Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:6304
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,995 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6304 text/xml public 2026-04-02T16:08:32 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-06 24/9932 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6304 text/html public 2026-04-02T16:07:47 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6304 Rechtbank Den Haag , 06-03-2026 / 24/9932 omgevingsvergunning schuur / bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard / geen belanghebbendheid / beperkte zicht van te geringe betekenis RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/9932 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser en het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, het college (gemachtigden: mr. A.D. Bouwman en [gemachtigde]). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (gemachtigden: mr. S.F. Knoop en mr. B. Pietersz). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser tegen de omgevingsvergunning voor – voor zover hier van belang – de bouw van een schuur op het perceel van de derde-partij. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning omdat hij geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de vergunde bouwactiviteit. Zijn bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 11 april 2024 heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor de sloop en heropbouw van een schuur op het perceel [adres 1] te [plaats]. Met het besluit van 10 juni 2024 heeft het college de derde-partij de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. 2.1. Met het bestreden besluit van 11 november 2024 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser , bijgestaan door mr. Scholten, de gemachtigden van het college, de derde-partij en zijn gemachtigden. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen van eiser in de zaken 22/5464, 22/5468, 22/5470 en 22/5472. Ook in die zaken doet de rechtbank vandaag uitspraak. Beoordeling door de rechtbank Situatieschets 3. Eiser woont op [adres 2] in [plaats]. Zijn woning is gelegen aan een watergang die de erfafscheiding vormt tussen zijn perceel en het perceel van de derde-partij. De derde-partij is sinds 2015 eigenaar van het perceel [adres 1] (het perceel) en woont daar met zijn familie. Op het perceel was eerder een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. Dat bedrijf is in 1995 beëindigd. De derde-partij heeft sinds de aankoop van het perceel verschillende werkzaamheden uitgevoerd op het perceel om onder meer de grond te saneren van de voormalige melkrundvee- en varkenshouderij. Tussen eiser en de derde-partij bestaat sindsdien onenigheid over het toegestane gebruik van de grond en opstallen op het perceel. Eiser heeft meerdere verzoeken om handhaving ingediend en meerdere omgevingsvergunningen voor activiteiten op het perceel aangevochten. Het bestreden besluit 4. Het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belanghebbende is bij de omgevingsvergunning voor de schuur. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de vergunde activiteit. De te bouwen schuur ligt op circa 100 meter van de woning van eiser en er is bebouwing en begroeiing tussen de schuur en het perceel van eiser aanwezig, waardoor het zicht op de schuur voor eiser zeer beperkt is. Een gevoel van betrokkenheid bij de gang van zaken op het perceel, hoe sterk dat gevoel ook is, is niet voldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt, aldus het college. Is eiser belanghebbende bij de omgevingsvergunning? 5. Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. Hij betoogt dat hij belanghebbende is bij de omgevingsvergunning voor de bouw van de schuur. Zijn perceel ligt volgens eiser op ongeveer 80 meter van de locatie van de schuur. Hij heeft vanuit zijn achtertuin zicht op het bouwwerk. De haag die voor de schuur staat, mag daar volgens eiser niet zijn omdat die niet gebiedseigen is en dus in strijd is met het bestemmingsplan. Eiser vindt het bestreden besluit ook willekeurig. Ten aanzien van andere bouwwerken en/of activiteiten op het perceel van de derde-partij, op grotere afstand tot zijn perceel, is volgens eiser wel direct gehandhaafd. 5.1. In artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 5.2. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, zijn de relevante factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Deze factoren worden zo nodig in onderlinge samenhang bekeken. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). 5.3. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat bewoners en eigenaren van een perceel dat grenst aan het perceel waarop het besluit ziet of dat met een aangrenzend perceel gelijk is te stellen, in beginsel belanghebbenden zijn. In dat geval wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. 5.4. In dit geval is sprake van aangrenzende percelen. Desondanks heeft het college eiser naar het oordeel van de rechtbank terecht niet als belanghebbende aangemerkt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de vergunde schuur. Niet in geschil is dat de afstand tussen de schuur en de woning van eiser tussen de 80 en 100 meter bedraagt. Aan de hand van ter zitting getoonde foto’s is inzichtelijk geworden dat het zicht van eiser vanaf zijn perceel, beperkt is tot een klein deel van de bovenkant van het dak van de schuur. Voor het overige wordt het zicht op de schuur (nog los van aanwezige begroeiing) weggenomen door het woonhuis van de derde-partij dat voor de schuur staat. Het zicht dat eiser op de schuur heeft is naar het oordeel van de rechtbank daarom van zeer geringe betekenis en te beperkt om hier belanghebbendheid aan te ontlenen. Daarnaast is niet gebleken dat eiser, afgezien van dit zeer beperkte zicht, op een andere manier hinder of anderszins gevolgen van enige betekenis ondervindt van de aanwezigheid van de schuur. 5.5.