukkelijke wens is van [de zoon], zult u zich hier aan dienen te houden. Ik verzoek u dan ook om noch hem noch anderen (bv. medestudenten, of wie dan ook) te benaderen waarvan u denkt of hoopt dat zij u met hem in contact kunnen brengen. Indien u zich hier niet aan houdt, dan zal ik mij moeten beraden over rechtsmaatregelen. (…) (…)” 2.8. In 2024 heeft de vader een kerstkaart gestuurd aan de zoon. 2.9. Op enig moment heeft een zus van de vader een sms-bericht aan de zoon gestuurd, waarin zij de zoon onder meer heeft geschreven dat de vader verdrietig is over de situatie die na de scheiding is ontstaan en dat hij zijn kinderen ontzettend mist. 2.10. Begin 2025 heeft de advocaat van de vader een brief gestuurd aan de advocaat van de zoon, met daarbij als bijlage een brief voor de zoon. Bij brief van 27 februari 2025 heeft de advocaat van de zoon de brief voor de zoon ongelezen geretourneerd. In de brief van 27 februari 2025 staat verder, voor zover relevant, het volgende: “(…) Daarnaast sommeer ik uw cliënt voor het laatst om zich van alle directe en indirecte contacten met cliënt te onthouden. Anders volgt er een kort geding met een forse dwangsom. (…)” 2.11. Per e-mail van 6 mei 2025 aan de zoon en zijn moeder heeft de vader bericht dat hij met ingang van die maand de kinderalimentatie niet langer aan de moeder, maar rechtstreeks aan de zoon overmaakt. Dit heeft hij vervolgens ook gedaan, waarbij hij in mei 2025 bij de overschrijving als tekst heeft vermeld “Alimentatie vanaf nu op je eigen rek. ipv de rek. van je moeder” en “Had ik al va 18jr moeten doen sorry”. Bij de overschrijvingen in juni, juli en augustus 2025 staat telkens vermeld “Ik hou van je en mis je” . 2.12. Op 27 juli 2025 heeft de vader een verzoek om de zoon via Instagram te kunnen volgen ingediend. 2.13. Op 15 september 2025 heeft de vader een e-mail met de volgende inhoud aan de zoon gestuurd: “Mijn lieve zoon [de zoon], Ik wens je heel veel succes met je studie en met alle andere dingen die je doet. Ik zou het leuk vinden om te horen wat je allemaal doet. Ik mis je enorm en houd zielsveel van je. Liefs, Je papa” 2.14. Per e-mail van 16 september 2025 heeft de advocaat van de zoon aan de advocaat van de vader laten weten dat een kort geding gestart zal worden, omdat de sommatie aan de vader om geen contact op te nemen geen, althans onvoldoende, effect heeft gehad. In reactie daarop heeft de advocaat van de vader per e-mail van dezelfde datum laten weten dat de dagvaarding op zijn kantoor betekend mag worden. 2.15. Op 14 november 2025 is de zoon door zijn huisarts verwezen naar een psycholoog. 3 Het geschil 3.1. De zoon vordert – zakelijk weergegeven – de vader: 1. te verbieden om - primair onbepaalde tijd na dit vonnis, - subsidiair voor een periode van vijf jaar direct of indirect (via familie, bekenden, derden, via alle communicatiekanalen – telefonisch, per e-mail, sociale media of op fysieke wijze) met de zoon contact op te nemen, te zoeken of te hebben en/of zich op storende wijze uit te laten; 2. te veroordelen om voor de zoon bestemde alimentatie- en andere betalingen vanaf de datum van dit vonnis over te maken op het hem bekende rekeningnummer van de moeder van de zoon; 3. te veroordelen om aan de zoon een dwangsom te betalen van € 500,= voor iedere keer dat de vader niet aan het contactverbod voldoet, met verlening van verlof aan de zoon om lijfsdwang ten uitvoer te leggen voor een periode van maximaal drie dagen per overtreding; 4.
Volledig
de zoon te machtigen het contactverbod zo nodig te doen naleven met behulp van de sterke arm van politie en justitie; alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure. 3.2. Daartoe voert de zoon – samengevat – het volgende aan. De vader neemt op een hinderlijke manier contact op met de zoon. Dit levert een forse inbreuk op het privéleven en de persoonlijke levenssfeer van de zoon en is daarom onrechtmatig jegens de zoon. Aan deze onrechtmatige daad moet een einde komen door middel van een contactverbod, dat primair voor onbepaalde tijd moet gelden. De zoon realiseert zich dat deze termijn vergaand is, maar daar heeft de vader het volgens hem door zijn gedragingen zelf naar gemaakt. Bovendien moet voorkomen worden dat de vader daags na afloop van een vastgestelde periode zelf weer contact opneemt. Mocht de zoon in de toekomst behoefte hebben aan contact, dan zal de zoon daar zelf het initiatief toe nemen. De vader grijpt betalingen aan de zoon ook aan om contactverzoeken voort te zetten. Daarom vordert de zoon ook dat de vader veroordeeld wordt (alimentatie)betalingen ten behoeve van de zoon niet aan hem maar aan zijn moeder over te maken. De zoon vordert het contactverbod op straffe van een dwangsom en op straffe van lijfsdwang. De zoon kan de financiële situatie van de vader niet inschatten en weet dus niet of een dwangsom een prikkel zal zijn om zich aan het verbod te houden. Daarnaast is het gelet op de volhardende houding van de vader aannemelijk dat hij zich niet zal laten beïnvloeden door financiële prikkels en dan is een dwangsom een passende remedie. 3.3. De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. De zoon heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen en kan in die vorderingen ontvangen worden. Als de vader – zoals de zoon stelt – op onrechtmatige wijze contact zoekt met de zoon, dan heeft hij er immers een spoedeisend belang bij dat die situatie zo snel mogelijk eindigt. De vraag of er sprake is van onrechtmatig handelen door de vader zal hierna worden beantwoord. 4.2. Het door de zoon gevorderde contactverbod maakt inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de vader. Voor toewijzing van een contactverbod is alleen ruimte als er sprake is van onrechtmatig handelen door de vader en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. De voorzieningenrechter moet vervolgens alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of het verbod, zoals gevorderd, kan worden gerechtvaardigd. 4.3. Het staat vast dat de vader in elk geval vanaf april 2024 regelmatig pogingen heeft gedaan om het contact tussen hem en de zoon te herstellen, niet alleen door contact met de zoon zelf te zoeken, maar ook door e-mailberichten te sturen aan de studentenvereniging waar de zoon lid van is. De zoon heeft op sociale media ingediende volgverzoeken geweigerd en heeft op andere berichten van de vader niet gereageerd. Bij brief van zijn advocaat van 11 december 2024 heeft de zoon de vader uitdrukkelijk gevraagd geen contact meer op te nemen. De advocaat van de zoon heeft de vader vervolgens ook nog bij brief van 27 februari 2025 gesommeerd geen contact meer op te nemen. Dit heeft er echter niet toe geleid dat de vader zijn contactpogingen heeft gestaakt. De vader heeft nog geprobeerd de zoon te benaderen via zijn advocaat, hij heeft bij alimentatiebetalingen in mei, juni, juli en augustus 2025 berichten voor de zoon gevoegd, heeft in juli 2025 nogmaals een volgverzoek via Instagram ingediend en heeft de zoon in september 2025 een e-mailbericht gestuurd. 4.4. Hoewel begrip kan worden opgebracht voor de wens van de vader om contact met de zoon te hebben, moet voor hem duidelijk zijn dat de zoon dit niet wil. De zoon heeft dat uitdrukkelijk en bij herhaling kenbaar gemaakt. De vader heeft deze duidelijk kenbaar gemaakte wens van de zoon niet gerespecteerd. De voorzieningenrechter acht daarnaast aannemelijk dat de contactpogingen van de vader een negatieve impact hebben op de zoon. Hoewel de zoon niet ter zitting aanwezig was, blijkt uit de als productie 13 overgelegde schriftelijke verklaring de (negatieve) impact van de contactpogingen op de zoon. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan te nemen dat deze verklaring, zoals de vader betoogt, niet van de zoon zelf afkomstig is. Dat de zoon psychisch nadeel ondervindt van de contactpogingen door de vader, kan ook worden afgeleid uit de verwijzing door zijn huisarts naar een psycholoog. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat vaststaat dat de vader en de zoon al jarenlang geen contact hebben gehad, als gevolg van de scheiding van de vader en de moeder. Er is al jarenlang sprake van een gespannen relatie tussen de vader en de moeder. Wat daar ook de oorzaak van is en los van de vraag of hierin de vader een verwijt gemaakt kan worden, zal deze situatie zijn weerslag hebben op de zoon. Dit maakt contactherstel beladen. 4.5. Gelet op de door de zoon ingenomen stellingen en door hem overgelegde stukken in dit kort geding moet voor de vader inmiddels – voor zover hij dat niet al eerder had moeten kunnen inschatten – duidelijk zijn dat zijn contactpogingen een negatief effect hebben op de zoon. Desondanks is er gegronde vrees dat de vader zijn contactpogingen niet zal staken. Hij heeft immers in het verleden verzoeken daartoe niet gerespecteerd en heeft noch voorafgaand aan dit kort geding noch ter zitting in dit kort geding ondubbelzinnig willen toezeggen dat hij geen contact meer met de zoon op zal nemen. Door in deze omstandigheden contact op te blijven nemen met de zoon, handelt de vader onrechtmatig jegens de zoon en is er aanleiding voor toewijzing van het gevorderde contactverbod. 4.6. De voorzieningenrechter zal een contactverbod opleggen op de in het dictum van dit vonnis te vermelden wijze. Dit vormt een inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de vader. Gelet hierop en vanwege de wijze waarop de vader telkens contact met de zoon heeft opgenomen – waarbij hij geen fysiek contact heeft gezocht en zich ook niet op dreigende of intimiderende wijze heeft uitgelaten – wordt dit verbod in duur beperkt tot een periode van één jaar. Dat geeft de zoon een periode om met psychische hulp te onderzoeken hoe hij de relatie met zijn vader ziet en of hij op enig moment mogelijk weer contact met de vader wil. De voorzieningenrechter wijst er met klem op dat vader niet na ommekomst van die termijn zijn pogingen om tot contactherstel te komen direct weer moet hervatten. De meest wenselijke situatie is dat de vader het initiatief voor contact bij de zoon laat, ook na ommekomst van de termijn van het op te leggen contactverbod. 4.7. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter op dat het de vader ook zal worden verboden via derden contact op te nemen met de zoon. Dit heeft betrekking op contactpogingen vanuit de vader via derden, zoals bijvoorbeeld de brief die de vader aan de advocaat van de zoon heeft gestuurd . Wanneer derden uit de kring van de vader rechtstreeks contact opnemen met de zoon valt dit echter niet onder het contactverbod. De zoon heeft weliswaar gesteld dat de vader zijn zus contact met de zoon heeft laten opnemen, maar dat dit contact vanuit die zus heeft plaatsgevonden op initiatief van de vader is door de vader betwist en blijkt nergens uit. Nu niet gebleken is dat de vader deze derden ‘in de hand heeft’, kan hem in zoverre geen verbod worden opgelegd. De voorzieningenrechter acht wel wenselijk – ook om de kansen op toekomstig contactherstel te vergroten – dat de vader zijn familie vraagt om geen rechtstreeks contact met de zoon op te nemen, nu gebleken is dat de zoon daar ook niet voor openstaat en de zoon dergelijke contactpogingen wel toeschrijft aan de vader. De zoon heeft ook gevorderd de vader te verbieden zich op storende wijze uit te laten. Dat deel van de vordering is niet afzonderlijk onderbouwd en onvoldoende bepaald en zal dus niet worden toegewezen. 4.8. De vordering met betrekking tot de (alimentatie)betalingen aan de zoon zal niet worden toegewezen.
Volledig
Gelet op de leeftijd van de zoon is de alimentatieverplichting van de vader komen te vervallen en het is niet aannemelijk geworden dat de vader ongevraagd andere betalingen aan de zoon zal overmaken. Bovendien strekt het contactverbod zoals het wordt toegewezen ertoe dat de vader op geen enkele wijze contact met de zoon op mag nemen. Dit betekent dat het hem ook niet vrijstaat door middel van overschrijvingen van geldbedragen naar de bankrekening van de zoon contact op te nemen. Bij een afzonderlijke ordemaatregel op dit punt bestaat geen belang. 4.9. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Voor toewijzing van de gevorderde lijfsdwang bestaat geen grond. Lijfsdwang wordt op grond van artikel 587 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering alleen opgelegd als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de veroordeling op straffe van een dwangsom door de vader niet zal worden nagekomen. Omdat de vader alleen schriftelijk / digitaal contact heeft gezocht met de zoon en niet is gesteld dat er een reële kans is dat dat in de toekomst mogelijk anders zal zijn, is er geen aanleiding de zoon te machtigen het contactverbod te doen naleven met behulp van de sterke arm van politie en justitie. 4.10. Hoewel vanwege de familierechtelijke relatie tussen partijen de proceskosten zouden kunnen worden gecompenseerd, ziet de voorzieningenrechter daarvoor geen aanleiding vanwege de grondslag van de vorderingen die hier voor liggen. De vader zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van de zoon worden begroot op: - verschotten dagvaarding € 1,62 - griffierecht € 90,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.376,62 4.11. Ter nadere toelichting op voormelde begroting wordt overwogen dat de zoon heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij. Deze partij heeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten hoeven voldoen (artikel 40 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Gelet op het voorgaande wordt de vader veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht, de verschotten en vergoeding van het salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding. Ten slotte vallen onder de proceskosten ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel. In geval van betekening van het vonnis wordt een extra bedrag aan salaris toegekend. De explootkosten van de betekening van het vonnis komen in dit geval niet voor vergoeding in aanmerking. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. verbiedt de vader om voor de periode van één jaar na heden direct of indirect (via familie, bekenden, derden, via alle communicatiekanalen, telefonisch, per e-mail, sociale media of op fysieke wijze) contact op te nemen met de zoon, te zoeken of te hebben, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per keer dat de vader dit verbod overtreedt, tot een maximum van € 5.000,00; 5.2. veroordeelt de vader in de proceskosten van de zoon van € 1.376,62, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de vader niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de vader € 92,00 extra betalen; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken door mr. D.R. Glass op 6 januari 2026. idt De zoon stelt niet wanneer hij dit sms-bericht heeft ontvangen. Uit de volgorde van de gebeurtenissen zoals opgenomen in de dagvaarding leidt de voorzieningenrechter af dat de zoon dit sms-bericht in december 2024, althans eind 2024 / begin 2025 heeft ontvangen. De zoon stelt in de dagvaarding dat de vader vanaf medio 2023 intensief contact is gaan opnemen met de zoon, maar dat is uit de door de zoon overgelegde stukken niet af te leiden. Zie onder 2.10