Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:6247
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,005 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6247 text/xml public 2026-04-02T14:03:27 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-23 AWB - 25 _ 474 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6247 text/html public 2026-04-02T14:01:58 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6247 Rechtbank Den Haag , 23-01-2026 / AWB - 25 _ 474 Belastingrente. Gesteld voor de vraag wat bij de uitleg van artikel 30g, vierde lid, AWR de doorslag moet hebben, de eenduidige tekst van de bepaling dan wel een onzekere aanwijzing uit de parlementaire toelichting, kiest de rechtbank voor het eerste. Het gelijk is daarmee aan eiseres, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 25/474 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres een voorlopige aanslag erfbelasting opgelegd. Daarbij heeft hij belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak van 30 oktober 2024 de beschikking heffingsrente op het daartegen gerichte bezwaar gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2]. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer SGR 24/9651 van [naam], zuster van eiseres. Overwegingen Feiten 1. Op 13 mei 2023 overleed mevrouw [erflaatster]. Zij had bij testament eiseres en haar zuster als de erfgenamen aangewezen. 2. Verweerder heeft eiseres bij brief van 25 augustus 2023 uitgenodigd om vóór 13 januari 2024 aangifte erfbelasting te doen. 3. Met dagtekening 26 januari 2024, door verweerder ontvangen op 31 januari 2024, verzocht de gemachtigde om een voorlopige aanslag. Daarbij vermeldde hij € 1.339.945 als het bedrag waarover eiseres vermoedelijk erfbelasting verschuldigd was. 4. Gedagtekend 21 februari 2024 heeft verweerder overeenkomstig het verzoek een voorlopige aanslag erfbelasting aan eiseres opgelegd naar een te betalen bedrag van € 249.541. Daarbij heeft hij € 4.211 aan belastingrente in rekening gebracht. Geschil 5. In geschil is of verweerder terecht belastingrente in rekening heeft gebracht. 6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het verzoek om een voorlopige aanslag is gedaan binnen de in artikel 30g, vierde lid, van de AWR gestelde termijn (wat het standpunt is van eiseres) dan wel daarbuiten (standpunt verweerder). Beoordeling van het geschil 7. Artikel 45, eerste lid, van de Successiewet (SW) luidt: “De inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte voor de erfbelasting zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan acht maanden na het overlijden.” Op grond van artikel 30g, eerste lid, van de AWR wordt in beginsel over het op een aanslag erfbelasting verschuldigde bedrag belastingrente in rekening gebracht. Het vierde lid van dat artikel bepaalt evenwel: “Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de belastingaanslag ter zake van het overlijden is vastgesteld overeenkomstig een verzoek of overeenkomstig een ingediende aangifte indien het verzoek, onderscheidelijk de aangifte, is ontvangen voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden.” 8. Het geschil draait om de vraag hoe de woorden “voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden” moeten worden uitgelegd. Volgens eiseres is de betekenis van deze bewoording dat het verzoek om een voorlopige aanslag moet zijn ingediend voor de eerste dag van de negende maand na die, waarin erflaatster is overleden. Verweerder leest deze bepaling zó, dat het verzoek moet zijn ingediend voordat acht maanden na het overlijden zijn verstreken. 9. Taalkundig betekent “de eerste dag van de negende maand na het overlijden”: de eerste dag van de negende maand die volgt op de maand waarin het overlijden plaatsvond. Hoe een tijdsverloop van acht maanden spraakgebruikelijk wordt verwoord, is te vinden in artikel 45, eerste lid, SW: “acht maanden na het overlijden”. 10. Verweerder beroept zich voor zijn uitleg op de navolgende passage uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarmee de bepaling werd geïntroduceerd: “Aanpassen belastingrente erfbelasting Door een in het Belastingplan 2019 opgenomen wijziging van de AWR is met ingang van 1 januari 2019 bepaald dat degene die voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden – dus binnen de aangiftetermijn die als hoofdregel geldt bij een verkrijging in verband met een overlijden – verzoekt om een voorlopige aanslag of aangifte doet, geen belastingrente in rekening wordt gebracht indien de (voorlopige of definitieve) aanslag erfbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig dat verzoek of die aangifte.” 11. Hoewel bij de uitleg van de belastingwet niet een (strikte) hiërarchie tussen de interpretatiemethoden wordt gehanteerd, geldt niettemin als uitgangspunt dat de wet moet worden begrepen als zij luidt. De tekst van artikel 30g, vierde lid, van de AWR roept niet in zichzelf vragen op, en dat doet evenmin de manier waarop zij uitwerkt. Voor de adressant van de bepaling bestaat daarmee geen aanleiding zich in de totstandkomingsgeschiedenis te begeven: als de wetgever een termijn van acht maanden zou hebben bedoeld, had hij er wel voor gekozen in artikel 30g, vierde lid, AWR dezelfde bewoording te hanteren als in 45, eerste lid, SW. Langs deze lijn wordt überhaupt niet eraan toegekomen de parlementaire behandeling bij de interpretatie te betrekken. 12. Ondertussen is het maar de vraag wat nu eigenlijk is gezegd met de passage uit de toelichting waarop verweerder zich beroept. Verweerder veronderstelt klaarblijkelijk dat met de opmerking tussen de gedachtestreepjes is bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de termijn van artikel 30g, eerste lid, AWR samenvalt met die van artikel 45, eerste lid SW. Artikel 45, eerste lid, SW bevat echter geen termijn. Het artikellid bepaalt slechts dat de termijn voor het doen van aangifte niet op minder dan acht maanden wordt gesteld. “De aangiftetermijn die als hoofdregel geldt” kan dan ook bezwaarlijk anders worden begrepen dan als: de aangiftetermijn zoals deze in de regel wordt gesteld. De passage tussen gedachtestreepjes kan zeer wel zó worden opgevat, dat daarmee slechts is toegelicht dat voor de termijn van artikel 30g, vierde lid, AWR aansluiting is gezocht bij de aangiftetermijn. Ook een termijn die eindigt op de eerste dag van de negende maand na die van het overlijden sluit aan bij de klaarblijkelijk in de regel op acht maanden na het overlijden gestelde termijn voor aangifte. De duiding dat de bewuste passage tot uitdrukking brengt dat “de eerste dag van de negende maand na overlijden” moet worden begrepen als “acht maanden na overlijden” is daarmee in ieder geval niet dwingend. 13. Gesteld voor de vraag wat bij de uitleg van artikel 30g, vierde lid, AWR de doorslag moet hebben, de eenduidige tekst van de bepaling dan wel een onzekere aanwijzing uit de parlementaire toelichting, kiest de rechtbank voor het eerste. Het gelijk is daarmee aan eiseres, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard. Proceskosten 14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). 15.