Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:636
RECHTBANK DEN HAAG Kantonrechter, zittingsplaats 's-Gravenhage CB/c Rolnummer: 11765233 RL EXPL 25 – 11677 6 januari 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eisers sub 1] , wonende te [woonplaats 1], 2. [eisers sub 2] , wonende te [woonplaats 1], 3. [eisers sub 3] , wonende te [woonplaats 2], 4. [eisers sub 4] , wonende te [woonplaats 2], 5. [eisers sub 5] , wonende te [woonplaats 3], 6. [eisers sub 6] , wonende te [woonplaats 3], 7. [eisers sub 7] , wonende te [woonplaats 4], 8. [eisers sub 8] , wonende te [woonplaats 5], 9. [eisers sub 9] , wonende te [woonplaats 5], 10. [eisers sub 10] , wonende te [woonplaats 4], 11. [eisers sub 11] , wonende te [woonplaats 4], 12. [eisers sub 12] , wonende te [woonplaats 6], 13. [eisers sub 13] , wonende te [woonplaats 6], 14. [eisers sub 14] , wonende te [woonplaats 7], 15. [eisers sub 15] , wonende te [woonplaats 7], 16. [eisers sub 16] , wonende te [woonplaats 8], 17. [eisers sub 17] , wonende te [woonplaats 8], 18. [eisers sub 18] , wonende te [woonplaats 9], eisende partijen, hierna te noemen: ‘ [eisers] ’ of ‘de passagiers’, gemachtigde: mevr. [naam] (ProBe-ASP B.V.), tegen de besloten vennootschap TUI Airlines Nederland B.V. , (statutair) gevestigd te Rijswijk,gedaagde partij, hierna te noemen: TUI, gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD). 1 Het procesverloop 1.1 De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: de dagvaarding van 27 mei 2025 met vijf producties (nrs. 1 tot en met 5); de conclusie van antwoord van 30 juli 2025 met vijf producties (nrs. 1 tot en met 5); de conclusie van repliek van 19 augustus 2025 met twee productie (nrs. 5 en 6) ( de rechtbank begrijpt: 5a en 6a); de conclusie van dupliek van 13 oktober 2025. 1.2 Bij brief van 16 oktober 2025 heeft de griffie partijen op de hoogte gesteld dat de kantonrechter op 6 januari 2026 vonnis zou wijzen. Partijen hebben zich daarop niet gemeld met het verzoek tot het houden van een mondelinge behandeling, zodat op basis van de gewisselde processtukken vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1 [eisers] hadden een boeking voor TUI-vlucht [vluchtnummer] van Sur Reina Sofia Airport (Tererife, Spanje) naar Amsterdam-Schiphol Airport (Nederland) op 22 juli 2023. 2.2 De vlucht maakte deel uit van een rotatievlucht Amsterdam – Tenerife – Amsterdam. De geplande vluchttijden waren: vertrektijd aankomsttijd Amsterdam 11:50 uur Tenerife 15:45 uur 16:35 uur Amsterdam 22:20 uur (Alle tijden in dit vonnis zijn lokale tijden.) 2.3 Vlucht [vluchtnummer] is met een vertraging van 18:50 uur in Amsterdam gearriveerd op 23 juli 2023 om 17:24 uur. 3 De vordering 3.1 [eisers] , vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (I.) TUI te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 8.800,00 te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW, te rekenen direct na de vertraging, althans vanaf de datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; (II.) TUI te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad€ 815,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten te rekenen vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; (III.) TUI te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; (IV.) TUI te veroordelen in de nakosten van het te wijzen vonnis. 3.2 Aan hun vordering leggen [eisers] ten grondslag dat Europese regelgeving en jurisprudentie, meer in het bijzonder de EU-verordening 261/2004 (hierna; ‘de Verordening’) en (onder meer) de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2008 (C-549/07, Wallentin-Hermann-arrest), van 19 november 2009 (C-402/07, Sturgeon-arrest) hen recht geven op een vergoeding van€ 400,00 per persoon in verband met de vertraging van hun Meer in het bijzonder vormt een voortijdig, zelfs onverwacht, defect van sommige onderdelen van een luchtvaartuig geen buitengewone omstandigheid, aangezien dit defect in beginsel wezenlijk verbonden is met het systeem voor de werking van het luchtvaartuig (zie in die zin arrest van 4 april 2019, Germanwings, C501/17, EU:C:2019:288, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 5.5 In rechtsoverweging 43 overweegt het Hof vervolgens: 43. Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een luchtvaartmaatschappij zich, om zich te bevrijden van haar verplichting tot compensatie, niet kan beroepen op „buitengewone omstandigheden” in de zin van deze bepaling in verband met een defect van een „on-condition”-onderdeel, dat wil zeggen een onderdeel dat slechts wordt vervangen indien het vorige onderdeel uitvalt, zelfs indien zij voortdurend een reserveonderdeel in voorraad houdt, tenzij een dergelijk defect – hetgeen de nationale rechter moet nagaan – een gebeurtenis vormt die naar haar aard of oorsprong niet inherent is aan de normale uitoefening van het bedrijf van de luchtvaartmaatschappij in kwestie en waarop deze niet daadwerkelijk invloed kan uitoefenen, met dien verstande dat wanneer dat defect in beginsel wezenlijk verbonden is met het systeem voor de werking van het luchtvaartuig, het niet als een dergelijke gebeurtenis kan worden beschouwd. 5.6 Weliswaar schrijft het Hof in de laatst aangehaalde rechtsoverweging voor dat de nationale rechter moet nagaan of een defect een gebeurtenis vormt die naar haar aard of oorsprong niet inherent is aan de normale uitoefening van het normale bedrijf van de luchtvaartmaatschappij en waarop deze daadwerkelijk invloed kan uitoefenen, met dien verstande dat wanneer dat defect in beginsel wezenlijk verbonden is met het systeem voor de werking van het luchtvaartuig, het niet als een dergelijke gebeurtenis kan worden beschouwd . 5.7 Uit het onderstreepte tekstgedeelte volgt dat de nationale rechter in wezen geen beoordelingsruimte heeft als een het een defect betreft dat wezenlijk verbonden is met het systeem voor de werking van het luchtvaartuig . Is dat het geval dan volgt uit het Finnair-arrest dat het defect geen buitengewone omstandigheid oplevert. 5.8 Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen wezenlijk verschil tussen een defect aan een (technisch) onderdeel van een vliegtuig en het ontbreken van een medical kit. Een vliegtuig is een complex systeem, dat moet voldoen aan allerlei voorschriften, sommige van strikt technische aard en andere van veiligheidstechnische aard, waarbij een vliegtuig niet mag opstijgen in het geval een onderdeel, dat daarmee verband houdt defect is of ontbreekt. 5.9 In het voorliggende geval behoort het tot de veiligheidsvoorschriften, waaraan een vliegtuig moet voldoen, dat een minimum aantal medical kits aan boord moeten zijn. Als die er niet zijn mag het vliegtuig niet opstijgen, zo ook in het geval van de onderhavige vlucht [vluchtnummer] op 22 juli 2022. 5.10 Uit hetgeen het Hof in het Finnair-arrest heeft beslist volgt aldus dat in het voorliggende geval TUI zich niet kan beroepen op een buitengewone omstandigheid. 5.11 In haar conclusie van dupliek wijst TUI erop dat de kantonrechter in een eerder vonnis (van 16 september 2025) ten aanzien van dezelfde vlucht [vluchtnummer] op dezelfde dag reeds heeft beslist dat zij zich niet kan beroepen op een buitengewone omstandigheid, maar dat dat oordeel onjuist is. Niet alleen kan TUI zich niet verenigen met het oordeel dat het ontbreken van medical kits te vergelijken is met een technisch mankement, maar ook betoogt TUI dat een zieke passagier aan boord te vergelijken is met een van buiten komende oorzaak, zoals een vogel of foreign object damage , hetgeen niet intrinsiek verbonden is met het systeem en de werking van een luchtvaartuig. 5.12 In het geval TUI zich niet kan verenigen met een oordeel van de kant